Twitter

Follow Ep_Meijer on Twitter

zondag, november 05, 2006

Dingetjes

Een paar uur later is het weer raak. Nu klinkt de fanfare echter een stuk opgewekter. Door het keukenraam ontdek ik glimlachend waarom. Na een laatste zucht van de tuba dooft de muziek middenin een mars en zwenkt het gezelschap rechts uit de flank de kroeg in. Zo hoort het, mannen, laat die vrouwlui maar lekker met de piepers wachten! Holland zou wat meer van Limburg moeten hebben, denk ik. Dat jachtige gedoe in het westen is nergens goed voor. Op de schaal van het universum is een mensenleven in een fractie van een milliseconde voorbij. Je zou wel gek zijn als je er niet van genoot. Doe je dat daarentegen weer teveel dan gaan andere, meer ambitieuze mensen over je heen lopen. Het resultaat kun je op de markt in Roermond vinden. Precies in het midden is er een marmeren cirkel aangebracht. Je kunt er omheen lopen en lezen door wie Limburg in de loop der eeuwen zoal veroverd en bezet is. Dat is een hele waslijst, die ik u zal besparen. Kijk, dan blijf je op een gegeven moment dus vanzelf in je schulp. Ecco de Limburger. Hier in Samploy is het ’s avonds pikkedonker. Van de straat af is niet te zien of er iemand thuis is, want overal zijn de rolluiken naar beneden gelaten, zodat er nog geen kiertje licht ontsnapt. Alsof het oorlog is en er verduisterd moet worden. Natasja’s huis is één van de weinige zonder. Nog een reden waarom ik me er prettig voel. Er zijn echter nog wat, eh, dingetjes. Nu ik hier toch tot woensdag zit, besluit ik ze aan te pakken.
Zo hangt de toiletrol verkeerd om. Een doodzonde. Wil je er probleemloos velletjes van af kunnen scheuren, dient deze met de aangebroken zijde naar je toe te hangen. Erger is de televisie. Na de Nederlandse zenders volgt er een diarree aan gelikte clips. Daarna zap ik langs sneeuw. Geen België, geen National Geographic of Discovery Channel en, heel problematisch op zondagavond, geen BBC. Ik moet en zal naar the best of Top Gear kijken en vooral luisteren naar het gebrul van de Audi RS4, die voor vanavond op de rol staat, heb ik op Internet ontdekt.
Er staat een videorecorder en een scartkabel vind ik ook. Ik herprogrammeer het apparaat en wat later is de beschaving tot Samploy doorgedrongen. Terwijl Jeremy Clarkson en ik van mijn droomauto genieten, druppelt op de achtergrond de kroeg leeg. De trombonist, tenminste, dat neem ik aan, doet een poging de taptoe te blazen en mag van geluk spreken dat er geen geile mannetjeseland in de buurt is.

Bomen en appels

De mannetjes zijn weer terug bij hun moeder. De overdracht verliep net als gisteren probleemloos. Zelfs Theo, met wie ik voor De regels wekelijks ging biljarten, maar ook degene die me herhaaldelijk dood heeft gewenst, had er een begroeting voor over, minzaam weliswaar, maar toch.
Nu mijn zoons niet meer hier zijn, is het nog stiller in Samploy, alleen doet het gebrek aan leven nu een beetje zeer, zoals altijd op zondag wanneer ik plotseling weer in mijn up ben. Ook de honden missen Sietse en Bart. Ze kijken me vragend aan en zoeken in alle hoeken en gaten. Het was dan ook dolle pret, vooral gisteren. Boris, de Golden Retriever, kreeg er maar niet genoeg van om achter het stuk touw aan te rennen dat Sietse telkens voor hem weggooide in de tuin. Het record staat op 86 keer. Cindy, de Duitse herder, week intussen haast niet van de zijde van Bart.
Tijdens één van onze tochten liepen we een stuk samen op met een vader en diens jonge zoon en eveneens twee honden. Mijn oudste zoon wierp zich op als een soort hostess en legde uit hoe de vork in de steel zat.
‘Goedemiddag,’ zei hij, ‘ik ben Sietse en dit zijn mijn vader en mijn broertje Bart. De honden heten Boris en Cindy. Die zijn van Natasja, maar die is nu naar Rome. Wij zijn op haar huis aan het passen.’
Uit de verhalen van mijn moeder weet ik dat ik me vroeger precies zo gedroeg.
‘Nog even en hij vertelt je mijn pincode,’ grijnsde ik de man toe.
Hij glimlachte zwijgend en ik besefte dat heel Samploy spoedig op de hoogte zou zijn van Natasja’s trip naar Rome. Zo gaat dat immers in een dorp.
Over de bazin des huizes gesproken, ze belde vannacht op. De portemonnee van de geluidsman was gerold, vertelde ze. Tickets, geld, credit card, alles weg. De eerstvolgende vlucht met vrije stoelen ging pas op woensdag. Ergens kwam dat nog wel goed uit ook, want dan kon ze mooi op zoek naar werk.
‘Hè?! Je kon toch bij die festivals aan de slag?’ vroeg ik nog, maar Natasja was te vol van Rome om me te horen. ‘Ik ben helemaal verliefd op deze stad!’ juichte ze. Of ik het niet erg vond om nog wat langer op huis en honden te passen?
‘Geen probleem,’ antwoordde ik geheel naar waarheid.
Ik heb het nog niet opgeschreven of de honden slaan aan. Buiten lijkt ineens het laatste oordeel aangebroken. Of nee. Het is de plaatselijke fanfare maar, ontdek ik. Terwijl de kerkklok erop los beiert, marcheren drie trommelaars, een handjevol blazers en een tamboer voorbij, in hun kielzog de pastoor in vol ornaat, die op zijn beurt weer gevolgd wordt door de plaatselijke notabelen en de rest van de kerkgaande bevolking van Samploy. Ik blijf in de tuin staan tot het geluid van de processie helemaal is uitgestorven en je weer een speld kunt horen vallen.

zaterdag, november 04, 2006

Fatwa

De laatste keer dat ik in ’t Plaatsje was, vierde mijn jongste zoon zijn derde verjaardag. Ik mocht een cadeautje komen brengen en precies een uur blijven. Daarna kwamen de ‘buren’, aldus Sonja, en moest ik de hielen gelicht hebben, want ze wilden me onder geen beding onder ogen komen. De enkele bewoners die voordien het toneel betraden, namen niet de moeite om me met mijn zoon te feliciteren en deden hoe dan ook alsof ik lucht was. Alleen mijn ex-schoonmoeder, overigens de leukste die ooit heb gehad, praatte met me, maar die was dan ook slechts op bezoek in Bladibla’s speeltuin en deed er altijd alsof haar neus bloedde.
Dat uur heb ik niet eens uitgezeten. Toen ik opstond, schreeuwde Bart moord en brand. Hij wilde persé met me mee. Zoals gewoonlijk was de situatie op een enkele tegel samen te vatten: twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen. Met gebalde vuisten liep ik terug naar mijn auto en nam me voor om pas weer in ’t Plaatsje terug te keren wanneer ik een bazooka had weten te bemachtigen.

Je kunt van alles zeggen over Natasja’s Nissan, maar niet dat het een James Bond-auto is. Geen mitrailleurs en ander wapentuig in de voorbumper dus. Wel ernstig versleten schokdempers, zodat ik me genoodzaakt zie om me met een slakkengang over ’s Heren wegen in Midden-Limburg te begeven. In allerlei schakeringen donkergrijs liggen er wolken op de horizon en af en toe verspreidt de zon het bleke, felle licht dat zo typerend is voor november. Ik ga het doen. Schijt aan de mensen daar die me met de nek aankijken, omdat ik een boek heb geschreven dat zich deels in een sekte afspeelt, om het even welke. Dat ze zich aangesproken voelen, zegt genoeg. Ik ga gewoon mijn zoons ophalen, als een normale gescheiden vader.
Op de parkeerplaats valt me op dat slechts een klein gedeelte ontdaan is van herfstbladeren. Het is zo precies gebeurd dat ik moet glimlachen. Ook in een spirituele woongemeenschap is het vooral zaak om het eigen straatje schoon te houden. Ik ben hier getuige geweest van ruzies over centenkwesties, ik heb hier stenen door ruiten zien gaan. Want door hoeveel goeroes een mens zich ook laat koeioneren, hij is en blijft doodgewoon. Maar dat mag niet opgeschreven worden. De devotees van Bladibla zijn met zo weinig dat ze zich uitverkoren wanen. En daar zat ik dan tussen met mijn rationele rotkop. Logisch dat het zo afliep. Maar niet gedraald nu. Fatwa of geen fatwa, ik kom hier voor mijn mannetjes. Met opgeheven hoofd loop ik het binnenterrein op.

vrijdag, november 03, 2006

Tapetenwechsel

Zomaar ineens ben ik naar de jaren vijftig van de vorige eeuw gekatapulteerd. Vanochtend belde Natasja op. Ze kon op stel en sprong naar Rome voor het festival waar ze me over verteld had. Ticket, hotel, alles werd voor haar betaald. Of mijn belofte nog steeds gold? Een man een man, een woord een woord. Dus bivakkeer ik nu in het landelijke Samploy, onder de rook van Roermond, waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan. Er is één kroeg en om het kwartier slaat de klok van de enige kerk. Verder kun je hier een kanon afschieten als er niet af en toe een tractor de stilte verstoorde. Een heel verschil met mijn slagzij makende zolder, waar de Velux-ramen af en toe ritmisch trillen als er een hoerensloep voorbij dreunt met de volumeknop op tien. Ik heb al twee keer met Boris en Cindy heerlijk door de weilanden gestruind. Inderdaad schatten van honden, die naar me luisteren alsof ze nooit anders hebben gedaan. Iedereen die ik tegenkwam groette me, zij het een beetje gereserveerd. Je zag het ze gewoon denken: wie is die snuiter? Alsof ik in Frankrijk ben. Er spookt een liedje van Hildegard Knef door mijn hoofd: ‘Ich brauch Tapetenwechsel, sprach die Birke.’ Voor het eerst in jaren heb ik een vakantiegevoel.

Natasja’s huis is even klein als knus en opvallend proper. Alles heeft er kennelijk een vaste plek en is als met een liniaal gerangschikt, zelfs dingen als schoonmaakdoekjes. Her en der staat fitnessapparatuur en het mysterie van de kinderhersenchirurgie is opgelost: in de slaapkamer en in de badkamer vond ik hele stapels doktersromannetjes. Ik weet niet precies waarom, maar het geheel bezorgt me een brok in de keel. Misschien omdat ik voor het eerst in een week weer eens een volle maag heb, want Natasja heeft gezegd dat ik mag pakken wat ik wil uit de overvolle koelkast en vrieskist. Ze heeft zelfs aan bier gedacht, de schat. Mocht dat niet genoeg zijn dan is er ook de kelder nog, waar genoeg eten en drinken is opgeslagen om een oorlog te overleven. Maar de grootste verrassing is misschien nog wel het gloednieuwe pakje Drum dat ik vind. Er zit een geel stickertje op. ‘Geniet ervan!’ lees ik.
’s Avonds probeer ik naar het debat tussen Balkenende en Bos te kijken, maar halverwege zet ik de tv uit en ga de tuin in. Het is een heldere nacht en de maan is bijna vol. Op het hijgen van de honden na ontbreekt ieder geluid. Ik geloof warempel dat ik me gelukkig voel.

Casanova

Op het schoolplein komen van alle kanten aantrekkelijke dames tevoorschijn geschoten om me een hand te geven.
‘Hallo! Ik ben Maria, de moeder van Sjors, je weet wel. Die zit bij Sietse in de klas.’
‘Hoi! Ik ben Deborah. Ik geef hier handenarbeid.’
Het duizelt me en ik vergeet prompt naar de vingers te kijken. Zit er een trouwring aan of niet? De gedachte aan schuinsmarcheerder Kluun is onvermijdelijk. Hij was succesvol in de reclame, ik in de communicatie. Daarna gingen we beiden schrijven, in een enigszins vergelijkbare stijl, mikkend in ieder geval op een groot lezerspubliek. Hem heeft dat geen windeieren gelegd en mij? De kop van het artikel dat HP/De Tijd onlangs aan mij wijdde, luidde ‘Miskluun’. Dat had natuurlijk flatteuzer gekund. Anderzijds ben ik ook vergeleken met Erich Maria Remarque en John Irving, wat Kluun nog maar mooi voor elkaar moet zien te krijgen.
Hoe dan ook, het is welletjes met mijn monnikenbestaan, vind ik. Mijn libido schreeuwt al een tijdje om een romance waar de vonken van af vliegen. Helaas ben ik niet zo’n Casanova. Op papier ja, daar kan ik alles. Vandaar mijn virtuele harem. Maar in de werkelijkheid verander ik in een stamelende zandzak, zodra er mooie vrouwen in de buurt zijn. En het komt al helemaal niet in me op om op ze af te stappen en er een verpletterende oneliner op los te laten.
Eén keer, lang geleden, tijdens mijn verblijf van een half jaar in Frankrijk, maakte ik een uitzondering op de regels. Ik was in een bomvolle disco en mijn oog werd gevangen door een ravissante blondine. Het was wederzijds ook. Juist wilde ik, aangemoedigd door mijn collega’s uit het hotel waar ik als manusje-van-alles werkzaam was, op haar afstappen toen de discotheek vanwege een bommelding ontruimd moest worden. Op straat rekte ik mijn nek in alle standen om haar te ontdekken. Vergeefs. Tjonge, wat baalde ik. Gelukkig stond ze naderhand op precies dezelfde plek. Nu of nooit, dacht ik en worstelde me door de menigte heen.
Voulez-vous danser avec moi?’ stotterde ik heel origineel, eenmaal oog in oog met haar.
Enfin, vervolgens hebben Nathalie en ik een week als konijnen in mijn kamer doorgebracht. Daarna ging ze terug naar haar vriend in Parijs. Ze kon gewoon niet zonder seks, legde ze uit. Ik evenmin. Toen niet en nu niet. Maar ik ben bang dat ik, wil het er weer eens van komen, met een sandwichbord om door het leven zal moeten gaan. Op de tekst beraad ik me nog. Suggesties zijn welkom.

donderdag, november 02, 2006

Lekker puh

Over vanochtend wil ik het eigenlijk liever niet hebben. Maar vooruit, je blogt of je blogt niet. Toen ik na zeker een half uur wachten in het gemeentehuis eindelijk aan de beurt was, werd me meegedeeld dat de meegebrachte pasfoto’s niet aan de eisen des tijds voldeden. De zwaar opgemaakte juffrouw aan de balie had met name moeite met mijn olijke lach.
‘Wat maakt dat nou uit?’ vroeg ik.
‘Meneer,’ antwoordde ze kil, ‘identiteit is een serieuze aangelegenheid.’
‘Ja maar, ik ben toch dezelfde persoon, of ik nou lach of huil?’
‘Dat zijn de regels, meneer, en daar hebben we ons allemaal aan te houden.’
Even overwoog ik om het plan van wijlen Pim Fortuyn om het aantal ambtenaren in Nederland drastisch te verminderen, ten uitvoer te brengen en wel onmiddellijk en ter plekke. Of moest ik eerst ergens een bulldozer scoren en dan de boel plat rijden? Haalde ik tenminste de krant. Alsof het iets voor mij is om uit mijn vel te springen. Ik zou niet weten wanneer ik voor het laatst woedend ben geworden. Het punt is dat ik voor alles en iedereen begrip kan opbrengen, zelfs voor moslimterroristen als het moet. Daarom droop ik maar af.
Buiten op het marktplein bekeek ik de inhoud van mijn portemonnee. Minus de benodigde 33 Euro 60 voor een ID-bewijs niet genoeg voor pasfoto’s dus. Gisteren had ik wellicht iets te enthousiast bijgedragen aan de groei van de economie en naast shag, koffie en koffiemelk allerhande zaken ingeslagen die op of bijna op waren geweest: deodorant, scheerschuim, tandpasta, toiletpapier, wasmiddel, dat soort dingen. Ik moest toch ook aan mijn persoonlijke hygiëne denken? Alsof de duivel ermee speelde, pakten zich op dat moment donkere wolken samen boven Roermond. Het weerhield de toeristen op de verwarmde terrassen er niet van om koffie te lurken à raison van 2 Euro 50 per vingerhoedje. Misschien, bedacht ik, moest ik gewoon gaan zitten en in hongerstaking gaan. Veel was daar niet voor nodig. Vannacht had de kramp in mijn maag me een keer gewekt. Hoe dan ook voelde ik me gammel. Al mijn lymfeklieren waren opgezwollen. Vitaminegebrek? Nog even en ik kreeg scheurbuik, zoals de zeehelden in de boeken die ik als kind verslond. Ik weigerde echter bij de pakken neer te zitten en liet me op de terugweg alvast bij twee uitzendbureaus inschrijven. Lekker puh. Mijn ID-bewijs beloofde ik later langs te brengen. Meer zat er niet in, want ik moest Bart van school gaan halen.

woensdag, november 01, 2006

Onderzetters

Soms zit het tegen, soms zit het mee. Niet alleen sta ik binnenkort in de Telegraaf, ook maak ik kans op De Brandende Pen, een nieuwe literaire prijs voor het beste Nederlandstalige korte verhaal. Vanavond kreeg ik een mailtje van de hoofdredacteur van Lava, het verantwoordelijke literaire tijdschrift. Mijn verhaal Blik op oneindig behoort tot de beste 23 van de 230 inzendingen. De prijsuitreiking is aanstaande zondag, in café Hofman te Utrecht. Het feest begint om 20.00 uur, mocht u geïnteresseerd zijn. Of ik even wilde laten weten of ik kom, werd me nog gevraagd. Tja. Dat is nu wat je een dilemma noemt.
In mijn begintijd als schrijver deed ik mee aan alle schrijfwedstrijden die er waren. De keren dat een verhaal van mij werd genomineerd, kreeg ik ook zo’n mailtje. Alleen kwam er dan meestal nog eentje achteraan: of ik alsjeblieft wel mijn opwachting wilde maken, want ik had gewonnen. Op die manier heb ik tot driemaal toe met een stalen gezicht in een zaaltje gezeten, omringd door andere deelnemers die nog volop in hun kansen geloofden. Eén keer wist ik niet hoe het zou aflopen. Toen ging het om de Literatuurprijs Gerard Walschap Londerzeel en was mijn boek Geluk voor gevorderden genomineerd. De prijs bedroeg 7.500 Euro. Kijk, daar wilde ik nou wel mijn hok voor uit komen. Ik door de stromende regen helemaal naar Londerzeel, dat halfweg tussen Antwerpen en Brussel ligt. Behalve mij gaven nog drie andere van de acht genomineerden acte de présence. Eigenlijk wist ik dat ik een mailtje of telefoontje had moeten krijgen, wilde die smak geld echt van mij worden. Toch dacht mijn hart dat ik aan de laatste kilometer van een marathon bezig was, toen het juryrapport na eindeloze optredens van strijkjes ten lange leste werd voorgelezen. Ilya Leonard Pfeiffer won, met zijn boek Rupert, en ik reed, wederom door de stromende regen naar huis met een boek over Gerard Walschap en onderzetters van de gemeente Londerzeel. Onderzetters!
Ik had een kostelijke avond beleefd, maar toch zit er, vind ik, een masochistisch tintje aan om in een zaal met plaatselijke notabelen te zitten en dan zo’n vette kluif nipt aan je neus voorbij te zien gaan. Begrijp me goed, ik ben geen Arnon Grünberg, die het van zichzelf kan maken om niet eens te verschijnen bij de prijsuitreiking van de AKO-Literatuurprijs, terwijl hij hem nota bene won. Maar zolang ik verder niets van de jury hoor, heb ik slechts een kans van 1 op 23 op De Brandende Pen. Daarbij kan ik het niet helpen me af te vragen: hoeveel pakjes shag kan ik kopen voor de prijs van een retourtje Utrecht?