Twitter

Follow Ep_Meijer on Twitter
Posts tonen met het label the best of g.u.d.g.. Alle posts tonen
Posts tonen met het label the best of g.u.d.g.. Alle posts tonen

dinsdag, januari 19, 2010

Sjalom, Insj'Allah


De vraag was niet of.
De vraag was waar.

Hoeveel haltes nog?
Als het gebeurde, als hij aan het touwtje trok dat het bovenste kootje van zijn wijsvinger al minutenlang omwikkelde, was dat het laatste dat hij zou doen. Dan zou er een flits zijn, wie weet zelfs een vleugje geur van kruit en een fractie pijn. Misschien zou hij de knal nog horen, misschien ook niet. Als hij aan het koordje trok dat inmiddels het puntje van zijn wijsvinger afbond, stierf hij. Als hij deed wat Allah van hem verlangde, werd hij martelaar. Hij ademde in, voelde zijn borst zwellen ondanks het korset van explosieven. Hij was uitverkoren.
Een knik van de immam in zijn richting, meer niet. Hij had geknield. Hiervoor had hij geleefd. Er zwol een zon in hem, een grotere dankbaarheid had hij nooit gevoeld. Hij herinnerde zich het gezang daarna, het ritmisch klappen van de handen, de kreten. ‘Allah is groot!’ Zijn kameraden die hem zoenden, op zijn schouders sloegen. De tranen in hun ogen. Zijn portret zou eeuwig de wanden sieren in de Gaza-strook.

In haar gromt de dieselmotor als een storm die alleen wordt onderbroken wanneer de chauffeur schakelt en de bus tandenknarsend rilt. Het is warm. Het is altijd warm in Tel Aviv. Alleen in de bus wringt de hitte zich als een slang om haar hals. De ramen staan open. Maar de tocht hijgt haar in de nek, kruipt onder haar kleren en dringt tot in haar poriën door, net zoals de bus zich door het drukke verkeer op de Ibn Gvirol wurmt. Ze probeert naar buiten te kijken. Ze ziet een etalage van een kledingwinkel voorbijglijden. Poppen, dode poppen.
Au! Iemand botst met zijn heup tegen de hare. Ze werpt een boze blik opzij. Niemand ziet het haar doen. Of wacht, er is een Palestijn die naar haar staart. De wegen zijn hobbelig. Waarom zet niet iedereen zich schrap, zoals zij? Ze haat haar medepassagiers. Ze staan te dichtbij. Ze stinken naar zweet. Ze haat alle mensen in de bus. Hoe meer er zijn, des te groter het risico.
Hoeveel haltes nog?

Hij keek om zich heen. Het was spitsuur, de bus was vol. Mooi. Hij zou wereldnieuws zijn. Thuis zouden honderden mensen zijn portret door de buurt dragen. Er zou met de Palestijnse vlag worden gezwaaid. De vrouwen zouden joelen, terwijl zijn kameraden met hun wapens in de lucht vuurden.

De vraag was niet of.
De vraag was wanneer.


Nog drie haltes. Dan zou de bus stoppen bij het kruispunt van de Ibn Gvirol en de Arlozorov, de drukste verkeersaders van Tel Aviv. Nog meer passagiers. Volle perrons. Nog drie haltes. Dan zou hij het doen.

Nog twee haltes. Ze kijkt naar de grond. Sigarettenpeuken, waarin je soms de filters kunt herkennen. Zandkorrels die omhoog springen als de bus over een hobbel rijdt. Ze wil dat de tijd sneller gaat. Ze wil nu uitstappen en de tweehonderd meter lopen die haar van het veilige huis scheiden. Ze zucht en laat haar blik weer dwalen. Die Palestijn kijkt nog steeds naar haar. Viezerik. Alle Palestijnen zijn viezeriken. Hoewel, niet als ze er één oog in oog spreekt. Maar als volk zijn ze niet te vertrouwen. Ze laten bommen ontploffen in volle bussen. Tussen de bovenlijven van de anderen door vangt ze een glimp op van het Yitzak Rabin-plein. Ze heeft op hem gestemd. Rabin is vermoord. Een orthodoxe Christen verloor zijn hersens. Ze weet niet hoe het verder moet met Israël. Het is te ingewikkeld, de haat te groot. Vrede? Onmogelijk. Sjalom? Alleen door een wonder.

Twee te gaan. Hij had al een tijd naar haar gekeken. Toch zag hij haar voor het eerst. Ze was mooi. Ze zou er zeker aan gaan. Niet erg. Ze was mooi, maar Joods. Joden hadden hun geboortegrond ingepikt. Joden sloopten hun huizen met bulldozers. Joden zeiden dat ze vrede wilden. Maar als Palestijnen naar hun werk wilden, werden ze aangehouden. Alles werd gecontroleerd en doorzocht zodat ze te laat kwamen en ontslagen werden. Joden waren leugenaars. Ze praatten over Sjalom, maar lanceerden lasergestuurde raketten. Joden waren monsters.

De vraag was niet of.
De vraag was waar.


Hoeveel haltes nog? Eén. Die Palestijn blijft naar haar kijken. Ze gebruiken vaak zelfmoordenaars. Mensen die zichzelf opblazen. Ze zijn gek. Hoever moet je komen om te geloven dat je als martelaar sterft? Dat je dood iets uithaalt? Dat je niet inziet dat je dood alleen maar olie op het vuur is? Ze hoort ze: het huilen van de sirenes, de jammerklachten van gewonden. Ze ziet ze: de beelden van ledematen die onder een jas uitsteken, het bloed dat zwart over het asfalt meandert. Ze kijkt naar de Palestijn. Ze weet het. Zomaar. Ineens. Hier is ze al jaren bang voor. Het is niet zoals ze altijd gedacht heeft. Ze voelt een kalmte die ze niet kent. Ze ademt diep in en uit. Vreemd, ze heeft het niet warm meer. Ze priemt haar ogen in de zijne.

De Jodin keek naar hem zoals zijn moeder wel eens naar hem keek: alsof ze zijn gedachten kon lezen. De jodin zag de angst in zijn ogen die hij ook in de hare herkende. Hoe lang nog? Het gebrom van de motor, het gefladder van een krant die iemand las, stemmen, ze werden een draaikolk. Hoe lang nog? Zijn oksels waren klam, zweetdruppels beten in zijn ogen, zijn hart klopte in de keel. Hoe lang nog? Misschien was zojuist de laatste minuut van zijn leven ingegaan. Alles wat hij zag, hoorde, rook en voelde zou ophouden. De gedachte was absurd. Hij sloeg de ogen neer, dacht aan zijn plicht. Zijn wijsvinger voelde al dood.

Zoals hij daar staat, de ogen als beschaamd op de grond gericht. Zweetdruppels op zijn voorhoofd. Het tegendeel van een held. Een menselijk wezen, iel, fragiel, dat op het punt staat zelfmoord te plegen en zoveel mogelijk anderen in zijn dood mee te slepen. Hij moet haar aankijken. Ze wil weten wat hem bezielt.

Haar ogen waren magneten. Hij kende de instructies: vermijd oogcontact, praat met niemand, het zijn Joden, vergeet dat niet!
Zij was anders.
Hij klemde de kiezen op elkaar. De vraag was niet of. De vraag was wanneer. De bus trok op. Een schokje ging door de passagiers telkens als de chauffeur schakelde. Als kegels veerden ze terug. Wat hij ging doen, was voorbestemd. Hoe kon hij trouwens de anderen onder ogen komen als hij faalde? Hij kon zeggen dat het mechanisme niet werkte, maar wie zou hem geloven?

Misschien heeft ze zich het gevaar verbeeld. Nog een paar honderd meter en dan mag ze eruit. Toch is er iets met hem. Hij kijkt naar haar zoals een ondeugende zoon naar zijn moeder. Hij kijkt dapper terug, maar zijn ogen bekennen de leugen die hij met zijn mond ontkent. Fatalisme, dat is het. Als hij echt gelooft dat zijn dood, vandaag, in deze bus, in de sterren geschreven staat, zal er een bloedbad volgen. De gedachte laat haar vreemd koud. Ze kijkt de Palestijn aan. Hij heeft mooie, donkere ogen. Ze glimlacht. Het gebeurt vanzelf.

Hij voelde hoe hij bloosde. De chauffeur schakelde terug, de bus minderde vaart. Seconden voor zijn dood lachte een vrouw naar hem. Wat wilde Allah daarmee zeggen, dat het goed was? Bij de les blijven, dacht hij. Hij moest het doen als de bus bijna stilstond, wanneer de deuren al open zwaaiden, op het moment dat de nieuwe passagiers zich op de perrons verdrongen. Die ogen. Ze bleven hem aankijken. Zijn mondhoeken gingen omhoog. Hij kon er niets aan doen.

Hij lacht terug, ziet ze. Hij ziet er leuk uit zo. Jongensachtig verlegen. Een mens van vlees en bloed die denkt dat hij een pion is op Allah’s schaakbord. Een serie schokjes gaat door de passagiers. De bus staat bijna stil. Buiten vormen de hoofden op het perron een branding. Nu of nooit. Ze spreekt het woord.

Ze liet hem kort haar lange wimpers zien. Ze leek iets te zeggen. Hij haalde de wenkbrauwen op. Toen zag hij wat ze bedoelde. ‘Sjalom,’ las hij op haar lippen. Langzaam tilde hij zijn kin op.

Hij begrijpt de boodschap, want hij knikt. Verdriet trekt als een wolk over zijn gezicht. Hij maakt een hulpeloos gebaar met één arm. De andere is half verdwenen onder zijn burnous. Toe, kijk weer naar me, denkt ze.

Hij keek haar opnieuw aan. ‘Vrede,’ las hij nog eens.
Nu of nooit.
‘Insj’Allah,’ prevelde hij.

‘Zo God het wil,’ beaamt ze, haalt adem en sluit de ogen.

De vraag was niet waar.
De vraag was niet wanneer.
De vraag is of.

zaterdag, januari 16, 2010

Het fluisterduister


Waarschuwing: deze tekst is niet geschikt voor jonge lezers.


Nog één scène te gaan. Een anale. Hoever is Dick? Nog steeds aan de voorbereiding bezig. Hij zit met een rood hoofd aan zijn lul te trekken. Geen resultaat tot zover. Nu ja, het is ook nog maar een half uur geleden dat hij in mijn gezicht ejaculeerde. Verlekkerd heb ik zijn imposante geval schoon gelikt. Ik hoefde niet eens te acteren. Pijpen. Dat is mijn handelsmerk. Heerlijk om al die energie in zo’n mannenlijf in me op te zuigen. Toch baal ik nu. Het duurt te lang. Dick wordt ervoor betaald om tenminste tweemaal per dag zijn ding te doen. Het is allemaal een kwestie van concentratie. Werk. Niets meer, niets minder. Leuk werk, daar niet van. Lekker vooral. God, ik lust wel pap van seks.

Het fluisterduister was begonnen. Zo noemde haar vader het als iedereen naar bed was. Het was niet iedere avond zo. Het gebeurde pas als haar vader de badkamer in was gekomen, juist als zij aan het douchen was. Hij zocht dan iets. Een toiletrol, wat ook. Maar zij wist de werkelijke reden. Ze was zijn prinsesje. Met de ogen dicht voelde ze hoe zijn ogen haar lichaam aftastten, net als de spons waarmee zij over haar venusheuvel voelde.

Of ik Dick niet een beetje wil helpen, vraagt de regisseur. Dank je de koekkoek! Voor het oog van de camera doe ik alles, laat ik me, als het scenario dat voorschrijft, desnoods door drie man tegelijk neuken. Maar daarbuiten ben ik van mezelf en doe ik wat ik wil. Het is maar dat u het weet. Laat die preutse scriptgirl die de hele tijd met zo’n gezicht rondloopt van ‘hier hoor ik niet bij’, maar hand- en spandiensten verlenen. Ik ben hier verdomme de diva. Laten we dat even niet vergeten. Voor je het weet denkt iedereen dat-ie zijn pik in mij mag steken. Die geluidsman bijvoorbeeld. Al sinds het begin van de opnamen klakt-ie met zijn tong, telkens als we elkaar toevallig passeren. Nou, vergeet het maar, jongen, deze dame is een dame, ook al zegt de hele wereld dat ik een exhibitionistische slet ben. Hypocriete zooi. Eergisteren was hier nog zo’n team van een commerciële zender. Onder het mom van een documentaire even uitgebreid in mijn kruis loeren. Spread eagle. Ik draai er mijn hand niet voor om. Waarom ik doe wat ik doe, vroeg de zogenaamde journalist met een blos van oor tot oor. Ik liet hem mijn borsten zien die ik onlangs nog à raison van twintig ruggen heb laten liften. 'Omdat dit de mooiste tieten zijn van het westelijk halfrond,' zei ik, 'omdat alle mannen, als ze eerlijk zouden zijn, niets liever zouden willen dan deze twee memmen op en neer te zien gaan, terwijl ik ze naar de hemel neuk.' Dat knippen ze er vast uit. Te provocerend. Te waar.

Ze lag op bed, de lakens opgetrokken tot de kin. Haar hart klopte al in haar keel. In de slaapkamer van haar ouders was het na het gebruikelijke gestommel stil geworden. Ze trok haar slipje alvast uit. Ze was al nat. Haar vingers gingen vanzelf naar beneden.

Met mijn wijsvinger masseer ik mijn anus. Van tevoren heb ik er op het toilet met een pergulator alvast glijmiddel in gespoten. Dan gaat het gemakkelijker dadelijk. Als ik zo naar Dick kijk, houdt hij het kunstje niet lang vol. Nog steeds is hij bezig zijn zaak in de steigers te zetten. Niets moois aan hem, zo met die verbeten trek om zijn lippen. Daarnet, met die tandpastagrijns, al zijn spieren gespannen als kabels, dat had wel wat. Nu is hij een ballon. Misschien, als ik zijn indrukwekkende eikel eraf bijt, dat de lucht er zo uitloopt. En dat staat dan als ‘lustmachine’ op de posters. Intussen blijft het hier een chaos. Mensen - waarom toch zoveel? - lopen onduidelijke dingen te doen met kabels en lampen. En altijd wel weer een scheldpartij. Ergens. Dat de catering niet deugt. Dat het script kloten is. Dat iemand een kop koffie omver heeft gelopen. Afijn. Het zal mijn tijd wel duren. Ik ben er klaar voor.

Hoorde zij daar een deur piepen? Nee. Misschien was het haar adem wel. Ze hijgde. Ze moest oppassen. Ze wilde niet in slaap vallen. Ze wilde wakker zijn als het gebeurde. Als ze sliep, was het zo plotseling.

Dick heeft eindelijk iets wat op een erectie lijkt. Hij blijft aan zijn kapitaalgoed frunniken als we onze posities innemen. Het is de bedoeling dat ik schrijlings op hem ga zitten, zodat mijn borsten goed in beeld komen. Het gaat niet van een leien dakje. Ik moet al mijn charmes in de strijd zetten. De camera focust gelukkig op mijn gezicht, zodat het gestuntel daar beneden de toeschouwers bespaard blijft. Ik laat mijn tong over mijn lippen gaan. Een slang op zoek naar prooi. Dat doet het altijd goed. Hè, hè. Hij zit erin. Ik begin te rijen. Calamity Jane op een paard. We hebben afgesproken dat hij me een teken geeft als hij bijna zover is. Klaarkomen van mannen is een risico. We krijgen geen kans het opnieuw te doen. Over het geluid hoeven we ons geen zorgen te maken. Dat wordt later ingedubt.

Ze hield de adem in. Kraken. Gedempte voetstappen. Het kon ook haar moeder zijn die naar het toilet moest. Nee, de slaapkamerdeur zwaaide open. Een reepje licht. Haar vader. Op zijn tenen. Ze kon zijn gezicht niet zien. Een schim. Even, heel even was ze bang. Toen tilde hij het laken op en gleed hij naast haar in bed.
'Je wilt toch dat papa je lief vindt?'
Die zachte stem. Ze voelde hoe ze open ging.


'Nog een beetje,' hijgt Dick. 'Jaaaa, goed zo.' Dit is waar het genot overgaat in routine. Ik let meer op hem dan op mezelf. Niettemin fake ik mijn derde orgasme die dag. Het werkt. Dick duwt me van hem af. 'Cut!' roept de regisseur.

Doodstil. Ogen dicht. Zijn vingers streelden haar buik. Ze moesten zich haasten. Niemand mocht dit merken. Dit was hun geheim.
'Opschieten, pap,' bibberde haar stem.


'Roll it!' Op zijn hondjes. Eén van mijn favoriete standjes. Als Dick me binnendringt, voel ik een pijnscheut. Pijn is fijn. 'Ja, dieper!' hoor ik mezelf smeken. 'Neuk me, neuk me hard!' Ik meen het. Ik wil dat hij me open rijt.

Dat grommen. Vlak voor haar buik nat werd. Dat vond ze eng. Daarvoor voelde het zware hijgende lijf dat ritmisch in haar bewoog, als een deken. Hij zou haar beschermen. Hij zou de enige zijn die echt van haar hield. Dichtbij, o, wat was hij heerlijk dichtbij zo.

Shit. Alweer voorbij. Zuchtend en steunend komt Dick klaar. Ik voel iets op mijn rug druppelen. Het is maar heel even warm. Dan is het koud, ijskoud.
'Goed zo?' vraag ik de regisseur. Ik draai het hoofd en kijk recht in de lens. Een rood lampje. We draaien nog steeds. Snel sla ik een handdoek om me heen. 'Zet dat godverdomde kolereding uit!'

donderdag, februari 12, 2009

'Maar natuurlijk druk ik op het juiste knopje, mevrouw!'




Hij werkte met schermen of liever, hij schermde met werken, want zijn baan in de meldkamer van een aantal parkeergarages kwam in feite neer op betaald neuspeuteren. Heel af en toe stond hij een klant te woord. Indien nodig drukte hij vervolgens op een knopje zodat er ergens een deur openging. Een chimpansee kon het ook.

Vanavond gebeurde iets dat nog nooit voorgevallen was: drie van de vijf telefoons rinkelden simultaan. Tegelijk kwam zij in beeld, klein weliswaar in het mozaïek van beeldschermen, maar er was iets in haar verschijning dat meteen zijn aandacht trok. Hij weet nog dat het voelbaar was, op een manier die hij nooit zal kunnen uitleggen. Hij dacht het zelfs, woordelijk: 'verdomd, ze is het.' Als om het te bevestigen, leek ze de camera in de gaten te krijgen. Hij wreef zich in de ogen. Het was echt zo, ze deed een dansje en lachte naar hem, alsof ze hem ook kon zien. Hij kon het niet helpen zich af te vragen: zou ze hetzelfde voelen als hij?

Terwijl hij de telefoontjes afwerkte, probeerde hij haar in het oog te houden. Zijn hart dacht dat hij aan het traplopen was. Inmiddels stond ze voor de betaalautomaat. Ze gunde hem een blik op haar fraaie achterste en boog zich voorover, alsof ze verwachtte dat de sleuf vanzelf een uitrijkaart zou produceren. Alsjeblieft, dacht hij, laat het wisselgeld op zijn, mogen alle chipknips in Nederland spontaan onklaar zijn geraakt, maar druk op de intercom, doe het! Hij haalde diep adem, sloot de ogen een moment en vouwde de handen.

Voorwaar, de display van de rinkelende telefoon gaf het bijbehorende nummer aan. Zij was het. In triomf balde hij de vuisten.
'Goedenavond, Parking & co, hoe kan ik u van dienst zijn?'
Ze begon over haar handtas te vertellen die zo'n onvoorstelbare puinhoop was dat je er een complete jungle-expeditie voor zou moeten uitrusten om het kaartje te vinden waarmee ze de garage was binnengekomen. 'Kan ik niet gewoon een paar euro in dit ding duwen en dan wegwezen?'
'Nee,' antwoordde hij, 'dat gaat niet, mevrouw. Maar ik kan u wel op een andere manier eruit helpen.'
'O ja?'
'Het klinkt misschien raar, zo uit een intercom, maar ik weet zeker dat u en ik voor elkaar geschapen zijn. Bent u vanavond nog vrij, als ik vragen mag?'
Met een rukje ging haar hoofd naar achteren. Ze draaide zich naar de camera om. Hij zag hoe haar lippen bewogen. God, wat was ze mooi.
'U moet met het apparaat praten,' zei hij, 'zo kan ik u niet verstaan.'
Ze deed een halve pirouette en vroeg of hij gek geworden was.
'Altijd al geweest. Alstublieft, neemt u de proef op de som en gaat u wat met me drinken. Ik ben om elf uur vrij. Geeft u toe aan een krankzinnige impuls. Als u het niet doet, houdt u uw leven lang spijt. En ik ook.'
Langzaam wipte ze van het ene been op het andere. 'Dat is nog maar een kwartier,' peinsde ze hardop, 'mag ik dan achteraf wel gratis uitrijden?'
Hij zag het al helemaal voor zich. Overmorgen hoefde hij pas weer te werken. Dan zou ze zo'n 30 euro moeten ophoesten. Dat was te gek voor een parkeerplaats, daar waren ze het roerend over eens. Er bestond geen andere optie dan tot die tijd bij elkaar te blijven. Hij moest gewoon een keer op het juiste knopje drukken, dat was alles.
'Natuurlijk, mevrouw!' zei hij op zijn klantvriendelijkst, pakte zijn agenda erbij en trok onder 'februari' een horizontaal streepje door de vier verticale die er al stonden.


Ep Meijer 2009
Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd

zaterdag, november 22, 2008

Apocrief


Woorden. Je kunt ze lezen, je kunt ze verslinden. Je kunt er bruggen mee slaan, je kunt er oorlogen om voeren. Woorden kunnen loos zijn of juist veelbetekenend. Je kunt ze ergens opplakken, je kunt met ze gooien en je kunt ze met voeten treden.
Dat laatste doet choreograaf Sidi Larbi Cherkaoui met zijn voorstelling Apocrifu, letterlijk.

We schrijven vijf minuten voor elf op een waterige zaterdagavond, in een tot danstheater omgebouwde tramremise in Düsseldorf. Eindelijk zwaaien de gordijnen open. Op het toneel zeven zangers, drie dansers, een pop en boeken, heel veel boeken.

Wikipedia: Apocrief is een term waarmee bepaalde boeken worden aangeduid die aanspraak maakten om als onderdeel van de Bijbel te worden beschouwd, maar niet in de canon van de Bijbel zijn opgenomen. Er bestaat echter ook een alledaagse betekenis. Het woord 'apocrief' komt van het Griekse apokruphos dat "geheim", "verborgen" betekent.

Op de planken ontbrandt een heftige strijd om de (verborgen) waarheid. De dansers kronkelen door het stof, ze wervelen zich in het zweet om met elkaar in contact te komen. Ze rollebollen, ze stampvoeten ritmisch, ze vechten om hun gelijk. Ze kunnen het niet eens worden. Natuurlijk niet. De boeken die eerst nog een pad naar een andere enkeling effenden, worden als projectielen gebruikt. Wee degene die de waarheid spreekt, zelfs al is hij van hout. Dan komt de blanke sabel eraan te pas. Boeken worden doorstoken. Iedereen met een mening moet dood. Is het zwaard toch machtiger dan de pen?

Applaus.

Wacht, het verhaal is niet compleet. Het bijbehorende geluid zijn we vergeten. Genadeloos registreren je oren de klappen waarmee de dansers met hun voeten, maar soms ook met hun knieën pijnlijk hard op de vloer belanden. Maar vooral hoor je de schellen om hun benen waarvan ze zich proberen te bevrijden. Eén danser wil het maar niet lukken. Hij snikt het uit en hijgt. Zijn pijn is bijna voelbaar. Juist hij moet het als eerste ontgelden in de survival of the fittest die volgt.

Staande ovatie.

We hebben nog iets overgeslagen. De schitterende muziek. Die wordt live verzorgd door de zeven zangers van A Filetta. De polyfonische zang van dit Corsicaanse gezelschap zorgt niet alleen in een kerk of een circustent voor kippenvel. In het Tanztheater in Düsseldorf wordt treffend gedemonstreerd waarom de vermaarde filmcomponist Bruno Coulais al vele malen met A Filetta de studio is ingedoken. De intensiteit van de zang past naadloos bij beelden die hoe dan ook al emoties oproepen. Zo resulteert de samenwerking tussen Sidi Larbi Cherkaoui en A Filetta in een ongekende synergie, vooral ook omdat de zeven zangers als reuzenschaakstukken bijdragen aan de uitgekiende choreografie van Apocrifu.

Buiging.

Uiteindelijk rest de schaamtevolle aftocht van de laatste overlevende, de trap op. Boven aangekomen bedenkt hij zich geen seconde en stort zich op de al uitstervende, klaaglijke klanken van A Filetta in de diepte. Je kunt de anderen wel uitmoorden, maar je schiet er niets mee op, want alleen was je toch al. Ieder voor zich zitten we opgesloten in de isoleercel van onze eigen perceptie. Over de waarheid zullen we het nooit eens worden. Alsof de waarheid bereikbaar is voor gewone stervelingen.

Doek.


©Ep Meijer 2008

dinsdag, februari 12, 2008

Smaken verschillen

‘Dag, ik wil graag een koikarper.’
‘Dat is een verstandige beslissing, meneer. In deze barre beurstijden is een koikarper een zekere belegging.’
‘Pardon?’
‘In Japan is er wel eens een half miljoen dollar betaald voor een koikarper. Ik maak geen grapjes, meneer. Als u werkelijk van plan bent er één aan te schaffen, raad ik u dringend aan om een alarminstallatie te laten installeren bij u thuis. Er zijn gespecialiseerde dievenbendes op pad die ook uw vijver in een handomdraai leeg roven.’
‘Tjonge, wat een gedoe om een vis.’
‘Een vis?! U weet niet wat u zegt. De koikarper is het neusje van de zalm, meneer. Vergelijk het met de queeste naar de Heilige Graal. Iedere bezitter van koikarpers hoopt op de perfecte nakomeling: de witte vis met één grote, rode vlek. De rijzende zon. Nippon.’
‘Dat zal allemaal wel. Heeft u er toevallig één in de aanbieding?’
‘U treft het, meneer. Als u even met me mee wilt lopen? Kijkt u eens hier. Dit is ons instapmodel. Van 0 tot 100 in 4,6 seconden, voorzien van ABS, ADS, zeventien airbags én tractiecontrole.’
‘Maar dat is een goudvis.’
‘Welnee, meneer. Kijkt u nou eens goed. Dit is heel duidelijk een onvolwassen koikarper die nog op oranje oefent. Het gaat al een beetje richting rood, ziet u wel? En een wegligging! Ik zweer het u, alsof je op rails rijdt. Wat wilt u ook? Actieve vering, hè?’
‘Sorry, ik raak u even helemaal kwijt. Ik dacht dat we het over een vis hadden, niet over een auto.’
‘Ik heb het over een vis, meneer, en wat voor een vis! Een flappy paddle-versnellingsbak, zodat je niet eens meer hoeft te ontkoppelen!’
‘Nou doet u het weer.’
‘Wat?’
‘Doen alsof een goudvis een auto is.’
‘Welnee, meneer. Laat me u vertellen hoe het werkelijk is. U en deze prachtige koikarper zijn voor elkaar gemaakt. Er is chemie, ik voel het gewoon. En u krijgt er gratis een grote beurt bij en nieuwe ruitenwissers!’
‘Sorry, hoor. U bent echt geschift.’
‘En een abonnement op Garnalen vangen vandaag!’
‘Goed dan. Ik ben overtuigd. Maar zegt u eens, hoe fileer ik hem het beste?’
‘Fileren, u wilt een koikarper fileren?!’
‘Het zwemt, maar het is voedsel, toch? Het schijnt nog heel gezond te zijn ook.’
‘Bent uw werkelijk van plan om een koikarper op te eten?!’
‘Om eerlijk te zijn is hij voor op de barbecue.’
‘Maar dat is monsterlijk!’
‘Wat een onzin, lekker knapperig juist.’

donderdag, december 27, 2007

Dessert

Gourmetten met mijn zoons is meer dan eten. Mijn oudste zoon Sietse, die anders bijna altijd het hoogste woord heeft, valt stil en bakt stukjes vlees perfect rondom bruin, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor zijn disgenoten. Intussen haalt jongere broer Bart allerlei ongein met eieren uit. Zelf heeft hij het over recepten. Het is duidelijk: ik zit met twee Jamie Olivers aan tafel. Wat een culinair genot. En dan moet het toetje nog komen.

Na de maaltijd slingert mijn jongste zoon zich om mijn nek.
‘Ik blijf hier heel lang, hè?’ vraagt hij.
‘Ja,’ zeg ik blij, ‘tot in het nieuwe jaar.’
Bart kijkt me lang en doordringend aan.
‘Ik blijf altijd bij jou,’ zegt hij beslist.
‘Maar wat gaat die lieve juf van jou dan denken?’ vraag ik.
Bart peinst. ‘Dat ik heel lang ziek ben,’ zegt hij.
Ik leg hem uit dat zijn plan geen kans van slagen heeft. Hij moet naar school in Nederland. ‘Als ik jou thuis houd, komt de politie.’
Sietse heeft zitten meeluisteren. ‘Echt waar?’ vraagt hij.

Mijn oudste zoon is negen, mijn jongste vijf. Hoewel er raakvlakken zijn, verschilt hun beleving van dag tot nacht. Ik moet met een antwoord op de proppen komen dat beide leeftijdscategorieën tevreden stelt.

‘Ja,’ antwoord ik, ‘zo is het echt. Een vader die een zoon thuis houdt, is, eh, heel stout.’
‘Waarom dan?’ vraagt Sietse.

Nu kom ik in de problemen. Ik kan zeggen dat het belangrijk is om dingen te leren, waardoor je, later als je groot bent, veel geld kunt verdienen, zodat je zoveel computerspelletjes kunt kopen als je wilt. Maar ik kan ook zeggen dat scholen fabrieken met veel te weinig mallen zijn, waar de jeugd klaargestoomd wordt voor een bestaan als veredelde werkbij.

Het wordt zelfcensuur.

‘Omdat het moet,’ antwoord ik. ‘Het is de wet. Dus ben je heel dom als je niet luistert. Want dan ga je naar de gevangenis.’

‘Dan ga ik toch gewoon met je mee?’ oppert Bart.

donderdag, november 15, 2007

Elders

De wekker gaat, maar het is onbestaanbaar dat ik nu opsta. Het lijkt alsof er lood in mijn botten zit.

Afgezien van de vermoeidheid is er nog iets.

Toen hij negen maanden oud was, viel mijn jongste zoon Bart in een onbewaakt moment van de trap. Mijn ex Sonja en ik keken elkaar aan, terwijl we het geluid hoorden van zijn lichaam terwijl het snel achter elkaar contact maakte met een aantal van de dertien betonnen traptreden. Het was even stil. Mijn bloed veranderde in ijswater. Ik wist zeker dat Bart dood was en mijn ex ook. Toen begon hij te huilen. Afgezien van wat blauwe plekken mankeerde hij niets.

In mijn droom zijn Bart en ik op een galerij van een hoge flat. Alle details kloppen, tot en met de glanzende deurknoppen, waarin je het panorama kunt zien, maar dan omgekeerd en als door een fish eye-lens bekeken. Honderdtachtig graden, waarvan het meeste hemel is, vol met boze wolken. Op de voorgrond mijn jongste zoon, zwaaiend aan de balustrade. Op de achtergrond huizen en bedrijfsgebouwen en verderop, wat vager, weilanden omzoomd met boomkragen, die op golven lijken. Alles is grijs, maar dat doet niets aan de echtheid af. Bart moet niet nog eens de dood tarten, maar telkens weer wurmt hij zich met zijn smalle lijf door de spijlen van de afrastering heen. Slechts zijn twee handjes staan er tussen leven en een val van dertig meter. Hoeveel spieren heeft een jongetje van vijf in Newton? Is het genoeg om de G-krachten te weerstaan, die hijzelf oproept? Het is een spel, kraait hij, er kan niets gebeuren. Dus wel, denk ik, daar kijk ik vaak genoeg National Geographic Channel voor. De spijl waaraan Bart hangt, kan metaalmoe zijn. Dit is veel te gevaarlijk. Ik wil dat hij ermee ophoudt. Hij weigert te luisteren en wat ik ook probeer, de film staat stil, ik kom niet dichterbij.

Als ik wakker schrik, zweet ik uit iedere porie van mijn lichaam. Onder me is het matras klam en datzelfde geldt voor het dekbed ter plaatse. Gelukkig heb ik een twijfelaar en ben ik vrijgezel. Ik schuif op en val uiteindelijk weer in slaap.

De wekker gaat, maar het is onbestaanbaar dat ik nu opsta. Het is niet alleen dat er lood in mijn botten zit. Het matras naast me is nog steeds klam, voel ik en ik herinner me ineens waarom. Bart!

Ik moet hem redden.

vrijdag, augustus 24, 2007

If you can't beat them, join them

Het gaat goed met de economie, er wordt niet meer op de kleintjes gelet.

Op mijn werk zit het er telkens om half elf al op, terwijl de afspraak was tot twaalf uur. Mijn collega’s en ik zijn het eens: voor minder dan vier uur laat je een uitzendkracht eigenlijk niet opdraven.
‘Wat vier uur?’ zegt Saïd, een mooie Marokkaanse jongen met een staartje, zodat ik hem in gedachten al Ali B. heb gedoopt. ‘Vijf, de afspraak was vijf! Ik heb het geld nodig, man.’
De anderen knikken instemmend.
‘Wat doe jij, Boy?’ vraag ik. Hij is ontzettend aardig, draagt een bril en vaak een shirt van het eerste van NEC. Net als ik is hij een uitzendkracht, maar hij staat het hoogst in de pikorde, want hij bedient de computer.
‘Naar stukgoed,’ antwoordt hij, ‘daar is vast nog wel wat te doen.’

Stukgoed. Ik heb er ook eens een uur doorgebracht. Het lijnentrekken is er helemaal tot kunst verheven. Er zoeven weliswaar constant heftrucks heen en weer - zoals overal bij On Time Logistics BV - maar meestal zijn ze onbeladen. De mensen op de werkvloer lopen lukraak met formulieren rond of controleren het etiket op een rondslingerende rol vloerbedekking. Het beweegt, maar er gebeurt niets.

Boy is weg en waar Boy is, is werk. Jordi, de werkstudent, is hem als een schoothondje gevolgd. Van Prama, de Indiër die iedereen in Nederland maar gestresst vindt en permanent naar kerrie ruikt, zoals gewoonlijk geen spoor. Nu zijn alleen Saïd, een jongen die ik nog niet bij naam ken, en ik over.
‘Ik ben net in de loods geweest. Daar is geen werk voor ons. Willen jullie ook naar stukgoed? Ga je gang. Maar je mag ook, op mijn gezag, de spullen op deze pallet verplaatsen naar de lege pallet daar. En dan weer terug. Als je daarmee klaar bent, mag je alle moeren in deze ruimte tellen. Je kunt ook een beetje met een vorkheftruck gaan rond scheuren en doen alsof je ergens een gordijnrol zoekt. Het alternatief is je verstoppen tot 5 voor 12.’
‘Shit man,’ zegt de jongen wiens naam ik nog niet ken, ‘jij hebt het door hier.’
‘Whatever,’ zeg ik, ‘in ieder geval heb ik er geen zin in. Ik heb wel wat beters te doen met mijn tijd.’
‘Maar dan verdien je minder.’
‘Nou en? Tot morgen!’

zaterdag, april 07, 2007

Goede Vrijdag

U herkent de heuvel van verre. De kruisen, scherp afgetekend tegen de stalen lucht, snijden diepe voren in uw geweten. Dichterbij gekomen is er het tergende sterven. Een van pijn vertrokken gelaat waarover bloed, zweet en tranen voor eeuwig zout in de wonden strooien. Hier voor uw ogen wordt de pijnlijkst mogelijke dood gestorven, bij wijze van les, bij wijze van verlossing van zonden. Op de achtergrond ziet u hoe ze begaan worden, juist in zijn naam. Als op een schilderij van Jeroen Bosch zegenen priesters tanks, vergrijpen kapelaans zich aan misdienaars en mengt de zwarte rook uit Hitlers crematoria zich met de witte van een gekozen paus. Op de voorgrond duurt het de toeschouwers te lang. Ze drinken, ze dobbelen. Ze wilden wonderen, ze kregen lijden. Ze wilden revolutie, ze kregen de andere wang toegekeerd.

‘Vader vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen.’

De stem kerft een litteken in uw ziel. In uw hoofd verdringen de zinnen elkaar. Over de Farizeeërs die God weer streng zullen maken, over de schriftgeleerden die het hart met regels aan banden leggen in plaats van het te openen, over de oorlogen gevoerd met zijn naam op de lippen, over gouden tempels temidden van armoede, over het pauselijke verbod op condooms.

Geen letter verlaat uw mond. Er zijn geen woorden meer voor het heengaan van deze mens. Er is al teveel geschreven, er is al teveel gezegd. Snikkend brengt u een spons naar zijn lippen. Heel even heeft u contact met ogen die niets en alles zien. Dan drinkt hij en valt zijn hoofd opzij.

‘Vader, in uw handen beveel ik mijn geest.’

En zo geschiedde het dat tweeduizend jaar later een straaljager met een schreeuw de lucht boven Golgotha verscheurde. Toen de bommenluiken open gingen, kwamen er tot ieders verbazing geen lasergestuurde raketten tevoorschijn, maar bisschoppen die, met hun mijters naar de aarde gericht, een opvallende aerodynamische geschiktheid bewezen.

zaterdag, maart 31, 2007

Mag het ietsje meer zijn?

‘Dag, ik wil graag 287 gram boek.’
‘Pardon?’
‘287 gram. 2 ons, 87 gram. 0,287 kilogram.’
‘Maar meneer, boeken worden niet op gewicht verkocht, maar per exemplaar. Wat denkt u wel, u bent hier toch zeker niet bij de slager!’
‘De klant is koning. Ik wil 287 gram boek en geen gram meer of minder.’
‘Hoe dan? We hebben hier niet eens een weegschaal.’
‘Weet u wat u moet doen? Er één in huis halen. Dan kom ik morgen weer terug.’

‘Dag, ik heb hier gisteren een boek besteld.’
‘O ja, de meneer die een boekhandel verwart met een slagerij. Nou, ik heb een exemplaar voor u gevonden, hoor. Precies 287 gram. Alstublieft.’
‘Maar hier staan plaatjes in.’
‘Tja, dat had u er niet bij verteld.’
‘En het is ingenaaid en gebonden. Bah, wat een verspilling. Ik wil een paperback. En geen rood op de omslag. Heel belangrijk. Tot morgen. Hopelijk kunt u me dan eindelijk helpen, want eerlijk gezegd is de brief aan de Ombudsman al bijna geschreven.’

‘Dag, ik heb hier eergisteren een boek besteld.’
‘Juist, een paperback van exact 287 gram. Geen plaatjes en geen rood op de omslag. Heel belangrijk. Alstublieft, dit exemplaar voldoet aan al uw eisen.’
‘Maar dit is in het Nederlands! Dat is een keelziekte. Hoe durft u!’
‘Hoe ik durf? Ik heb me precies aan uw instructies gehouden. Hoe kon ik weten dat het geen Nederlands boek mocht zijn? Maar zegt u eens, zijn er nog meer verborgen eisen?’
‘Welnee. Alsof ik zo veeleisend ben. Het is dat ik in een goede bui verkeer. Nog eenmaal zal ik over mijn consumentenhart strijken en u als middenstander een laatste kans gunnen om mij optimaal van dienst te zijn. Tot morgen!’

‘Dag, ik heb hier een paar dagen geleden een boek besteld.’
‘Ik heb het voor u. Hier, 287 gram, schoon aan de haak, geen plaatjes, een paperback, nergens een spoor van rood op de omslag en op zijn Frans.’
‘Fijn, dank u wel.’
‘Nog iets anders van uw dienst?’
‘Nu u het zo vriendelijk vraagt, zou u er misschien de korstjes van af kunnen snijden?’

woensdag, januari 17, 2007

Zij zoenen

Vaag was in de fata morgana achter het glas een bejaarde zichtbaar die hij niet kende. De man was overdekt met appelpunten, moorkoppen, slagroomgebakjes. Het water liep hem in de mond. Hij herinnerde het zich ineens. Snoepen tot je misselijk was. Vorig jaar. Of nee. Hij vingerde zijn baardstoppels. Langer, veel langer geleden.

De stemmen van hem en zijn vriendjes duelleren met het gekwetter van vogels. Op het gras dansen schaduwen die hij niet kan vangen. Het elastiek van het mutsje snijdt in het vel van zijn kin. Het doet een beetje pijn, maar dat geeft niet. Ze zingen voor hem. ‘Lang zal hij leven!’ Zelf roept hij het hardste hoera. Voor hem een bord met taart. Hij mag zoveel eten als hij wil. Hij wordt vandaag al drie. Zijn mamma zegt dat hij de kaarsjes uit mag blazen. Ze helpt hem. Mamma is lief.

Hij liep wat, bestudeerde een bordje op een paal. Witte letters op blauw. Michiel de Ruyterstraat. Even denken. De Ruyter was een zeeheld. Hij had over hem gelezen toen hij eenmaal kon lezen.

De juf is trots. Dat hij dat al kan! Hij glimt. Later als hij groot is, gaat hij met de juffrouw trouwen. Soms, als ze aan het werk zijn in de klas, bespiedt hij haar vanuit een ooghoek. Dan vouwt ze een tent van haar handen, legt haar duimen op haar slapen en streelt met de punt van de tent door het kastanjebruine haar. Als de zon erop valt, lijkt ze net een engel, vooral ‘s zomers, als de lucht loom trilt en het licht geler is.

Op de stoep voor hem stond een knoop van ledematen. Een jongen en een meisje, ontdekte hij. Hun ogen waren dicht. De wereld was een cycloon. In het oog heerste de kus. Hij wist het nog precies.

Het heeft geonweerd. Ze hebben geschuild en zwijgend naar de bladeren gekeken die als streepjes goud voorbij woeien. Dan, ze hebben de fietssturen al in de hand, kijkt ze hem zo apart aan.

Als hij liep, verschoven de stoeptegels schoksgewijs in eendere patronen. Hé, daar stond de auto van zijn kleinzoon. Dat kinderzitje op de achterbank, dat stripfiguurtje aan de spiegel. Wat deed dat ding nou daar?! Terug maar weer. Op de stoep stonden een jongen en een meisje, innig verstrengeld. Een uitroepteken. Ze kwamen hem vaag bekend voor.

Plots stond een jonge vrouw voor hem. Ze leek wel wat op zijn oude schooljuffrouw. Mooie handen had ze. Later, als hij groot was, ging hij met haar trouwen.
‘Kom opa, we gaan naar huis. Oma zal de thee wel klaar hebben.’
Hij boog het hoofd, liet zich meevoeren naar de overkant van de straat, terwijl de eerste sneeuwbui de winter aankondigde. Hij keek omhoog. De neerslag speelde tikkertje met zijn oogleden. Net papiersnippers, vond hij.

De hemel huilt pluizige tranen. Ze vallen geluidloos op het hout van de kist en worden water. In de plasjes zijn flarden van de omstanders weerspiegeld. Nu kan hij haar nooit meer aanraken. De pastoor vertelt iets over de eindeloze kringloop van het leven. Zijn verdriet is er niet minder om. Er zijn niet genoeg vlokken voor zijn verdriet.

Hij wees op de auto met het kinderzitje op de achterbank en het stripfiguurtje aan de spiegel.
‘Die stond net nog ergens anders,’ zei hij.
De juf zuchtte. ‘Zo gaat het niet langer, opa,’ zei ze. ‘Misschien is het verzorgingstehuis toch niet zo'n slecht idee.’
Hij snikte het uit.
‘Zo erg is het toch niet? We komen je elke dag opzoeken.’
‘Seizoenen,’ stamelde hij.
De ogen van de juf rustten even op de jongen en het meisje.
‘Zij zoenen,’ zei ze gemelijk, ‘nou en?’

dinsdag, december 19, 2006

Intussen in de back-office

Hoofddorp, 19 december 2006,

Geachte heer Vetklep,

Tot onze spijt is het niet mogelijk om het door u aangeschafte exemplaar van ons model ‘Trudie’ te ruilen, omdat ze, gezien de overvloedige hoeveelheid DNA-materiaal die we op en vooral in haar aantroffen, duidelijk in gebruikte staat verkeert en wij conform onze algemene garantiebepalingen geen enkele verantwoordelijkheid voor het product kunnen aanvaarden.

Toch wil ik graag ingaan op uw klacht als zou ons model Trudie niet levensecht zijn, in de zin dat ze, om u te citeren, ‘koud’ aanvoelt. In de gebruiksaanwijzing staat heel duidelijk te lezen dat we adviseren om haar voor gebruik eerst op kamertemperatuur te brengen. Wat er niet bij staat, maar wat ik u als trouwe klant wel wil toevertrouwen, is de volgende truc: men neme een washandje, bevochtigt het licht en plaatst het dan in de magnetron. Een minuutje op vol vermogen, het washandje oprollen rond een ijsstokje (of een gebakvorkje), het geheel kort voor gebruik inbrengen, heet is Trudie en klaar is Kees.

Dan uw opmerking dat Trudies venusheuvel niet stoppelig genoeg is. Mag ik u eraan herinneren dat u expliciet een kaal poesje heeft besteld? Desnoods kunt u zelf aan de slag met wat Velpon en baardstoppels. Trudie in dat geval wel een etmaal laten drogen, hoor!

Tenslotte uw ‘belangrijkste’ bezwaar: het gaatje in Trudie, waardoor ze telkens veel te snel leegloopt en u, om opnieuw te citeren, ‘ligt te worstelen met een stel aan elkaar geplakte roze vuilniszakken.’
Maar meneer Vetklep toch! Heeft u wel eens van een bandenplaksetje gehoord? En er dan gewoon een tatoe overheen tekenen. Sterker nog, een simpele pleister volstaat. Alsof dat zo’n gek gezicht is tegenwoordig. Automutulatie schijnt helemaal in te zijn bij de jongedames vandaag de dag.

Kortom, hierbij uw ‘Trudie’ retour. Ik wens u nog veel plezier met haar.

Hoogachtend,

Ted Retteketet, hoofd klachtenbehandeling, Plastic Heaven Nederland.

zondag, december 10, 2006

Go with the flow in Tirol

We schrijven februari 1983. De zoon van onze Tiroolse pensionvrouwe blijkt onder het ontbijt tot de beste junioren van Oostenrijk te hebben behoord, op het onderdeel afdaling.
‘O,’ zegt mijn broer, ‘dan willen wij wel een wedstrijdje met je doen.’
Ik verslik me in een slok koffie. Heinz grijnst breed en zet er een kratje bier op. De Sonnenberg, die middag. Met de laatste lift omhoog en dan wachten tot de piste leeg is. Als we binnen tien tellen van hem beneden zijn, betaalt hij. In alle andere, veel waarschijnlijker scenario’s zijn mijn broer en ik de lul.

Hoewel we de afdaling van de Sonnenberg als onze broekzak kennen, besteden mijn broer en ik de hele dag aan de verkenning. Hoe loopt de ideale lijn, waar zitten de sprongen? Mij baren met name twee zwarte stukken zorgen. Gemene buckels. Volgens mijn broer vliegen we er gewoon over heen. Dat is nu juist het punt.
‘Het is gekkenwerk,’ zeg ik, ‘we zijn die snelheden gewoon niet gewend.’
‘We kunnen dit,’ bezweert mijn broer me, ‘je hoeft alleen maar te stoppen met denken. Go with the flow.’

In de dalen beginnen zich wolken te vormen. Hier en daar kleurt de horizon al zwart. Het is ineens een stuk kouder ook, wanneer de stoeltjeslift de laatste passagier brengt: Heinz. Hij heeft zelfs een aerodynamisch verantwoorde helm op. De rest is in een soort gouden condoom verpakt. Het meest ben ik nog onder de indruk van zijn dijen, waarin die van mij een aantal keren passen. Mijn hart galoppeert in mijn keel.

Mijn broer heeft gelijk gehad: we vliegen inderdaad zo over de stukken buckelpiste heen. Ik vlieg verdomme meer dan ik ski! We maken sprongen van minstens 40 meter. Stoppen met nadenken, denk ik. Stik, de bomen zijn strepen groen die aan weerszijden voorbij razen. Hopelijk klappen mijn bindingen niet open. Als ik nu val, breek ik al mijn botten. Ver voor me zie ik Heinz over de schouder kijken. Het is ongelooflijk maar waar: met minstens 120 per uur steekt mijn broer, pal achter de Oostenrijker skiënd, cool zijn linkerduim op. Heinz kruipt nog dieper in de eihouding.

En hij wint, op 3 luttele seconden gevolgd door mijn broer. Ikzelf kom, na meerdere bijnadoodervaringen, nog eens 11 tellen later naar adem happend beneden aan.
‘Jij hebt talent,’ hijgt Heinz vol ontzag tegen mijn broer.
‘Jezus, man,’ stamel ik, ‘jij die een Oostenrijkse kampioen bijna bij houdt!’
‘Waar bleef je nou?’ glimlacht mijn broer.

dinsdag, december 05, 2006

Ruilhandel

Hij doet het liever met condoom, hoewel dat minder oplevert. Dat spul in zijn mond. Het blijft kleven aan zijn tanden, zijn gehemelte. Die scherpe nasmaak. Radijsjes proeven zo als je ze hebt doorgeslikt.

Nu heeft hij geluk. De man had zelf een condoom bij zich. Net zoals de vorige Alfarijder. Misschien ligt het aan het merk. Duitse auto's, ze ruiken altijd nieuw van binnen. De geur van alarm. De Mercedesmannen, de BMWmannen, de Audimannen. Ze hebben altijd haast. Schelden als het niet naar hun zin is. ‘Zuigen, godverdomme! Sneller!’ Kijken hem niet aan als het voorbij is. Smijten bankbiljetten aan zijn voeten. Doen de deur niet voor hem open, terwijl zij vooraf de beleefdheid zelve waren. ‘Doe alsof je thuis bent, ha, ha.’ Aardappels in kelen. De motor die aan blijft staan. Airco. Koude wind die tegen zijn slaap waait. Teveel gas als ze wegrijden. Streepjes rubber op het wegdek. Stinkende visitekaartjes.

De routine. Je gaat tegen een lantaarnpaal staan. Leunen. Achteloos. Spijkerbroek. T-shirt. Je trekt een been op. Kijkt alsof je niets ziet, kijkt alsof je droomt. Daar houden ze van. Die lege blik. Niet thuis. Een lichaam. Beschikbaar. Vanzelf stopt een auto. Altijd. Alleen de eerste keer is eng. Wat moet je doen? Hij vertelt het je wel. Of duwt gewoon je gezicht in zijn kruis. Daarna went het. Alles went.

Hij heeft nog jaren op zijn duim gezogen. Lekker. Gewoon lekker. Nu proeft hij plastic. Een grote duim. Het zuigen gaat vanzelf. Uit een ooghoek ziet hij de pook. 1, 2, 3, 4, 5, R. Als hij later groot is, koopt hij een automaat. Een hand op zijn achterhoofd. Niet dwingend. Nog niet. De Alfaman is er bijna. Hij beweegt zijn hoofd over de piemel heen, tuit zijn lippen nog meer. Een siddering. ‘O, God!’ zegt de man. Er wordt aan zijn haren getrokken. Pijn. Kort, gelukkig. Het is voorbij. Snel, heel snel stopt de man zijn piemel in zijn broek. De condoom zit er nog om. De ritssluiting zingt. Hij krijgt een verfrommeld biljet van twintig Euro. ‘Bedankt,’ zegt hij. ‘Jij bedankt,’ zegt de Alfaman zacht en kijkt hem evenmin aan.

Het is genoeg zo. De Alfa verdwijnt met knarsetandende banden. Hij draait zich om, loopt weg, steekt de handen in de zakken. Voelt het geld tussen rechterduim- en wijsvinger. Lacht. Gauw verdiend.

In de speelgoedwinkel loopt hij recht op het rek af. Een schat. Zijn schat. Morgen, op het schoolplein, is hij de koning. ‘Ruilen?’ zal hij voorstellen. Hij zal genieten. Van zijn macht. Omdat er niemand, niemand is die zoveel Yugioh-kaarten heeft als hij.

maandag, december 04, 2006

All you need is love

De Evangelische Omroep zond al een tijdje harde pornofilms uit, toen uitlekte dat er ruzies waren uitgebroken tijdens de wekelijkse ministerraad. Twee staatssecretarissen wilden de minister-president simultaan oraal bevredigen. De vice-premier, ofschoon volop bezig de minister van Justitie anaal te penetreren, meende dat niemand anders dan hij het recht had om het zaad van de premier te slikken. In landsbelang, stelde hij. Den Haag Vandaag raakte niet uitgepraat.

Waar ruzie is, ontstaan regels. Het kabinet ging voortaan nog slechts een uur per dag uit de broek. Om de pikorde te bepalen, werd een formateur aangesteld, die volgens hardnekkige geruchten van de gelegenheid gebruik maakte om het staatshoofd een geheim gebleven aantal malen te beffen.
Groen Links en de SP maakten er een punt van, interpelleerden zich, tussen de gang bangs op het paarse pluche door, een ongeluk. Of de dames en heren politici nog aan iets anders konden denken dan aan de bevrediging van louter lichamelijke behoeften? En hoe zat het trouwens met de maatschappelijke gevolgen van de wiplash? De kleine christelijke partijen bleven zich fanatiek verweren tegen de pogingen van links om de normen en waarden alweer overhoop te gooien. Fractievoorzitter Strengma van de staatskundig gereformeerden kondigde met een dildo tot aan de blindedarm in zijn aars een motie van wantrouwen aan, voor het geval de regering gehoor zou geven aan de subversieve verzoeken om het feest van God te beëindigen. Die motie van wantrouwen kwam er. Hij werd met ruime meerderheid verworpen.

Seks werd onderwerp tijdens CAO-onderhandelingen en mocht nog slechts tijdens koffie- en lunchpauzes. Dominees en pastoors preekten over matiging. In de kranten verschenen ingezonden brieven, die de noodzaak van geld verdienen benadrukten. Op tv werden spotjes vertoond, die duidelijk maakten dat er nog iets anders in het leven was dan je lul of kut achterna lopen. Werken bijvoorbeeld. Zodat iedereen ervan kon profiteren. Met wegen waarop je in de rij mocht staan en wachtlijsten waarop je een nummer was.

Al gauw werden seksloze dagen ingevoerd. Wat later kon je niet neuken voor goede doelen. Er begonnen weer mensen te trouwen. Het was overzichtelijker zo, verklaarden ze stralend voor de camera. Jaloezie was trouwens een mechanisme dat de economische groei ten goede kwam, dus waar lulden we over. De klimaatverandering? Ach, na ons de zondvloed. En met die lage rentestand zou je gek zijn als je niet leende. Toch?

dinsdag, november 28, 2006

Tax Free

De winter nadert. Boven mijn slagzij makende zolder vliegt een koppel ganzen over. Als ik uit het raam kijk ontdek ik nog meer zwevende V’s tussen de al purper kleurende wolken en de skyline van Roermond. De gakken van de ganzen dansen als riedeltjes van Philip Glass boven de daken. Ik moet glimlachen, maar bedenk me dan dat de beesten een lange, gevaarlijke reis voor de boeg hebben. Soms zijn de plekken waar ze altijd foerageerden bezet, door rechthoekige bergen met ogen die je verblinden als de zon laag staat. Er lopen nieuwe zwarte linten door het landschap, maar de rivieren zijn gelukkig hetzelfde gebleven. Hier en daar zal er zelfs op de ganzen geschoten worden. Alsof het bommenwerpers zijn zullen ze zich door de flak van hagelkorrels moeten vechten. Maar uiteindelijk zullen ze in warmere oorden aankomen, waar het altijd goed is en het gras mals.
Ik moet denken aan de dingen die voorbijgaan en weer terugkomen, het cyclische dat er in het grote geheel lijkt te zitten. Maar vooral voel ik ineens weer hoe het was als jongetje: de tandjes gepoetst, de haartjes gekamd en mijn moeder op de bedrand die me met haar juffenstem voorleest uit Niels Holgersson. Hoe ik ook meewil, naar warmere oorden met de ganzen. Als mijn moeder me welterusten gekust heeft en het licht uit is, ga ik met ze mee. Ik word Niels Holgersson en zit op de rug van de ganzerik Maarten, terwijl de wind door mijn haren waait en ik wel honderdduizend kilometer ver kan kijken.
‘Gak, gak, gak,’ zegt Akka, de leider.
Mensen kunnen haar niet verstaan. Ik wel. Ze bedoelt ‘recht zo die gaat en tempo houden!’
Bij het licht van de maan glijden de heuvels als golven onder ons door. De akkers lijken op gekamde haren en de bossen op broccoli. Soms brandt er ergens licht in een boerderij, die op een blokje uit mijn blokkendoos lijkt. In een dorpje kijkt een jongetje vanuit zijn slaapkamerraam naar ons op. Ik zwaai naar hem, maar ik ben te klein om gezien te worden.

dinsdag, november 14, 2006

Vraag en aanbod

Geachte heer Bolzwetser,

Tot mijn spijt moet ik u berichten dat de firma Pup-it geen brood ziet in uw uitvinding. Pup-it is, zoals u wellicht weet, groot geworden met hygiënische schoonmaakdoekjes en aangezien de consument nog steeds graag bereid is om grif het honderdvoudige te betalen van wat zo’n velletje aan materiaal kost, zouden we dat graag zo houden. We zien dan ook niets in uw idee van een multifunctioneel papiertje, dat zowel als toiletpapier, keukenrol, zakdoek en als poetslap gebruikt kan worden. Meneer Bolzwetser toch! Voor je het weet verzanden we in oorlogsomstandigheden en gaan we de krant weer oneigenlijk op het toilet gebruiken! De consument anno 2006 eist verscheidenheid, hij wil zich afzetten van de massa door een aanzienlijk deel van zijn budget te bestemmen voor zaken die zijn life style onderstrepen. De firma Pup-it bedient hem op zijn wenken, mag ik wel zeggen, met een keur aan artikelen in de sfeer van (persoonlijke) hygiëne. Mag ik u in dit kader wijzen op ons prachtige nieuwe tuinkruidendessin, voor onze keukenrollenrange? En dan heb ik het nog niet eens over onze nieuwe generatie personal papieren zakdoekjes gehad. Wilt u er bloemetjes op of vliegtuigjes? Logt u in op onze website en u kunt uw papieren zakdoekjes voor een meerprijs van slechts 1 Euro 49 geheel naar eigen smaak laten bedrukken. U ziet, de techniek staat voor niets.
Om kort te gaan, meneer Bolzwetser, ben ik het met u eens dat zuinigheid een deugd is. De suggestie als zouden we de consument geld uit de zak kloppen, wijs ik echter resoluut van de hand. We leven in een vrij land en niemand is verplicht om producten van Pup-it te kopen. Goed, we besteden jaarlijks inderdaad tonnen om onze prominente plaats in de schappen van de supermarkt te behouden, maar dat doet de concurrentie ook. Dat die concurrentie moordend is, hoef ik u niet uit te leggen, want Pup-it is heus niet het enige bedrijf dat, om u te citeren, ‘misbruik’ maakt van basale menselijke behoeften.
Ik wens u succes met uw uitvindingen.

Hoogachtend,

Bill Crooke, PR-manager Pup-it.

maandag, november 13, 2006

Willemsens wraak

‘Heb je het al gehoord? De frutsel is van de zwatbuis af geschoten!’
‘O jee. Wat zegt het handboek?’
‘Dat we Willemsen moeten bellen, maar die is gisteren met pensioen gegaan.’
‘Is er iemand anders in huis die weet wat er moet gebeuren?’
‘Ik zou het niet weten. Flipsen misschien, maar die is opgenomen na die affaire met de bullenslijper, je weet wel. Geen zinnig woord meer uit te krijgen.’
‘En als we nu zelf?’
‘Weet jij hoe een zwatbuis werkt dan?’
‘Eerlijk gezegd niet, nee. Weet je wat? We bellen de chef.’
‘Heb ik ook nagekeken. Mag niet. Pas als de zwatbuis uit de trimhuls vliegt, mogen superieuren met zwatbuiszaken lastig gevallen worden.’
‘Daar zijn we dan weer mooi klaar mee. Wat kan er trouwens gebeuren als de frutsel van de zwatbuis af is?’
‘Daar zegt het handboek niets over. Maar onder de koffie wordt er beweerd dat het nokkenregister dan overstroomt. Nou ja, en dan is het een kwestie van tijd voor ook de dwaalgenerator het begeeft, natuurlijk.’
‘Juist ja. Dus als we niets doen, gaat het hele systeem misschien naar de haaien.’
‘Hoe bedoel je, het hele systeem?’
‘Nou, eh, alles!’
‘Dat zeg je dan wel, maar niemand weet toch hoe het systeem in elkaar steekt, laat staan dat iemand snapt wat het doet?’
‘Ja, dat is zo, maar voor de zekerheid kun je het systeem toch maar beter in stand houden. Wie weet waar we anders belanden.’
‘Nou, ik zou zeggen, doe je best. Weet je eigenlijk wel hoe een frutsel eruit ziet?’
‘Geen idee. Jij?’
‘Ik ook niet, nee. Zullen we het maar zo laten dan?’

vrijdag, november 10, 2006

Kommaneuken

‘De wereld is een schouwtoneel,’ schreef Shakespeare al, ‘en alle mannen en vrouwen slechts acteurs.’
Oké, we spelen allen spelletjes, u en ik. Rollenspelletjes, waarvoor doorgaans ongeschreven regels gelden. Voorbeeldje. U kunt uw baas niet luchten of zien en tegenover collega’s maakt u daar geen geheim van. Maar als u tijdens het functioneringsgesprek tegenover hem zit, blijft u natuurlijk fatsoenlijk. Waar staat geschreven dat het zo hoort? Nergens dus.
Hebben we dat? Goed zo. Gaan we over naar Den Haag, waar onze speciale verslaggever Wubbo Karelse de verkiezingen op de voet volgt. Wubbo, kom er maar in.
‘Het is ongelooflijk, dames en heren. Hier zitten 150 mannetjes en vrouwtjes een heel ingewikkeld gezelschapsspel te spelen, een mix van Cluedo, de Kolonisten, Monopoly, Risk en Stratego, maar dan voor gevorderden. Ze zitten er, omdat wij er met z’n allen niet uitkomen. Door eens in de vier jaar een vakje rood te vinken, zijn we mooi van de verantwoordelijkheid af. Die 150 mannetjes en vrouwtjes mogen namens ons de kastanjes uit het vuur halen. Het punt is dat ze er nog in geloven ook, de arme zielen! Vier jaar lang proberen ze het onmogelijke en zetten ze nieuwe regeltjes op papier, en uitzonderingen op die regels, vooral uitzonderingen. Intussen halen de tienduizenden ambtenaren in de ministeries, de provinciehuizen en de gemeentehuizen van dit land de schouders op. Naast mij staat zo’n ambtenaar, Alfred Dorlacher. Meneer Dorlacher, wat doet zo’n verkiezing u nog, na een dienstverband van 26 jaar bij het Rijk?’
‘Ach meneer Karelse, weet u wat het is? Het wordt weer even kommaneuken, maar dat is iedere vier jaar zo. Echt veranderen doet er toch niets. Kijk, Nederland is maar een heel klein landje. We drijven mee op de dollarkoers en de prijs van de olie. Die paar miljard waarmee ze in het Binnenhof mogen schuiven, zijn speelgoedgeld, mondiaal gezien. Het maakt echt niet uit wat ze daar in Den Haag beslissen. Prachtig toch? De nerds van de straat en de media hebben ook nog wat te doen. Tot ons pensioen zitten wij ambtenaren in ieder geval gebeiteld, ha, ha!’
‘Nou, dames en heren, u heeft het gehoord. Terug naar de studio in Hilversum.’
Dank je wel Wubbo. Over naar Kevin Kaal met de sjoeluitslagen van onze jongens in Afghanistan.