donderdag, augustus 23, 2012
Exclusief interview met het Higgs-deeltje
zondag, december 26, 2010
Triage

Het is niet aan mij om de grens tussen leven en dood te trekken. Toch werd dat van me verlangd, iedere dag opnieuw.
Die rijen, buiten in de modder, waar soms maar geen einde aan kwam. De meesten moesten we dood laten bloeden. Samen met een hospik liep ik ze langs. Ik probeerde het kreunen niet te horen dat op de één of andere manier altijd hoorbaar bleef boven het gebulder uit van de kanonnen, het hameren van de mitrailleurs en de explosies. Vluchtig overzag ik de aard van de verwondingen, keek bij twijfel even naar de pupillen, voelde hier en daar een pols. “Die,” klonk het dan, maar vaker, veel vaker, “die niet”.
Het was alweer voor de derde keer bijna Kerstmis deze hopeloze oorlog. De strijdende partijen leken er nog een schepje bovenop te doen. We kwamen dragers tekort om de gewonden aan te slepen. Hij lag ertussen. Hij had nog maar één arm. Waar de ander had gezeten, gaapte een gat waaruit een bot stak en haast zwart bloed gulpte, bij iedere hartslag. Dat was niet perse dodelijk. Zijn buikwond wel. De restanten van zijn darmen lagen verspreid over zijn tors, maar bungelden zelfs aan weerszijden van de brancard. Met zijn ene arm deed hij pogingen om ze bijeen te houden. Ik keek de hospik aan, gebaarde een nee, wijdde me al aan de volgende in de rij. Het volgende moment pakte hij me vast.
Zijn hand voelt als een bankschroef. Ik moet me wel naar hem omdraaien. Het tumult is eensklaps verstomd. De wereld wordt een draaikolk, of nee, een wervelstorm. Hij en ik bevinden ons in het oog. Verder is er niets. Waar ben ik? Ik knijp de ogen samen, probeer terug op aarde te komen. Maar hij is overal. Hij is in mij.
Het was de pijn die me weer bij mijn positieven bracht.
“Je doet me zeer, soldaat. Wil je me wel loslaten?!”
Zijn stem leek in een rechtstreekse verbinding met mijn zenuwgestel te staan, net zoals muziek dat soms doet.
“Eerst moet je beloven dat je me redt.”
“Ik zal een priester roepen. Meer kan ik niet voor je doen.”
“Dat kun je wel. Als je er maar in gelooft.”
Hij klonk niet wanhopig. Eerder kalm. Ik keek naar zijn hand om mijn pols, zag het bloed wegtrekken uit de knokkels. Hij verstevigde zijn greep. Waar haalde hij de kracht vandaan? Hij was stervende!
“Goed,” zei ik, of liever, hoorde ik mezelf zeggen, “breng hem naar binnen.”
De hospik schudde het hoofd.
Ondanks de geïmproviseerde kerstboom die de verpleegsters hadden neergezet – een tak met wat keukengerei en stukjes prikkeldraad - heerste binnen de gewone heksenketel. Kreten van pijn vermengd met het geluid van botzagen. Her en der slingerden nog armen en benen, soms met de laars er nog aan. Bloed, overal bloed op de grond, in krankzinnige patronen. Hospikken die gewonden af en aan droegen. Het had wel iets van een bijenkorf, een bijenkorf waar rode honing werd geproduceerd. Ik ruimde een tafel vrij en liet hem erop leggen. Zijn darmen hadden een spoor op de grond getrokken. Ik zocht zijn ogen, zuchtte. Hij had mijn gedachten geraden.
“Denk wat je wilt,” zei hij, “maar ik zweer je dat ik dit lazaret rechtop verlaat.”
“Begin maar met bidden dan,” mompelde de hospik. Ik beduidde hem te zwijgen.
Goddank hadden we die dag ether. Om de haverklap was dat niet zo. Dan zat er niets anders op dan de gewonden een paar slokken rum te geven en een houtje waarop ze hun tanden stuk konden bijten. Ik bracht hem onder verdoving en stelpte eerst het bloeden uit zijn linkerschouder. Omdat er weinig af te binden viel, brandde ik het gat dicht. De rook beet in mijn ogen. Ik gaf opdracht de darmen met een zoutoplossing af te spoelen. Intussen ging ik in de buikholte op zoek naar granaatsplinters.
Er was geen beginnen aan. Hij lag van zijn lies tot aan zijn ribbenkast open. Eigenlijk had hij al dood moeten zijn. Alles wat ik deed, was uitstel van executie. Sterven zou hij, onherroepelijk. Was het niet door het bloedverlies, dan wel door een infectie.
Iemand tikte me op de schouder. Ik keek om. Het was Smith. Hij sloeg ritmisch met een botzaag tegen zijn met bloed besmeurde schort.
“Kerstfeest of geen kerstfeest, Rawlings, maar het is weer ouderwets raak vandaag. Er ligt een rij gewonden buiten, dat wil je niet weten. Wordt het geen tijd je met iets zinnigs bezig te houden? Laten we eerlijk zijn, dit hier” - hij neigde zijn hoofd naar het slagveld op de operatietafel – “is een tamelijk verloren zaak.”
Ik knikte. “Je hebt gelijk. Ik zal hem dichtnaaien.”
“Waarom die moeite doen?” Smith klonk ineens een stuk minder vriendelijk. “Parkeer hem toch buiten, man!”
“Nee! Ik maak dit af. Dat moet ik. Geloof het of niet, maar ik weet waar ik mee bezig ben. Hij is waarschijnlijk gezonden. Eh. Door een hogere macht. Om ons hoop te geven, vermoed ik.”
“Als jij het zegt,” zei Smith, rolde met de ogen en verdween.
Zo goed en kwaad als het ging, propte ik de darmen terug de buikholte in. Bij gebrek aan voldoende huid - hechten ging al helemaal niet - gebruikte ik verband om alles op zijn plaats te houden.
“Dat was dat. Breng hem naar de zaal,” beval ik. De hospik gehoorzaamde schouderophalend.
Ik voelde me drie keer zo zwaar was als anders. Smith had gelijk gehad. Het was verspilling van tijd geweest. Reeds werd de volgende gewonde op de tafel gelegd. Een snelle blik en ik had de botzaag al in mijn handen. Voor de zekerheid amputeerde ik boven de knie, ook al had dat welbeschouwd niet gehoeven. Maar je wist nooit. Gangreen tierde welig in de veldlazaretten.
Zo moet het die dag nog uren door zijn gegaan, amputatie na amputatie na amputatie. Toen mijn dienst er eindelijk op zat, aarzelde ik. Was het niet beter hem te vergeten? Ik vermande me, sloeg het aanbod van Smith af om een borrel te gaan drinken en ging op zoek.
Het steunen van de gewonden hing als een mist in de zaal. Hier en daar bewoog wat onder de dekens, maar de meesten lagen roerloos op hun britsen. Ik zag hem niet en stond al op het punt het buiten te proberen, waar de doden van die dag in een vers gedolven gat lagen en met ongebluste kalk bestrooid waren. Ik voelde geen teleurstelling, eerder gelatenheid. Het kon ook niet anders. Hij had geen schijn van kans gehad, van meet af aan niet. Ik was alleen zo onverstandig geweest om een zinloze operatie te verrichten. En waarom? Omdat ik kennelijk, ondanks de waanzin om me heen, ondanks alles, in sprookjes wilde geloven. Dat besef deed nog het meeste pijn.
“Dokter?”
Zijn stem. Zwak, maar onmiskenbaar. Er ging een rukje door me heen.
“Het is een wonder,” fluisterde ik, “eigenlijk zou je al dood moeten zijn.”
Hij glimlachte flauwtjes. “Zoals ik al zei: ik verlaat dit lazaret rechtop.”
Er ontsnapte een mistroostig lachje door mijn neus. “Onmogelijk.”
“Dat denk je. Maar wat voel je?”
Ik keek hem aan, boos haast. Waarom leefde hij nog, hoe kon dat bestaan?
“Wat ik voel, doet dat terzake? Hoop, dat voel ik. Hoop op beter. Hoop dat dit eens over zal zijn. Hoop... Ach, weet ik veel.”
Ik keek omhoog terwijl ik de tranen voelde opwellen.
“Wil je mijn hand vastpakken?” vroeg hij.
Ik gehoorzaamde. Zijn huid voelde kil aan, als die van een dode. Toch ging, vanuit mijn vingers, schoksgewijs een warme golf door mijn lichaam heen.
“Als jij wilt dat het voorbij gaat, dan is het voorbij,” zei hij. “Als er genoeg mensen zijn die dat hard genoeg willen, dan houdt deze hel op.”
“Geloof je het zelf?”
“Ik geloof het niet alleen, ik weet het.”
Op de achtergrond klonken de kreunen weer en in de verte een ontploffing.
“Wie ben je,” vroeg ik zachtjes, “een engel?”
Er kwam geen antwoord. Zijn ogen waren dichtgevallen. Het onvermijdelijke? Ik schrok, voelde zijn pols. Ongelooflijk, het hart klopte nog. Ik dekte hem voorzichtig toe en verliet de zaal op kousenvoeten.
Op eerste kerstdag weigerde hij nog steeds te sterven. De andere gewonden en de verpleegsters beklaagden zich over de stank die hij verspreidde. Het was waar; zodra je de zaal binnenkwam, nestelde zich een geur in je neus die je de hele dag niet meer kwijtraakte. Het was de lucht van ontbinding. Hij lag levend weg te rotten. Ieder uur moest het verband worden vervangen. Ik kan het nog voor me zien: de ooit witte lappen, geel met groen en zwart, zwaar van al dat pus. De vieze gezichten die de verpleegsters trokken. Eén moest zelfs een keer braken. Haar maaginhoud mengde zich met de plas van een ondefinieerbaar bruin die zich constant om zijn bed vormde. Ik keek ernaar en was tegelijkertijd geen toeschouwer. Elders bevond ik me, God mag weten waar. Volgens de wetten van de logica kon het niet wat ik zag. Maar ik moest het wel geloven. Zag ik wat ik wilde zien?
Om zeker te zijn, vroeg ik Smith om zijn oordeel als arts. Hij had aan een snelle blik genoeg.
“Rawlings,” zuchtte hij, “die soldaat is zo dood als een pier.”
De woede sloeg als een bliksemschicht door mijn lijf.
“Dat is hij niet, hij leeft!” schreeuwde ik.
Smith keek me een paar seconden aan.
“Volgens mij, Rawlings, ben je dringend aan verlof toe. Ik vind het best dat je de verpleegsters nutteloos, mensonterend werk laat verrichten. Maar ik ben ervan overtuigd dat de kolonel daar anders over denkt.”
Hij was niet dood. Nog niet. Dat moest. Als mijn dienst erop zat, haastte ik me telkens naar hem toe, in de hoop dat hij het mysterie kon ontrafelen. Wie was hij toch, hoe kon hij nog leven? Meestal had ik pech en sliep hij als ik me, met mijn duim en wijsvinger om de neus geklemd, aan zijn bed vervoegde. Toch, 's avonds op tweede kerstdag, trof ik hem bij bewustzijn. Zijn bruine ogen hadden niets aan levenskracht verloren. Ze glansden als nooit tevoren. Of was het wondkoorts?
“Heb je iets te eten of te drinken gekregen?” vroeg ik terwijl ik zijn pols voelde. Een regelmatige tachtig. Hij schudde het hoofd.
“Ik weet het,” zei ik, “het heeft geen zin. Je maag is kapot. Alles is kapot. Je had al lang dood moeten zijn. Waarom doe je het niet, sterven?”
“Dat kan ik niet,” antwoordde hij.
“Je kunt het maar beter proberen,” zei ik. Hij bewoog het hoofd heftig heen en weer en deed met zijn wijs- en ringvinger iemand na die liep.
“Ik begrijp het,” zei ik, “zullen we dan maar?”
Daar gingen we. Zeker achteraf dringt zich de vergelijking op met de lamme en de blinde. Wie was wie? Vraagt u het me niet, want ik weet het niet. In 1916 had veel Bijbelse proporties, ook al wilden we dat juist niet zien, ook al geloofden we juist dat God ons in de steek had gelaten en het de Duivel was die vrij spel had. Misschien had Smith gelijk en was alles me gewoon teveel geworden.
Ik had hem in de vodden gestoken waaruit zijn uniform bestond en sleepte hem, zijn enige arm om mijn schouders, met me mee naar buiten. De gewonden die we passeerden, de verpleegsters, Smith en wat hospikken, zij allen keken het spektakel meewarig aan. Ik beet de tanden op elkaar en probeerde de stank niet te ruiken. Het was mijn heilige plicht om dit te doen. Er waren geen redenen voor. Niet in deze wereld.
Eenmaal buiten bevrijdde hij zich uit onze omhelzing. Ik kon mijn ogen niet geloven. Hij stond waarlijk op eigen benen. Nog één keer keek hij me kort aan en knikte. Misschien heb ik de blik heel even opzij of omhoog gewend. Het volgende moment had hij zich opgelost in de nacht. Er was juist een vuurwals gaande. Lichtspoormunitie schreef stippellijnen in de lucht en explosies lieten de aarde rillen.
Nu, tientallen jaren later, is het weer Kerstmis en twijfel ik aan mijn eigen herinneringen. Ik staar naar buiten terwijl de grote staartklok aan de muur mijn tijd op aarde weg tikt. Vanochtend vroeg lag er ineens een laagje sneeuw over de weiden, die de grazende paarden tot fabelwezens maakte omdat het leek of ze zweefden. Wellicht was het met hem net zoiets geweest. Iemand met zulke verwondingen hoort op slag dood te zijn. Had ik daadwerkelijk een engel ontmoet?
De oorlog zou nog twee jaar voortduren. Twee jaar waarin ik nog wel meer dingen heb gezien die een mens niet zou mogen zien. Ik heb het overleefd. Dankzij hem. Als ik, op een dag die niet eens zover meer weg is, mijn laatste adem uitblaas, zal ik met open armen op hem af stappen. Samen wandelen we dan de drempel over. Rechtop.
donderdag, december 27, 2007
Dessert
Na de maaltijd slingert mijn jongste zoon zich om mijn nek.
‘Ik blijf hier heel lang, hè?’ vraagt hij.
‘Ja,’ zeg ik blij, ‘tot in het nieuwe jaar.’
Bart kijkt me lang en doordringend aan.
‘Ik blijf altijd bij jou,’ zegt hij beslist.
‘Maar wat gaat die lieve juf van jou dan denken?’ vraag ik.
Bart peinst. ‘Dat ik heel lang ziek ben,’ zegt hij.
Ik leg hem uit dat zijn plan geen kans van slagen heeft. Hij moet naar school in Nederland. ‘Als ik jou thuis houd, komt de politie.’
Sietse heeft zitten meeluisteren. ‘Echt waar?’ vraagt hij.
Mijn oudste zoon is negen, mijn jongste vijf. Hoewel er raakvlakken zijn, verschilt hun beleving van dag tot nacht. Ik moet met een antwoord op de proppen komen dat beide leeftijdscategorieën tevreden stelt.
‘Ja,’ antwoord ik, ‘zo is het echt. Een vader die een zoon thuis houdt, is, eh, heel stout.’
‘Waarom dan?’ vraagt Sietse.
Nu kom ik in de problemen. Ik kan zeggen dat het belangrijk is om dingen te leren, waardoor je, later als je groot bent, veel geld kunt verdienen, zodat je zoveel computerspelletjes kunt kopen als je wilt. Maar ik kan ook zeggen dat scholen fabrieken met veel te weinig mallen zijn, waar de jeugd klaargestoomd wordt voor een bestaan als veredelde werkbij.
Het wordt zelfcensuur.
‘Omdat het moet,’ antwoord ik. ‘Het is de wet. Dus ben je heel dom als je niet luistert. Want dan ga je naar de gevangenis.’
‘Dan ga ik toch gewoon met je mee?’ oppert Bart.
dinsdag, december 25, 2007
Kerststukje
In een tekenfilm zou je zien hoe alles behalve zij en hij ineens verdween en in vuurwerk veranderde, en in een waterballet en in het slot van een symfonieconcert, allegro agitato. Het was een wonder. De eerste paar seconden heerste de verbazing in beider ogen. Toen herkenden ze elkaar, maar tegelijk zette zijn Intercity zich in beweging. Hij zag nog hoe ze naar beneden dook, haar handtas in waarschijnlijk. Om het nummer van haar 06 op te schrijven? Maar het was te laat.
Werken lukte niet meer. Hij bleef haar gezicht voor zich zien. Thuis trok hij de stoute schoenen aan. Hij plaatste een oproep op een site voor OV-reizigers en zette er voor de zekerheid een foto bij. In het daaropvolgende weekend kreeg hij zes reacties, louter van dames van middelbare leeftijd. Kennelijk hadden zich op het station Veenendaal-de Klomp nog meer wonderen afgespeeld. Zij zat er niet bij.
Het was rustig op het spoor, de maandag voor Kerst. Hij leek wel gek. Hij had nota bene een vrije dag vandaag, wat moest hij in de trein, hoe groot was de kans dat zij, zoals hij vurig hoopte, net zoals hij onderweg was naar de plaatsdelict? Die kans was bijna nul. Maar ze was zijn jonkvrouwe. Voor een blik van haar, desnoods vanuit haar slottoren, ging hij zijn leven lang op drakenjacht.
Twee ouden van dagen en een Gothic-meisje stapten in de Intercity die hij net verlaten had. Om de hoofden danste hun adem als Indianen om een totempaal. Verder gebeurde er niets op het perron van Veenendaal-de Klomp.
In de wachtruimte was het maar iets minder koud dan buiten. Met zijn rechterwijsvinger tekende hij een kerstboom in het vuil van de ruit, met ballen in de vorm van een hart met een pijl erdoor. Hij had gewoon aan de noodrem moeten trekken, bedacht hij zich.
Twee Intercities kwamen en gingen. Ofschoon hij zich midden op het perron posteerde, viel zijn aanwezigheid geen van de uitstappers op. Dit was zinloos. Hij nam zich voor om de volgende trein naar huis te nemen. Die kwam om 15.16 uur, zoals hij inmiddels al een paar keer gecontroleerd had.
Eindelijk, de Intercity met als eindbestemming Roosendaal reed voor. Hij keek nadrukkelijk naar de treeplank en zag haar voeten het eerst. Ze wezen naar hem, er was geen contact met de vloer. Toen gleden zijn ogen omhoog. Ze was het en ze zat in een rolstoel.
‘Duw je me?’ vroeg ze.
Tegen zulke ogen kon hij geen nee zeggen.
‘Het is me een eer,’ zei hij.
dinsdag, december 18, 2007
Een goede manier om op postzegels te besparen
Met de zwaartekracht was niets aan de hand, betoogden de wetenschappers de volgende morgen op tv. Oké, de aarde was misschien uit het lood geslagen, maar dat nam niet weg dat er eigenlijk geen enkele aanleiding bestond om dingen plotseling scheef waar te nemen. Er moest sprake zijn van een soort collectieve zinsbegoocheling.
In de praktijk bleek alles desondanks schuin. Lopen was moeilijk, fietsen uitgesloten, tenzij je heel veel EPO gebruikte. Bussen en treinen bliezen hun motor op, auto’s verbrandden hun koppelingsplaat. Alleen mensen met terreinwagens konden nog op hun werk komen, slechts om op de terugweg te verongelukken, omdat de remmen het niet hielden.
Als je thuis bleef, was het evenmin een pretje. Koken werd levensgevaarlijk en douchen een kwestie van acrobatiek. Afhankelijk van de indeling van je huis kon zelfs een bezoek aan het toilet een hele klim betekenen (of het omgekeerde natuurlijk: een levensgevaarlijke afdaling).
De president van de Verenigde Staten stelde een ongekende nucleaire explosie voor, ter hoogte van Kaapstad, zodat de as van de aarde heel misschien weer in het gareel kwam. Kon hij meteen een nieuw speeltje uittesten.
Intussen doken op tv en Internet de eerste commercials op voor producten die het evenwicht beloofden te herstellen: een bad van geïoniseerde siliconen kogels, waarin je het fornuis kon plaatsen, zodat het rechtop zou blijven staan, dat soort dingen. Ze werden massaal besteld, maar ze konden met geen mogelijkheid ter wereld geleverd worden.
Er werden tandradbanen ontwikkeld en andere vervoermiddelen die met de hellingsgraden wisten om te gaan. Huizen werden voortaan op hydropneumatische schanzen gebouwd, waardoor ze zich aanpasten aan de stand van de as van de aarde. Al gauw kon je met de lift naar het werk. Binnen no time was alles weer bij het oude. De wereld stond scheef, maar wat maakte dat uit?
Toen, onaangekondigd, maakte de aarde een radslag. Iedereen die zich niet aan het oppervlak verankerd had, viel ervan af.
Was alles dan voor niets geweest?
Al mijn lezers alvast fijne (voorbereidingen op de) kerstdagen gewenst.
maandag, december 25, 2006
Kerstongemakken
Tot mijn spijt kan de firma Santa Cosmetics geen enkele verantwoordelijkheid aanvaarden voor hetgeen zich vanmiddag in uw huiskamer heeft afgespeeld.
U beweert dat de door ons geleverde piek niet alleen uw kerstboom heeft doen kantelen, maar ook op een zodanige manier in uw aquarium terecht is gekomen dat uw Japanse vechtvis Pietje uit het water gelanceerd werd en zich vastbeet in de neus van uw echtgenote Betsy, waardoor een bezoek aan de eerstehulpafdeling van het ziekenhuis noodzakelijk werd, alwaar Pietje slechts met chirurgische middelen zover kon worden gebracht dat hij losliet.
Ik kan me voorstellen dat u zich afvraagt wat u nu met vijf stukken Japanse vechtvis aan moet. Wellicht iets voor op het gourmetstel morgen? Serieus, het verlies van een geliefd huisdier is natuurlijk normaalgesproken al een tragedie, laat staan als het op Kerstavond gebeurt. Gecondoleerd dus met Pietje, ook al omdat het inderdaad moeilijk zal zijn om hem te vervangen, al was het maar in financieel opzicht (onder ons gezegd en gezwegen: wie betaalt er nou duizend Euro voor een vis?!).
Eveneens is het vervelend voor uw vrouw (en tevens voor u, want u moet er mee over straat) dat ze een gedeelte van haar reukorgaan zal moeten missen. Mijn advies: drapeert u een bruine deken over haar heen, steekt u wat takjes in het haar, plakt u een rode feestneus over de wond en de vergelijking met Rudolf the red nosed reindeer gaat heel aardig op. Heeft u tenminste toch nog wat kerstsfeer in huis.
Fijne dagen verder!
Arend Staalgaren, account sub executive Santa Cosmetics Nederland BV.
zaterdag, december 23, 2006
Luchthandel
‘Wel, ik trek rond ende bied her en der mijn waren aan.’
‘Heeft u een vaste route of gaat u uw neus achterna?’
‘Nou, meestal kan ik me, als ik ergens iets verkocht heb, er daarna niet meer vertonen.’
‘Hoe dat zo?’
‘Het is een kwestie van vraag ende aanbod. De mensen willen graag wonderen. Ik verkoop ze de middelen. Helende zalfjes, drankjes die alle kwalen genezen, dat soort dingen. Tenminste, dat geloven ze, lang genoeg voor mij om de hielen weer te kunnen lichten.’
‘Juist ja. En wat gaat er met de Kerst nu het hardst over de toonbank?’
‘Dat gelooft u toch niet.’
‘Haha! Ik kan u verzekeren, meneer Fingerflug, dat wij anno 2006 heel wat gewend zijn. Dus vertelt u het me maar, wat is de verkoophit van Kerst 1586?’
‘Water.’
‘Water?’
‘Inderdaad. Er zit weliswaar een luchtje aan, maar het blijft water. Zal ik u mijn geheime recept verklappen?’
‘Nou, primeurs hebben we natuurlijk altijd graag!’
‘Men neme wat rivierwater. Gooi er een dode muskusrat, wat druppels bier, wilde kruiden ende bloemblaadjes in ende laat het een paar weken staan. Daarna zeven ende koken tot een heldere vloeistof overblijft. Het kost helemaal niets om te maken, maar de klanten betalen grif een heel weekloon voor zo’n pietepeuterig flesje.’
‘Weet u, meneer Fingerflug, dat is vandaag de dag nog precies zo. Alleen hebben de mensen die erin handelen tegenwoordig een, eh, iets andere status dan u.’
‘Wat wilt u daarmee insinueren?’
‘Helemaal niets, meneer Fingerflug. Altijd en overal zullen mensen voor lucht betalen, al helemaal rond de kerstdagen.’
‘Dus is het goed wat ik aan het doen ben, kom ik dan toch niet in de hel?’
‘Ach, als een product zoveel eeuwen doorstaat kan het toch niet slecht zijn? U kunt dus gerust doorgaan met uw bedrog. En anders is het gewoon veel drukker in de hel dan u en ik al dachten.’
‘Ik begrijp het. Weet u wat, ik ga op muskusrattenjacht, want ik zie ineens wat me te doen staat. Maar mag ik eerst nog even de groeten doen?’
vrijdag, december 22, 2006
Kerststress
Zoals gewoonlijk voor de gnurftdagen was het een drukte van belang op de planeet Dwork. Iedereen in de melkweg wist dat je nergens betere gnurftbomen kreeg. De dworken waren zich dat helaas ook bewust. Tegenwoordig moest je er al betalen als je in een baan om de planeet parkeerde. Voor je dan eindelijk aan de beurt kwam, moest je verplicht inloggen in het systeem. En dan kwamen ze, de multimediale boodschappen:
‘Wilt u dit jaar echt opvallen met uw boom? Kom dan naar Kruton, de planeet waar het versieren is uitgevonden.’
‘Wat is een gnurftboom die stinkt? Uw buren zullen er schande van spreken. Geef uw boom een kans dit jaar. Geef uw boom een geur. Space naar Lufton, de planeet met een luchtje.’
Zo ging het maar door. Uiteindelijk mocht je echter je boom gaan uitzoeken. Dat was nog een heel gedoe. Formaat en mate van begroeiing waren afhankelijk van de grootte van de bagageruimte in je spacer. Er waren er ook die een soort bagagedrager op het dak gebruikten, maar dat ging bij terugkeer in de dampkring zelden goed. Dan was er de administratie nog. In zevenvoud kreeg je een contract voor de kiezen, dat er in het kort op neerkwam dat de nieuwe eigenaar van de gnurftboom zo ongeveer alles kon verwachten inclusief een interstellaire oorlog. Wat er ook gebeurde, de dworken hadden het niet gedaan. Hier tekenen, alstublieft.
Kortom, opstijgen van de planeet Dwork leek ieder agar weer een bevrijding. Je had de drukte van de Gnurft doorstaan. Meer nog, je had een boom gescoord, je telde mee. Maar dan begon het gelazerstraal pas echt. Sommige planeten hadden je navigatiecomputer gehackt, ondanks alle voorzorgsmaatregelen. Automatisch ging het nu naar oorden waar er wat te verdienen viel met de Gnurft. Er was één manier om dat te voorkomen: de computer moest handmatig gereset. Dat hield echter het risico in dat alle geheugen gewist werd.
Dus ben ik hopeloos verdwaald en zweef ik hier nu, boven een blauwe planeer die me vaag bekend voorkomt. Mag ik landen? Voor het geval hier iets te verdienen valt: ik heb een hele mooie boom.
Kerstmis in zee
Met tolerantie beleg je geen boterham. Al gauw zwommen de oceaanbewoners met rammelende magen rond. Er moest iets gebeuren. Anders zou alle leven in de zee uitsterven. Op initiatief van de doktersvissen werd in een trog een conferentie belegd, waarop de kwestie voor eens en voor altijd zou worden opgelost.
Nu ze niet meer onderaan de voedselketen zaten, hadden de garnalen ineens het hoogste woord. Een zeekoe, bepleitten ze, heette niet voor niets zo. Een hek eromheen, wat zeewier om van te grazen en er zou genoeg vlees zijn voor iedereen. ‘Zo doen de mensen het toch ook?’ Uiteraard kwamen de zeekoeien in het geweer. ‘We zijn heus niet zo dom als we eruit zien,’ zeiden ze, ‘we lusten jullie garnalen als voorafje, rauw, nou ja, misschien met wat whiskysaus dan.’ De barracuda’s zagen wel wat in gaarkeukens die gratis schildpadsoep zouden verstrekken. De soepschildpadden lieten zich niet kisten en suggereerden een McSwim. ‘Een happy meal,’ lispelden ze, ‘zo’n barracudaburger.’
De amendementen vlogen heen en weer, er werden kongsies gesmeed, tussen zeekomkommers en orka’s, tussen zeeëgels en sponzen. Niets hielp. De bewoners van de zee konden het niet eens worden en maakten elkaar uit voor rotte vis.
In het tumult zagen de domineevissen hun kans schoon. Met zwaaiende wijsvinnen preekten ze hel en verdoemenis en verordonneerden ze vangstquota en andere geboden en verboden.
Er volgden kabeljauwse twisten, maar uiteindelijk won de honger het pleit. Al gauw was het in de oceanen alsof het nooit Kerstmis was geweest. Of was het er juist altijd Kerstmis? In ieder geval beschouwden de zeedieren elkaar weer als smakelijke gang in een oneindig feestmaal.
