woensdag, december 16, 2009

I have a dream


Kim Jong-il. Nee, niet nummer 472 op het menu van de afhaalchinees, maar de baas van Noord-Korea. Zijn volk lijdt al jaren honger, maar dat mag de dictatoriale pret niet drukken. Wel meedoen aan het WK voetbal, maar verder lekker leninistisch bezig blijven, wie doet je wat? Obama niet, want die heeft net de Nobelprijs voor de Vrede gekregen. Het corrupte westerse gedoe is Kim Jong-il een doorn in het oog. Hij wil zijn volk behoeden voor het gif van de hebzucht. Vandaar dat hij deze week in al zijn wijsheid besloten heeft rare kapsels te verbieden. Het zal mij benieuwen hoe het voetbalteam van Noord-Korea er straks in Zuid-Afrika bij loopt. Coupe bloempot?

Eigenlijk ben ik best jaloers op Kim Jong-il. Ik zou graag even in zijn schoenen staan, maar dan met ons kikkerlandje in de rol van Noord-Korea. Doe-het-zelven zou verboden zijn, net als scooters, en op het stelen van iPhones stond standrechtelijke executie. Alle volwassenen moesten verplicht wiet roken of xtc slikken, want we namen onszelf anders veel te serieus. Iedere ochtend zou ik mijn onderdanen samentrommelen op grote pleinen. Ik zou ze duidelijk maken dat we een ingewikkeld gezelschapsspel van het leven hebben gemaakt, met tal van geschreven en nog meer ongeschreven regels. Ik zou ze vertellen dat we gegijzelden zijn van een meedogenloos systeem. Ik zou ze op het hart drukken dat geluk in andere dingen zit dan materie. Ik zou eenieder uitnodigen om vandaag goed te doen, al was het maar in de vorm van een vriendelijke lach of een praatje met de conducteur. Ik zou mijn onderdanen vragen, nee, smeken, de schellen te laten vallen en voortaan gewoon en eerlijk zichzelf te zijn.
'We zijn aangeklede apen,' zou ik besluiten, 'die doen alsof het niet zo is. Dan maar terug de bomen in!'

Alle gekheid op een stokje. Ik ben helemaal niet geschikt voor dictator. Toch kan ik het niet laten te fantaseren. Ik zie een zee van mensen voor me die op mijn commando hun vinger op hun hoofd plaatsen en drie keer 'oelk' roepen, zo massaal en hard dat seismografen over de hele wereld het geluid als een aardbeving met een kracht van 2.6 op de schaal van Richter registreren.

Eat that, Kim Jong-il!


Ep Meijer 2009

dinsdag, december 15, 2009

De beschutting van mijn hut


Patrijspoorten zijn schaars op een vrachtschip. Logisch, er moet gewerkt worden. Wat zul je naar buiten kijken, waar toch niets te zien is behalve zee en lucht? Concentratie, daar gaat het om. Een ongeluk zit in een klein hoekje als je een oceaan bevaart die zo groot is dat zelfs het grootste schip ter wereld er met gemak een paar triljard keer in kan verdwijnen. Met man en muis vergaan, heet het dan.
Mijn hut heeft dan ook geen venster. Wel een deur (die niet helemaal dicht gaat), een kast (die ik niet echt nodig heb) en een gloeilamp aan een koordje die bij zeegang vervaarlijk met mijn schaduw strooit op de vloer die bedekt is met de herinnering van een strooien karpet. Wat aan rafels overgebleven is, resoneert op de gekmakende hartslag van de Acaso; de machinekamer ligt pal onder mijn hut. Als je goed kijkt, zie je hoe de desintegratie in zijn werk gaat. Bij iedere omwenteling van de zuigers danst het textiel als uitzinnig. Omdat er nog samenhang is, worden de vezels iedere seconde opnieuw aan, naar verhouding, enorme trillingen en G-krachten blootgesteld. Vanzelf worden ze uitgerekt, iedere tel weer, tot de grenzen bereikt zijn. Het stro wordt langzaam maar zeker aan stukken gereten. Dan is er geen redden meer aan. Alle verbindingen laten los.
Voor het resultaat bestaat de verzamelnaam stof. Dat doet de situatie onrecht. Sommige fragmenten van het karpet zijn inderdaad vergaan tot het formaat van zandkorrels. Weer andere meten nog enkele vierkante millimeters en lijken, als miniatuur tumbleweeds dansend op de maat van de scheepsmotoren, wanhopig op zoek naar het voormalige geheel. Soms krijgen ze contact met hun pluizige soortgenoten, maar de illusie is een kort leven beschoren. Bij de volgende dreun van de dieselmotoren ontstaat alweer een geheel andere, even hopeloze realiteit.

Het is niet veel, mijn hut, maar het is mijn huis, de enige plek aan boord waar ik iets van privacy heb en waar ik, ondanks het feit dat de deur niet helemaal dicht kan, veilig ben voor de kapitein. Hier heeft hij me vreemd genoeg nog nooit lastig gevallen. Ik vraag me af hoe lang dat nog gaat duren.

Van de weeromstuit schrijf ik lange brieven aan Sophie, ongemakkelijk in mijn kooi liggend of zittend. Kramp in spieren waar ik me niet bewust van was, noopt me af en toe tot pauzes. Die duren nooit lang, want ik heb veel te veel op mijn lever. Ik probeer Sophie uit te leggen dat het onvergeeflijk is wat ik heb gedaan, maar dat het een gedwongen zet was; ik kon echt niet anders. Ik druk haar op het hart dat – hoe gek dat ook klinkt uit de mond van een man die de liefde van zijn leven op zo'n weerzinwekkende manier in de steek heeft gelaten – ik me zorgen om haar maak, dat ze vooral structuur moet zoeken om het gekkenhuis te overleven. Ook biecht ik op hoe moeilijk ik het had toen ze voorstelde er samen uit te stappen. Dat ik daarom haar iPhone in de Taag had gegooid. Ik smeek haar geen poging te doen om me achterna te komen. Ze moet door, omdat ik al voor haar sterf.
Nooit vergeet ik aan het eind van de brieven te beschrijven hoeveel ik van haar houd, in steeds wisselende bewoordingen, want dat is zo. Ik heb de ware gevonden en liet haar vallen. Vanwege een groter plan.

Het verdriet is machtiger dan de pen, want als er tranen op het papier vallen – en dat gebeurt vaak – verkleurt eerst de inkt en dan verliezen de letters traag hun vorm, alsof ze smelten. Niet dat iemand ooit proberen zal ze te ontcijferen. Er is vast nog wel een postkantoor op Montserrat, alleen is het bij gebrek aan bevolking waarschijnlijk verlaten. Met geen mogelijkheid ter wereld zal ik de brieven ooit kunnen posten.
Nee, het heeft geen zin om aan Sophie te schrijven, tenzij het waar is wat ze beweert over de gedachtevelden: mensen kunnen langs telepatische wegen met elkaar in verbinding staan. Hoe vaak hebben we niet na soms dagen van radiostilte op exact hetzelfde moment op de verzendknop geklikt om elkaar een mailtje te sturen? Dat bewijst echter niets. Vanaf het moment dat ik Sophie leerde kennen, is ze nog geen tel uit mijn bewustzijn geweest. Als het bij haar ook zo was, is toeval automatisch tot een natuurwet gepromoveerd, ware het niet dat ik me aan boord bevind van een aftandse, onder Panamese vlag varende, slome Portugese stomer. Het is onmogelijk de bewijzen te overleggen en wederom is de kwestie academisch. Als mijn hut een patrijspoort had – wat dus niet het geval is – zou ik kunnen zien hoe de werkelijkheid aan de buitenkant van de Acaso slechts uit onmetelijke, verschillend getinte vlakken blauw bestaat. Nooit heeft mijn gezichtsveld een grotere werkelijkheid omvat als oog in oog met de zee. Toch is mijn wereld ongelooflijk gekrompen sinds het vertrek uit Porto. Geen Internet hier en evenmin bereik voor mijn mobiele telefoon die ik louter vanwege de sms-jes van Sophie heb bewaard.
Alle 16 strooien ze zout in de wonden, zelfs de eerste, ook al bevat die slechts een enkele X en de mededeling 'de Wit', in antwoord op mijn eveneens per sms gestelde, niet bijster originele vraag waar ze zich bevond.

Hoewel ik haar verlaten heb, weigert Sophie te vertrekken. Ze is bij me. Nog steeds. Omdat ik haar blijkbaar nodig heb om aan de beschutting van mijn hut te ontsnappen. Daarbij blijven haar borsten en billen door mijn bewustzijn tuimelen, wat me weer van pas komt als mijn ogen niet dicht willen vallen en ik masturbeer bij wijze van probaat slaapmiddel. Liefde is egoïsme ten top.


(Uit de Verboden Woorden)

dinsdag, december 08, 2009

Op weg naar Montserrat (de voorlopige proloog van de Verboden Woorden)


De mens is terminaal vanaf zijn geboorte, de dood sluipt iedere seconde dichterbij. Maar als de dagen die nog resten op je vingers te tellen zijn, krijg je een heel ander verhaal.

Het opspattende water bijt in de talrijke wondjes op mijn handen. Hoewel ik aan de schaduwkant van de boot bungel, is het zo heet dat het zweet in straaltjes van mijn lijf loopt. Kostbaar zout verlaat als ratten het zinkende schip. Hoe zinloos. In een halve cirkel ontvouwt zich zo ver als het oog reikt alleen maar oceaan. Het moet hier ongeveer vier kilometer diep zijn. Gegeven de twee meter die ik me op het hoogste punt van de golven boven het wateroppervlak bevind en – voor de volledigheid, want de invloed is marginaal – de kromming van de aarde, is mijn blikveld beperkt tot een kilometer of twee van alleen maar zout water. Hoeveel miljoenen hectoliters zijn dat? Eens kijken. De inhoud van een cirkel bereken je door de straal met de straal en pi te vermenigvuldigen, gedeeld door twee want ik zie maar de helft. En dat dan maal vier kilometer diep. Mijn hersens koken, ik krijg de som niet opgelost. Alsof het antwoord ertoe doet. Er is geen druppel drinkbaar van. De veldfles die hinderlijk om mijn nek hangt, is al lang leeg. Regenen gaat het ook niet. Alleen op de horizon is een plukje engelenhaar geplakt, de hele dag al. Verder is de lucht een stolp van staal. Natuurlijk heb ik kramp in mijn darmen, maar de dorst is erger.
'Agua!' roep ik naar boven.
De kapitein – laat ik hem maar zo noemen, dan word ik minder kwaad – ligt natuurlijk ergens zijn roes uit te slapen. Trouwens, als hij wakker is, zou hij waarschijnlijk doen alsof hij me niet hoorde, want de klootzak laat geen gelegenheid onbenut om me het leven zo zuur mogelijk te maken. Helaas bestaat de rest van de bemanning uit Chinezen en weet ik wel hoe je iemand een goede dag wenst, maar ben ik vergeten te vragen wat ze tegen 'water' zeggen.
'Hé!' schreeuw ik daarom maar, tot mijn luchtpijp begint te schrijnen. Slikken gaat nu haast niet meer. Nog even en ik ga van mijn stokje. Ik ben niet eens gezekerd. Ik kijk naar de restanten van de boeggolf die met een snelheid van niet meer dan acht knopen onder mijn voeten voorbij bruisen, schat ik, want de Acaso is een oud beestje. Hoe helder de zee hier ook is, door de schaduw lijkt er op de rest van het water een vlies inktzwarte olie te drijven. Het is onmogelijk door het oppervlak de diepte in te kijken. Er staat niet veel golfslag. Toch deint het schip en kan ik met mijn tenen soms bijna de olie aanraken. Bijna. Ik stel me voor hoe het vlies zich niet laat penetreren en meegeeft. De gedachte aan Sophie is onvermijdelijk. Zij is waarschijnlijk weer terug in Amsterdam, waar de minnaars in de rij staan. Zou ze me missen, lijdt ze net zoals ik nu we elkaar nooit meer kunnen aanraken, elkaar zelfs niet meer kunnen mailen? Er bestaat geen definitiever afscheid dan dat wat ik op mijn geweten heb. Ik span mijn kaakspieren zo hard dat mijn tandvlees zeer doet. Ondanks de hitte raast er een ijsklontje door mijn ruggengraat. Laten we bij de les blijven. Wie weet wat er pal onder me zwemt. Haaien zijn in staat om bloed op kilometers afstand waar te nemen. Als ze er zijn, kunnen ze mij waarschijnlijk wel zien. Dat daar, was dat geen vin? Voor de zekerheid trek ik mijn benen ietsje hoger op, draai een kwartslag en laat mijn voeten steunen op de pokdalige huid van de Acaso, de huid die ik op last van de kapitein van schelpen, wier en algen moet ontdoen, wat onbegonnen werk is. Misschien een halve vierkante meter ben ik gevorderd in al de uren dat ik op deze kolereschommel zit, bewapend met een uit de kluiten gewassen, maar veel te bot soort plamuurmes, waardoor ik om de haverklap de rug en de knokkels van mijn beide handen openhaal, want vanwege de vermoeidheid ben ik gedwongen rechts met links af te wisselen. Soms gebruik ik ze zelfs samen om hardnekkige schelpen te verwijderen. Het touwtje waarmee het werktuig om mijn pols zit, irriteert, telkens als het over mijn vel schuurt en dat gebeurt vaak, heel vaak. Ik had Sophies iphone niet in de Taag moeten gooien, schiet me te binnen, ik had het ding in mijn zak moeten steken. Dan had ik tenminste muziek gehad. Ik zou een moord doen voor Bach. En nog één om Sophie een laatste maal te mogen kussen trouwens.

Pauze, denk ik. Geen vin verroer ik meer tot er water komt. Met mijn voeten tegen de Acaso leunen, veroorzaakt pijn in de bovenbenen. Ik laat me weer met de rechterschouder tegen het schip aan zakken, maar ook dan resoneren de dieselmotoren op den duur tot in mijn vullingen.
'Ni Hao,' krijs ik naar boven, 'me need drink!'
De dieselmotoren stampen, golven in mijn blikveld bewegen, maar het geheel staat onverminderd stil. Waarom laat ik me niet gewoon vallen? Vermoeid als ik ben, zouden mijn spieren al snel verkrampen. Ik zie het voor me: ik watertrappelend terwijl de Acaso snel kleiner wordt. Op het laatst zou je alleen nog wat rook zien kringelen, bij voorkeur in de vorm van een vraagteken. Het summum van pleinvrees zou ik beleven, want daarna zou er alleen nog maar water en lucht zijn om me heen. Maak er trouwens maar het summum van claustrofobie van, want de ruimte is bedrieglijk. In de praktijk zou ik namelijk geen kant op kunnen. Binnen een half uur zou het afgelopen zijn, als een haai me tenminste niet eerder te pakken kreeg.
Nee, denk ik, niet zo, dat is mijn eer te na. Er is maar één mogelijk einde: ik moet en zal naar Montserrat.


Ep Meijer 2009

dinsdag, december 01, 2009

Doe maar gek, dan doe je al gewoon genoeg


'Welkom bij Studio Sport, dames en heren. Heeft u het bord op schoot? Vooraleer we naar het vaderlandse neusschuiven gaan, eerst even live naar Astana, waar zojuist de even bloedstollende als verrassende finale van het wereldkampioenschap persoonlijkheidsstoornissen heeft plaats gevonden. Tegen alle verwachtingen in is de Nederlandse delegatie op een teleurstellende elfde en laatste plek geëindigd. Het gekkengetal, maar dat is een schrale troost. Onze verslaggever Youp was getuige. Youp, wat is er in vredesnaam gebeurd?'
'Tja, Thom, daar vraag je me wat. Je zult maar als torenhoge favoriet starten, niets aan het toeval hebben overgelaten. AAHD, ADHD, NPS, PPS, SPS, afijn, noem de persoonlijkheidsstoornis maar op waarvoor er een afkorting bestaat, of Nederland had hem in huis. Het leek de perfecte strategie om de titel in de wacht te slepen.'
'Maar het liep anders.'
'Wat je zegt, Thom. In de eerste ronde leek het nog of de all round-vlieger van coach Sieldragher op zou gaan. Even, heel even lag Nederland zelfs op kop. Maar toen kwam het keerpunt en daar hebben onze gestoorden als vanouds moeite mee.'
'Wacht eens even, er was voor de keerpunten toch speciaal een Australische coach aangetrokken?'
'Klopt, Thom. Volgens insiders heeft Greg Almighty geweldig werk verricht. Maar uiteindelijk heeft hij het probleem niet tussen de oren vandaan kunnen krijgen.'
'Wat nu? Ik bedoel, onze deelname aan Vancouver komt in gevaar!'
'Inderdaad, Thom, de situatie is ernstig. Je moet er niet aan denken dat Nederland er straks niet bij zal zijn. Er is op bondsniveau dan ook al druk overleg gaande. Vast staat al wel dat het anders moet, minder complex.'
'Kan dat met Sieldragher?'
'Ik ben bang dat we geen keuze hebben, Thom. De tijd tot Vancouver is te kort. Bovendien zit de concurrentie natuurlijk ook niet stil, alle topcoaches zijn bezet.'
'Enig idee hoe we het moeten gaan redden?'
'Ik heb het er met collega's van andere toplanden uitgebreid over gehad, Thom. De algemene mening is toch wel dat Nederland zich moet focussen op gewoon doen, dan doe je immers al gek genoeg.'
'En gaat dat lukken?'
'Laat ik het zo zeggen, het wordt spannend.'
'Dank je wel, Youp in Astana. Voor de volledigheid, dames en heren, het wereldkampioenschap persoonlijkheidsstoornissen werd dit jaar gewonnen door België dat zijn eveneens gebrekkige keerpunt wist te compenseren doordat de teamleden een vinger op hun hoofd plaatsten en drie keer heel hard 'oelk' riepen. Tweede werd Kirgizië met de man die zeker wist dat hij een fietsventiel was en het brons ging traditioneel naar de VS met George W. Bush. Dan nu zoals beloofd naar het neusschuiven. Zal NSCVV* zijn zegereeks voortzetten?'


* Neus Schuif Club Verstopte Voorhoofdsholtes

zondag, november 29, 2009

Zalig de onwetenden van geest


Toen ik nog van niets wist, lag de stilte als een stolp over ons dorp. Zo, in de duisternis, leek het of de boerderijen na zonsondergang heimelijk vergroeiden met de aarde. Alles was bewegingloos en in zwart gedompeld. De heuvels verderop kon ik slechts raden.

Ik weet niet meer waarom ik die nacht buiten was. Waarschijnlijk moest ik een koe uit een greppel bevrijden. Mijn vader had zijn snurken even onderbroken om me dat op te dragen. Even vanzelfsprekend was ik uit de bedstee opgestaan en had ik het zachte huilen van de zoveelste hongerige zuigeling achter me gelaten. Zo was het altijd gegaan. Zo zou het altijd zijn gegaan. Maar toen ik door het natte gras terugliep naar de boerderij en de kilte als een slang langs mijn enkels sloop, dwaalde mijn blik naar de sterren, dat gewelf van knipogend licht dat alles tot zwijgen bracht. Juist op dat moment sloeg de kerkklok vier uur. Dat herinner ik me nog wel precies. Vier keer ging een rilling door me heen, een rilling die ik niet kende. Ineens was er die vraag, die langs mijn ruggengraat omhoog leek te zijn gekropen: waarom? Ik wilde weten, moest weten, ik voelde dat het moest. Ik zag de vage contouren van de torenspits hemelwaarts reiken. In die beweging, wist ik, lag het antwoord besloten.
Mijn hart galoppeerde in mijn keel toen ik met mijn handen naar de deur zocht. De stenen van de kerkmuur waren nog warm alsof ze zich de hitte van de dag herinnerden. In mijn hoofd was het merkwaardig leeg zodra mijn vingers eindelijk het hout voelden. Er zou geen terug zijn, besefte ik. Had ik daar vrede mee? Als ik de tijd terug kon draaien, wat niet kan, was ik dan op mijn schreden teruggekeerd?
Ofschoon de dorpelingen zich slechts op zondag in de kerk begaven, leek de klokkenluider niet verbaasd me te zien. Door het kaarslicht leek het of delen van zijn gezicht in brand stonden. Dan dansten er weer grillige schaduwen overheen. Kort, heel kort maar, rustten zijn ogen op de mijne.
'Jean-Pierre,' constateerde hij en gebaarde me te gaan zitten, hetgeen ik, schrijlings op een bank tegenover hem, deed. Ik verbrak het daaropvolgende zwijgen.
'Hoe weet je wanneer je de klokken moet luiden?'
Hij glimlachte - had hij ook die vraag verwacht? - en pakte van achter zijn rug een zandloper.
'Hier,' zei hij en gaf het instrument aan mij. 'Voorzichtig. Als je hem breekt, zijn we de tijd kwijt. En je moet hem rechtop houden. Want anders gebeurt hetzelfde.'
Ik hield het ding vlak voor mijn ogen. Mijn mond was opengevallen, merkte ik. De zandkorrels persten zich haast ongemerkt door het nauwe glas heen. Waren ze er eigenlijk wel? Alleen aan de onderkant, waar langzaam een bergje ontstond, was er het bewijs voor hun bestaan. 'Het lijkt wel een riviertje,' zei ik, 'een onzichtbaar riviertje.'
'Precies,' zei hij, 'de tijd is een stroom. In dit geval een die precies een half uur duurt. Als al het zand erdoorheen is gelopen, is het tijd om de klokken te luiden.'
'Maar…'
Ook mijn volgende vraag stond kennelijk al vast. De klokkenluider beduidde me met zijn handpalmen te zwijgen. 'Hoe ik zeker weet dat ik op het juiste moment de klokken luid? Ik kan naar buiten gaan, mijn oren te luisteren leggen. Misschien hoor ik de klokken van onze buurdorpen dan wel. Maar wat als ook zij…? Nee, als ik echt ga twijfelen, kijk ik omhoog, naar de sterren.'
'De sterren?' vroeg ik.
'Goede klokkenluiders kunnen aan de hand van de stand van de sterren het uur bepalen,' zei hij en leunde vergenoegd achterover. Even duizelde het me 'Dus…', stamelde ik.
De klokkenluider knikte. 'Alles is in beweging, mijn beste Jean-Pierre, ook de sterren. Of wat had jij dan gedacht, dat de aarde zich kantelt soms?' Hij lachte zo hard dat zijn stem weerkaatst werd door de muren en het plafond. Ik weerstond de neiging om me te bukken.
Ik slikte. 'Daar heb ik eerlijk gezegd nog nooit over nagedacht,' moest ik toegeven.
'Tja, Jean-Pierre, en overdag raadplegen we, zoals je nu al kunt raden, de stand van de zon.'
Ik knikte. 'Dus de tijd ligt vast,' dacht ik hardop.
'Dat is nu wat je noemt een paradox,' grijnsde de klokkenluider.
'Een wat?' vroeg ik. Hij glimlachte. 'Als je wilt weten wat dat is, zul je monnik moeten worden.'

Monnik werd ik. Ik vroeg en kreeg toestemming van mijn vader - zonen zat, weer een mond minder te voeden - en toog voor het eerst in mijn leven de wijde wereld in. Het was een merkwaardig gevoel om alles dat me vertrouwd was de rug toe te keren. Ik moest me dwingen niet om te kijken. In plaats daarvan speurde ik naar gunstige voortekenen. Dat had ik beter gelaten. Eenmaal kruiste een zwarte kat mijn pad en toen ik de stad naderde, werd ik vanuit een boom die zijn dode takken als radeloos naar de hemel uitstrekte, gadegeslagen door een raaf. Pas toen ik voorbij was, begon de vogel te krassen. Het geluid hing als een donderwolk boven het land. Ik huiverde, zonk op mijn knieën en bad God me bij mijn beproevingen terzijde te staan. Nog was het daarmee echter niet gedaan. Ik moest, of ik wilde of niet, de stad nog door. In mijn dromen ben ik vaak bij de poort omgedraaid en terug gelopen naar waar ik vandaan kwam. Verhalen had ik wel over de stad gehoord. Groot zou het er zijn, vooral dat. Toch waren het niet al die opgestapelde stenen waarvan ik schrok. Het waren juist de muren van mensen die me onzeker maakten. Mensen die me niet groetten, mensen die me niet eens aankeken, mensen die mijn blik vermeden. En dan waren er nog de bedelaars, in lompen gehulde schepsels met pokdalige gezichten die me uitscholden als ik hen niets gaf. Ik was blij dat het, eenmaal de stadspoort voorbij, rustiger werd. Een misrekening. Het was maandag, de dag dat de stedelingen hun afval op straat pleegden te gooien, wat ik toen nog niet wist. Mijn schoenen waren er niet voor gemaakt om over kasseien te lopen. Bovendien maakte ik me zorgen over mijn plunjezak. Ik had gehoord van gauwdieven. Zo, iedere tel schichtig om me heen kijkend, bij iedere stap de groeiende blaren op mijn voeten voelend, werd ik bedolven onder een regen van etensresten en poep. Achteraf was dat het begin van mijn catharsis. Ik zou nog vaker lijden voor ik van de kennisboom mocht plukken. En erna zo mogelijk nog meer.

Het klooster bereikte ik pas tegen de avond. Zonder omhaal van woorden kreeg ik een deken en werd me een cel toegewezen. Daar moest ik net zo lang verblijven tot ik één zou zijn met God, werd me verteld. Ik had geen flauw benul van wat me te doen stond. Het was er koud. De deken bood nauwelijks warmte. Rillend sleet ik er mijn dagen. Slechts een kleine opening in de muur, te hoog om erdoorheen te kunnen kijken, gaf een idee van het verstrijken van de tijd. Soms, als de zon scheen, werd licht in de cel geworpen, dat steeds de vorm van een driehoek had die zich langzaam uitrekte en al maar rossiger werd, over de muur naar boven sloop om uiteindelijk te vervagen. Daar staarde ik maar naar, kauwend op het droge brood dat een keer per dag zonder een woord door een luik aan me werd gegeven. Was die driehoek God, moest ik me daarmee vereenzelvigen? Dat kon niet zo zijn, meende ik. God was immers alom aanwezig. Als het bewolkt was, ontbrak mijn enige metgezel en was de cel overdag in een grauw halfduister gehuld. Op die dagen betrapte ik mezelf op de lust te schreeuwen. Had ik spijt van mijn besluit? Ik weet het niet. Ik denk dat ik het gevoel wilde hebben dat ik er nog was, hoewel waarschijnlijk niemand mij had kunnen horen. Het was stil, stiller dan stil, maar van een geheel andere orde dan de stilte die ik van mijn geboortegrond kende. Daar was de stilte als water dat tot ijs was gestold. In de cel was de stilte een helder stromend beekje dat stukje bij beetje een belofte begon in te houden. Gaandeweg ging ik erin op, ontstond vrede in mij. Ik ademde stilte, ademde God.
Soms, als ik somber ben, kan ik hevig terug verlangen naar die kennismaking met het kloosterleven, toen ik nog dacht dat mijn hoofd slechts plaats zou bieden aan het goede.

Ik heb geen idee hoe lang ik in mijn cel heb verbleven. Het moeten weken zijn geweest, misschien zelfs maanden. Toen de deur eindelijk open zwaaide, ontmoette ik de abt voor het eerst. Er viel geen woord. Hij keek me onderzoekend aan, las kennelijk in mijn ogen dat het goed was en noodde me met een handgebaar uit hem te volgen.
Door lange gangen ging het, terwijl flarden gezang me als sluiers omhelsden. Daarna kwamen we in een galerij die tussen de pilaren door uitzicht bood op de binnenplaats. Monniken waren er bezig te schoffelen. Eindelijk zag ik de hemel weer, waar schapenwolken elkaar tomeloos achterna joegen. Vroeger had ik er vaak naar gekeken zonder het schouwspel echt te zien. Op dat moment was het een geschenk dat mijn ogen vochtig maakte. Mijn hart bloeide op als de bloemen waartussen ik de monniken onkruid had zien wieden.
Samen met enkele anderen in wier ogen ik het langdurige verblijf in een eenzame cel herkende, moest ik in de kloosterkapel knielen. Mijn hoofd werd kaal geschoren en ik kreeg een pij. Ik was monnik! In een gebed dankte ik God vurig, zo vurig als iemand doet die nog niet weet wat weten vermag. Ach, wie zal het een jongeling als ik was euvel duiden dat hij zich verheugde op wat komen zou?

Jaren gingen voorbij. Aanvankelijk mocht ik niet meer doen dan het land bewerken, van het krieken van de dag tot het vallen van de avond, in weer en wind. Alleen de zondagen bracht ik binnen de kloostermuren door, meestentijds op mijn knieën. Gesproken werd onderling nauwelijks. De stem diende voor God gereserveerd te blijven. Ik kan me nog herinneren dat ik, hoewel ik geen woord Latijn verstond, al wel helemaal in staat was gebeden in die taal op te zeggen, zelfs in gedachten. Daaraan dankte ik waarschijnlijk dat ik uitverkoren werd en lezen en schrijven mocht gaan leren.
De mooiste tijd van mijn leven brak aan. Het was alsof ik nog dichterbij God kwam als ik Zijn Woorden las in plaats van hoorde. Liefdevol en minutieus kopieerde ik ze. Soms deed ik wel een week over een enkele kapitaal. Zo Zijn Woord mogen verspreiden stemde me innig dankbaar. Ik wilde mijn leven eraan wijden. Maar toen sloeg de Duivel toe, zoals Hij altijd toeslaat op momenten dat je het juist niet verwacht.
Op een dag moest ik tijdens het werk in slaap zijn gevallen. Eenmaal wakker geschrokken, ontdekte ik inktvlekken op mijn mouw die bij nader inzien nog als letters te herkennen waren. Ik nam een blanco vel en drukte mijn mouw erop. Het resultaat was nog steeds leesbaar. De adem werd me benomen. Ineens schoot me een manier te binnen om Gods Woord te kopiëren, zonder dat er nog zoveel monniken aan te pas zouden behoeven te komen. Wanneer ik letters uit hout zou snijden en die dan met inkt besmeerde, kon ik papier ermee bedrukken. En dat niet één keer, maar meerdere malen!
Ik besprak het idee eerst met een andere monnik. Samen probeerden we het procedé uit. Na ettelijke pogingen slaagden we erin met tafels waarin wij houten letters stopten, teksten te drukken zonder inktvlekken. Sprakeloos zegen we op onze knieën om God voor de gave te bedanken. Daarna haastten we ons naar de abt, vervuld van gevoelens van trots en devotie.
Hij hoorde ons gloedvolle betoog zwijgend aan. Ook onze demonstratie leek geen indruk te maken.
'Wat vindt u ervan, vader?' vroeg ik bedeesd.
Hij slaakte een diepe zucht. Zijn gezicht stond ineens vermoeid. 'Verbranden,' zei hij toen - meer niet - en gebaarde ons te vertrekken.
'Maar waarom?!' vroeg ik.
Nogmaals zuchtte de abt. Het leek alsof zijn ogen helemaal schuil gingen achter de grijze, borstelige wenkbrauwen. 'De duivel moet in je gevaren zijn, frater. Wees blij dat ik je niet meteen uit de orde ontsla.'
Mijn gepijnigde gelaat moest hem iets milder hebben gestemd. 'Denk na, frater,' sprak hij, 'denk goed na over de gevolgen van je uitvinding. Dat is alles wat ik je verder te zeggen heb. Vooruit, uit mijn ogen nu!'

De abt is reeds lang geleden in God ontslapen. Nu, ja, nu begrijp ik wat hem op die vermaledijde dag bezielde. Maar toen we met hangende schouders onze cellen opzochten, nadat we hadden gedaan wat ons bevolen was, stond het huilen me nader dan het lachen. Welke gevolgen kon mijn uitvinding hebben, behalve dan dat het Woord van God op een veel grotere schaal verspreid kon worden? Ik bad die avond langdurig, maar ook mijn gebeden vermochten me niets wijzer te maken.
's Nachts kon ik de slaap niet vatten. Ik stelde me voor hoe Gods Woord dankzij mijn uitvinding duizendvoudig rond ging tot zelfs ongeletterden ermee kennis konden maken. Want dat, zo bedacht ik, was misschien waarop de abt had gedoeld: meer boeken betekende dat ze meer werden gelezen. Velen zouden zoals ik het geluk mogen proeven om Gods Woord rechtstreeks tot zich te nemen. Wat kon daar voor gevaar in schuilen?
De volgende dag was het kopiëren ineens ontdaan van alle vreugde. Mijn ganzenveer kraste weliswaar over het papier, maar de bezieling ontbrak. In mijn hoofd woedde een storm. Was ik, net zoals Eva, bezweken voor de verleidingen van de Duivel? Dat kon niet, hield ik mezelf voor. Eva had de appel niet kunnen weerstaan en stortte de mensheid zo in het verderf. Ik had slechts het goede voor. Misschien was de abt toch niet de verlichte geest waarvoor ik hem had gehouden. Misschien had God een bedoeling door juist mij op te zadelen met het idee. Misschien was de Duivel juist in de abt gevaren! Die gedachte bezorgde me rillingen. Hij was altijd als een vader voor mij geweest.

Een paar dagen nadien werd ik ziek. De koorts trok als een roedel wolven door mijn lijf. Klappertandend en hoestend lag ik op mijn brits en dacht, nee, wist zeker dat ik zou sterven. Gods toorn, had de abt toch gelijk? Toen begonnen de visioenen. Ik zag demonische machines apocalyptische tekens aan de hemel schrijven, ik zag stervelingen naar die hemel reiken, staande op stapels boeken, ik zag ze God tarten, zwaaiend met papier, ik zag ze oorlogen voeren, oorlogen om woorden, ik zag ze God ontkennen. Ik zag de leegte in hen. Ik zag ze zichzelf verscheuren tot het ingewanden regende en alles bloedrood werd. De kieren van de aarde die van glas en steen geworden was, vulden zich, overstroomden. Dieren, mensen, ze verdronken allen zonder hun Schepper aan te roepen.

Wonder boven wonder kwam ik er weer bovenop. 'God, vergeef me,' bad ik, 'mij, onnozele frater die de listen en lagen van de Duivel niet doorziet.'
Ik weet niet of dat gebed geholpen heeft. Ik mocht verder leven. Maar was dat niet juist de straf? Dagelijks nog kastijd ik mezelf, tot bloedens toe. Het helpt niet. Ik ben gedoemd de herinnering mee te torsen aan de nieuwe zondvloed die ik in mijn visioenen had gezien. Dat is niet het ergste. Het ergste is het weten. Ergens, ooit, zal een ander op het idee komen om letters uit te snijden en die met inkt te besmeren. Dan zal er wellicht geen abt zijn die hem tegenhoudt. En dan? Dan zal de mensheid als Eva de tanden zetten in die appel die zo zoet lijkt, maar zo giftig is.

Ik ben nog één keer terug gegaan naar mijn geboortedorp. Mijn ouders waren gestorven en mijn broers en zussen herkenden me niet meer. Er raakten nog steeds koeien in greppels verstrikt en nog steeds struikelde je haast bij iedere stap over een kip die dan kakelend een goed heenkomen zocht. Maar 's nachts was de stilte een andere. De stilte was een geluid geworden dat als een raaf door mijn schedel fladderde. Ik wist en wilde dat het niet zo was.

donderdag, november 26, 2009

Waarom mannen nooit iets van vrouwen zullen begrijpen


'Kom dan schatje, bel me snel!' hijgde Chantal en verplaatste de kauwgom naar de andere kant van haar mond. 'Zo goed?'
'Nee, nee en nog eens nee,' mopperde de regisseur. 'Je moet er gevoel in leggen, verdomme!'
'Dat doe ik toch,' mompelde Chantal en blies een bel die toen hij knapte klonk alsof iemand in de handen klapte. Vet wel, dacht ze, zo meteen een sms-je sturen aan Sharon.
'Je bent de droom van iedere man,' vervolgde de stem in de koptelefoon, 'stel je voor dat ze, alleen van het horen van je zwoele stem, al bijna klaarkomen.'
Chantal giechelde en duwde met haar tong in de kauwgom, zodat er een vlies ontstond. Daarna blies ze een perfecte bel. Pets! Echt vet, dacht ze, dat geluid als hij knapte. Sharon moest dit gewoon weten. Chantal pakte haar mobieltje erbij. Ze stond toch met haar rug naar de regisseur toe. Die bleef intussen maar doorzagen.
'Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat mannen opgewonden raken van kreetjes op een bepaalde toonhoogte. Van dat fenomeen maken wij gebruik om eenzame mannen zover te krijgen dat ze ons 0900-nummer intoetsen.'
Ja ja, dacht Chantal, en maar dure woorden gebruiken en maar denken dat ze zo indruk konden maken. Mooi niet, loser.
'Blln blzn in stdio egt vet!!!!!!' sms-te ze.
'Dus doe me een lol, Chantal. Zeg het alsof je het zelf gelooft. Je bent al nat, je wilt niets liever dan een machtige roede in je schede.'
'In mijn wat?!' vroeg Chantal kauwend. Waarom antwoordde Sharon niet? Zeker weer aan het slettebakken op msn.
'Een dikke pik in je nauwe kutje dan.'
Chantal glimlachte, stopte de kauwgom achter een kies en haalde diep adem.
'Kom dan schatje,' kreunde ze, 'bel me snel!'
Het bleef stil in de koptelefoon.
'En?' vroeg ze, alweer kauwend.
'Perfect,' zei de regisseur, 'ik heb er zelf een stijve van.'
Chantal blies nog een bel. Pets!
'Krijg ik meer als je hem er even in mag stoppen?' vroeg ze, draaide het hoofd naar de regisseur en tuitte haar lippen rond de microfoon.
'Veel meer,' klonk het hees in de koptelefoon, 'misschien wel een Breezer.'
Ze nam de microfoon helemaal in haar mond, keek hem toen recht aan.
'Kom dan schatje,' steunde ze, 'neem me... Snel!'

Ze moest hem helpen, de stumper, met haar hand, om die schede van hem te vinden. Zo machtig was zijn roede trouwens ook niet, dacht Chantal kauwend, terwijl ze zich als een hond door hem liet berijden en zijn gehijg de studio vulde. Gelukkig, daar piepte haar mobieltje. Focking hell, Sharon had nieuws over Achmed en Veronica!
Ze keek over haar schouder, naar het rode hoofd van de regisseur.
'Komt er nog wat van?' kauwde ze.

vrijdag, november 20, 2009

Gelul in de ruimte

Aan boord van de space shuttle Oblivious was het een drukte van belang. Net als gisteren stonden er natuurwetenschappelijke experimenten op het programma.
'Aan het werk, mannen!' riep Scott, de blonde gezagvoerder joviaal.
Dat lieten de andere astronauten zich geen twee keer zeggen. Monter maakten Dave, Roger en Steve zich gereed. Zelfs de eeuwig kauwgom kauwende Rick leek niet te kunnen wachten. Dolletjes! Wat zou er vandaag voor hen in het vat zitten?

Ze hadden er eerlijk om geloot. Het was Rogers beurt om de opdracht te onthullen. Maar eerst moest de aarde natuurlijk toestemming geven.
'Houston, do we have a green light?'
'Roger.'
'Yep, it's me.'
'Roger, Roger.'
De bemanning grinnikte in koor. Wat was het toch heerlijk om astronaut te zijn! In welk ander beroep gingen heldenmoed en humor zo samen als in de ruimte?
Dankbaar zochten de mannen oogcontact met elkaar. Ja, ze deden hun plicht voor hun land. De kameraadschap was slechts een bonus. Was het gezichtsbedrog of vloog er een traan door de helm van de gezagvoerder? Hij schraapte de keel.
'Oké dames, genoeg geleuterd. We zijn op een missie, laten we dat vooral niet vergeten. Dit ruimtevaartuig zweeft hier in een baan om de aarde omdat tientallen miljoenen brave burgers daar beneden genoeg belasting betalen. Het is voor hen dat wij hier tal van nuttige experimenten uitvoeren.'
'Noem er eens één,' zei Rick kauwend.
Dave, Roger en Steven keken ieder even een andere kant uit. Daar had je hem weer! Al tijdens de training was Ricks cynisme de mannen een doorn in het oog geweest. Gelukkig liet Scott weer eens zien waarom hij en niemand anders tot commandant uitverkoren was. Hij verwees fijntjes naar de keer dat Rick een kater had overgehouden aan het onderzoek naar alcoholgebruik in luchtledige toestand. Nog uren had diens braaksel als grauwe tennisballen loom door het ruimteschip gestuiterd.
'Au,' kauwde Rick en sloeg zijn ogen betekenisvol neer.
Scott tilde zijn kin op, wat nauwelijks opviel met een helm op, maar dat gaf niet, want het gaat om het gebaar. 'Goed dan, nu al onze neuzen weer dezelfde kant opwijzen... Roger, wat is onze opdracht?'
Roger leek te bevriezen. 'Dit gaan jullie niet geloven,' zei hij.
'Wat, wat?!' riepen de andere astronauten ongeduldig.
Roger slikte. 'Er staat hier dat we onze vinger op ons hoofd moeten zetten en dat we dan drie keer heel hard oelk moeten roepen.'
Dave rolde met zijn ogen, maar Scott, de gezagvoerder, tilde de armen op. 'Orders zijn orders, jongens. Let's do it.'

Zo gezegd, zo gedaan. De dappere astronauten plaatsten een vinger op hun helm en riepen drie keer oelk, heel hard. Na afloop haalde Rick de schouders op. Niet dat je daar iets van zag in een ruimtepak, maar daar gaat het niet om. 'Nuttig,' kauwde hij, 'werkelijk heel nuttig.'
Op dat moment wierp Steve een blik uit het zijraampje. 'Eh guys?' stamelde hij, 'dit moeten jullie echt even zien.'