Twitter

Follow Ep_Meijer on Twitter
Posts tonen met het label verhalen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verhalen. Alle posts tonen

zaterdag, september 08, 2012

Right place, wrong time

Over een week

We zijn bedroefd dat, kort na haar geliefde verloofde, in de Heere is ontslapen onze innig geliefde dochter Nathalie. Geen bloemen.

Nu

Dus toch. Ze ziet het aan de kring van mensen op het gras. Stom is ze, stom, stom, stom!

Twee minuten en 34 seconden eerder.

Ze heeft de trap genomen in plaats van de lift. Haar pumps roffelen op de stalen treden. Ik heb niets gehoord, denkt ze, misschien is er een wonder gebeurd.

Vier minuten en 2 seconden eerder.

Het duurt even voor ze gelooft wat ze ziet. Ze probeert hem te volgen, maar hij verdwijnt achter een spijl.

Vier minuten en 12 seconden eerder.

Eerst denkt ze nog dat hij een grapje maakt. Natuurlijk is het gevaarlijk om over de omheining te klimmen. Maar hij doet wel vaker gekke dingen. Dol is ze op dat theatrale in zijn karakter.

Vijf minuten en 36 seconden eerder.

Hij heeft een doosje uit een binnenzak gehaald. Een doosje met een kroontje. Is dat wat zij denkt dat het is? Plotseling staan haar wangen in brand. Hij kijkt haar aan met die onweerstaanbare ogen van hem en lacht. De warmte verplaatst zich ogenblikkelijk naar haar lendenen.

'Lieve Nathalie,' zegt hij, 'je bent de mooiste en liefste die ik ooit heb ontmoet en ooit nog zal ontmoeten. Je bent de Mount Everest onder de vrouwen. Boven jou gaat niets. Daarom heb ik een hoge plek uitgezocht om je iets te vragen.'

Ze slaat haar handen voor de mond, hij doet het echt, halverwege de Eiffeltoren. Hij zijgt op zijn knieën neer. Een windvlaag speelt met zijn krulletjes.Weer die ogen, mooier nog dan die van Brad Pitt en George Clooney bij elkaar.

'Allerliefste Nathalie, wil je met me trouwen?'

Ze is zo blij dat ze moet stampvoeten. Er ontsnapt zelfs een gilletje. Dan realiseert ze zich het: ze mag geen ja zeggen.

13 jaar, 11 maanden, 30 dagen, 18 uur en 42 seconden eerder.

Het was een idee van Catelijne geweest. Hun vriendschap moest vereeuwigd. Geen suffe reünie of zoiets, maar een eerbetoon. Astrid, Catelijne, Els en zijzelf, de vier musketiers van het dispuut Diogenes. Nooit, zo hadden ze elkaar onder ede beloofd, mocht hun heilige band breken. Daarom was het eens in het jaar onverbiddelijk andersomdag. Het moest. Als je verzaakte, kwamen de andere drie je vermoorden.

zondag, juli 17, 2011

Putlucht (of: de toekomst van het terrorisme)



Op de dinsdagochtend dat Alfons F. Touwdragher zoals gewoonlijk door de week om stipt half negen zijn woning verliet, woog hij exact 72 kilo, 2 ons en 43 gram. Daar was hij zich niet van bewust. Noch kon hij bevroeden dat hij in sommige delen van de wereld spoedig als martelaar vereerd zou worden.

Pardon. Voor we verder gaan, moeten we eerst de diepte in. Sta me toe u mee te nemen naar het riool onder de stad A. Om een lang en onsmakelijk verhaal kort te maken, uitwerpselen produceren het even onwelriekende als brandbare gas methaan. De gemeente A. had het onderhoud verwaarloosd en de riolen waren in geen jaren schoongemaakt. Wel waren na klachten over stank ettelijke putdeksels dicht gelast. In de Van Speijkstraat was dat niet gebeurd. Intussen bouwde de druk in het rioolstelsel zich op. Het wachten was op de vonk.

Oké, breed nu. De markt voor putdeksels staat sinds decennia in het teken van een bittere concurrentie tussen een beperkt aantal fabrikanten. Het familiebedrijf Buderus uit Weert heeft al een tiental jaar geleden het onderspit gedolven. Toch zijn hier en daar nog modellen in omloop. De ontwerper had vooruit gedacht: de grepen waren tevens luchtgaten zodat eventuele overdruk geleidelijk kon ontsnappen. Door zo een gat verdween die dag om 54 seconden over half negen een brandende sigarenpeuk.

De zwakke plek was het putdeksel tegenover de woning van Alfons F. Touwdragher. Dit exemplaar kwam van de Doetinchemse firma Vulcanus en had vanwege de lagere productiekosten geen gaten. Maar zoals gezegd was het niet dichtgelast.

Toen Alfons F. Touwdragher de straat overstak, leek de wereld in orde: alles was precies als gisteren, zo had hij het graag. Hoogstens waren er kleine variaties op het thema. De lucht had een andere kleur en de kinderen van nummer 19 kwamen met een vertraging van een halve minuut naar buiten. Dat mocht de pret niet drukken. Het was onder controle, daar hechtte Alfons F. Touwdragher belang aan, vooral ook omdat hij de vorige avond gezondigd had. Normaal stond er op maandag een gehaktbal met groente en aardappels op het menu. In een vlaag van verstandsverbijstering was hij voor de bonusaanbieding gegaan. Iets met veel kaas, spek en room. Zijn darmen voelden nog steeds opgeblazen.

Dat putdeksel? Alfons F. Touwdragher keek er niet eens naar. Hij richtte de blik omhoog. Het leek alsof de vliegtuigen met hun condenssporen boter, kaas en eieren aan het spelen waren in het zwerk. Het leven was goed op wat buikklachten na.

Of het kauwgum is geweest, valt niet met zekerheid te zeggen. Feit is dat de tred van Alfons F. Touwdragher een moment lang vertraagd werd, juist toen hij met beide voeten tegelijk contact had met het putdeksel.

Het was precies 55 seconden over half negen. Het in jaren verzamelde methaangas en de brandende sigarenpeuk zorgden voor een enorme explosie. Alfons F. Touwdragher werd compleet met Vulcanus-putdeksel gelanceerd, om zich, na een geschatte hoogte van 9.000 voet te hebben bereikt, in de cockpit te boren van de zojuist van Schiphol opstijgende Airforce One, met aan boord de president van de Verenigde Staten en diens complete generale staf. De Boeing 747 stortte neer en niemand overleefde het ongeluk. Experts hielden het op een ongelooflijke samenloop van omstandigheden.

Terecht?

Van: Razende Dageraad
Aan: Blackbriar
Betreft: Ballistische vlucht; onmiddellijk deleten na lezing

Meester,

Alles is berekend, geregeld en voorzien, inclusief 'kauwgum' en de medewerking van het supermarktconcern. Nu is het wachten op een persoon van het juiste gewicht zodat we de factor wind kunnen uitschakelen :-)

Newton Akbar!

zondag, december 26, 2010

Triage



Het is niet aan mij om de grens tussen leven en dood te trekken. Toch werd dat van me verlangd, iedere dag opnieuw.

Die rijen, buiten in de modder, waar soms maar geen einde aan kwam. De meesten moesten we dood laten bloeden. Samen met een hospik liep ik ze langs. Ik probeerde het kreunen niet te horen dat op de één of andere manier altijd hoorbaar bleef boven het gebulder uit van de kanonnen, het hameren van de mitrailleurs en de explosies. Vluchtig overzag ik de aard van de verwondingen, keek bij twijfel even naar de pupillen, voelde hier en daar een pols. “Die,” klonk het dan, maar vaker, veel vaker, “die niet”.

Het was alweer voor de derde keer bijna Kerstmis deze hopeloze oorlog. De strijdende partijen leken er nog een schepje bovenop te doen. We kwamen dragers tekort om de gewonden aan te slepen. Hij lag ertussen. Hij had nog maar één arm. Waar de ander had gezeten, gaapte een gat waaruit een bot stak en haast zwart bloed gulpte, bij iedere hartslag. Dat was niet perse dodelijk. Zijn buikwond wel. De restanten van zijn darmen lagen verspreid over zijn tors, maar bungelden zelfs aan weerszijden van de brancard. Met zijn ene arm deed hij pogingen om ze bijeen te houden. Ik keek de hospik aan, gebaarde een nee, wijdde me al aan de volgende in de rij. Het volgende moment pakte hij me vast.

Zijn hand voelt als een bankschroef. Ik moet me wel naar hem omdraaien. Het tumult is eensklaps verstomd. De wereld wordt een draaikolk, of nee, een wervelstorm. Hij en ik bevinden ons in het oog. Verder is er niets. Waar ben ik? Ik knijp de ogen samen, probeer terug op aarde te komen. Maar hij is overal. Hij is in mij.

Het was de pijn die me weer bij mijn positieven bracht.
“Je doet me zeer, soldaat. Wil je me wel loslaten?!”
Zijn stem leek in een rechtstreekse verbinding met mijn zenuwgestel te staan, net zoals muziek dat soms doet.
“Eerst moet je beloven dat je me redt.”
“Ik zal een priester roepen. Meer kan ik niet voor je doen.”
“Dat kun je wel. Als je er maar in gelooft.”
Hij klonk niet wanhopig. Eerder kalm. Ik keek naar zijn hand om mijn pols, zag het bloed wegtrekken uit de knokkels. Hij verstevigde zijn greep. Waar haalde hij de kracht vandaan? Hij was stervende!
“Goed,” zei ik, of liever, hoorde ik mezelf zeggen, “breng hem naar binnen.”
De hospik schudde het hoofd.

Ondanks de geïmproviseerde kerstboom die de verpleegsters hadden neergezet – een tak met wat keukengerei en stukjes prikkeldraad - heerste binnen de gewone heksenketel. Kreten van pijn vermengd met het geluid van botzagen. Her en der slingerden nog armen en benen, soms met de laars er nog aan. Bloed, overal bloed op de grond, in krankzinnige patronen. Hospikken die gewonden af en aan droegen. Het had wel iets van een bijenkorf, een bijenkorf waar rode honing werd geproduceerd. Ik ruimde een tafel vrij en liet hem erop leggen. Zijn darmen hadden een spoor op de grond getrokken. Ik zocht zijn ogen, zuchtte. Hij had mijn gedachten geraden.
“Denk wat je wilt,” zei hij, “maar ik zweer je dat ik dit lazaret rechtop verlaat.”
“Begin maar met bidden dan,” mompelde de hospik. Ik beduidde hem te zwijgen.

Goddank hadden we die dag ether. Om de haverklap was dat niet zo. Dan zat er niets anders op dan de gewonden een paar slokken rum te geven en een houtje waarop ze hun tanden stuk konden bijten. Ik bracht hem onder verdoving en stelpte eerst het bloeden uit zijn linkerschouder. Omdat er weinig af te binden viel, brandde ik het gat dicht. De rook beet in mijn ogen. Ik gaf opdracht de darmen met een zoutoplossing af te spoelen. Intussen ging ik in de buikholte op zoek naar granaatsplinters.
Er was geen beginnen aan. Hij lag van zijn lies tot aan zijn ribbenkast open. Eigenlijk had hij al dood moeten zijn. Alles wat ik deed, was uitstel van executie. Sterven zou hij, onherroepelijk. Was het niet door het bloedverlies, dan wel door een infectie.

Iemand tikte me op de schouder. Ik keek om. Het was Smith. Hij sloeg ritmisch met een botzaag tegen zijn met bloed besmeurde schort.
“Kerstfeest of geen kerstfeest, Rawlings, maar het is weer ouderwets raak vandaag. Er ligt een rij gewonden buiten, dat wil je niet weten. Wordt het geen tijd je met iets zinnigs bezig te houden? Laten we eerlijk zijn, dit hier” - hij neigde zijn hoofd naar het slagveld op de operatietafel – “is een tamelijk verloren zaak.”
Ik knikte. “Je hebt gelijk. Ik zal hem dichtnaaien.”
“Waarom die moeite doen?” Smith klonk ineens een stuk minder vriendelijk. “Parkeer hem toch buiten, man!”
“Nee! Ik maak dit af. Dat moet ik. Geloof het of niet, maar ik weet waar ik mee bezig ben. Hij is waarschijnlijk gezonden. Eh. Door een hogere macht. Om ons hoop te geven, vermoed ik.”
“Als jij het zegt,” zei Smith, rolde met de ogen en verdween.

Zo goed en kwaad als het ging, propte ik de darmen terug de buikholte in. Bij gebrek aan voldoende huid - hechten ging al helemaal niet - gebruikte ik verband om alles op zijn plaats te houden.
“Dat was dat. Breng hem naar de zaal,” beval ik. De hospik gehoorzaamde schouderophalend.
Ik voelde me drie keer zo zwaar was als anders. Smith had gelijk gehad. Het was verspilling van tijd geweest. Reeds werd de volgende gewonde op de tafel gelegd. Een snelle blik en ik had de botzaag al in mijn handen. Voor de zekerheid amputeerde ik boven de knie, ook al had dat welbeschouwd niet gehoeven. Maar je wist nooit. Gangreen tierde welig in de veldlazaretten.

Zo moet het die dag nog uren door zijn gegaan, amputatie na amputatie na amputatie. Toen mijn dienst er eindelijk op zat, aarzelde ik. Was het niet beter hem te vergeten? Ik vermande me, sloeg het aanbod van Smith af om een borrel te gaan drinken en ging op zoek.

Het steunen van de gewonden hing als een mist in de zaal. Hier en daar bewoog wat onder de dekens, maar de meesten lagen roerloos op hun britsen. Ik zag hem niet en stond al op het punt het buiten te proberen, waar de doden van die dag in een vers gedolven gat lagen en met ongebluste kalk bestrooid waren. Ik voelde geen teleurstelling, eerder gelatenheid. Het kon ook niet anders. Hij had geen schijn van kans gehad, van meet af aan niet. Ik was alleen zo onverstandig geweest om een zinloze operatie te verrichten. En waarom? Omdat ik kennelijk, ondanks de waanzin om me heen, ondanks alles, in sprookjes wilde geloven. Dat besef deed nog het meeste pijn.

“Dokter?”
Zijn stem. Zwak, maar onmiskenbaar. Er ging een rukje door me heen.
“Het is een wonder,” fluisterde ik, “eigenlijk zou je al dood moeten zijn.”
Hij glimlachte flauwtjes. “Zoals ik al zei: ik verlaat dit lazaret rechtop.”
Er ontsnapte een mistroostig lachje door mijn neus. “Onmogelijk.”
“Dat denk je. Maar wat voel je?”
Ik keek hem aan, boos haast. Waarom leefde hij nog, hoe kon dat bestaan?
“Wat ik voel, doet dat terzake? Hoop, dat voel ik. Hoop op beter. Hoop dat dit eens over zal zijn. Hoop... Ach, weet ik veel.”
Ik keek omhoog terwijl ik de tranen voelde opwellen.
“Wil je mijn hand vastpakken?” vroeg hij.
Ik gehoorzaamde. Zijn huid voelde kil aan, als die van een dode. Toch ging, vanuit mijn vingers, schoksgewijs een warme golf door mijn lichaam heen.
“Als jij wilt dat het voorbij gaat, dan is het voorbij,” zei hij. “Als er genoeg mensen zijn die dat hard genoeg willen, dan houdt deze hel op.”
“Geloof je het zelf?”
“Ik geloof het niet alleen, ik weet het.”
Op de achtergrond klonken de kreunen weer en in de verte een ontploffing.
“Wie ben je,” vroeg ik zachtjes, “een engel?”
Er kwam geen antwoord. Zijn ogen waren dichtgevallen. Het onvermijdelijke? Ik schrok, voelde zijn pols. Ongelooflijk, het hart klopte nog. Ik dekte hem voorzichtig toe en verliet de zaal op kousenvoeten.

Op eerste kerstdag weigerde hij nog steeds te sterven. De andere gewonden en de verpleegsters beklaagden zich over de stank die hij verspreidde. Het was waar; zodra je de zaal binnenkwam, nestelde zich een geur in je neus die je de hele dag niet meer kwijtraakte. Het was de lucht van ontbinding. Hij lag levend weg te rotten. Ieder uur moest het verband worden vervangen. Ik kan het nog voor me zien: de ooit witte lappen, geel met groen en zwart, zwaar van al dat pus. De vieze gezichten die de verpleegsters trokken. Eén moest zelfs een keer braken. Haar maaginhoud mengde zich met de plas van een ondefinieerbaar bruin die zich constant om zijn bed vormde. Ik keek ernaar en was tegelijkertijd geen toeschouwer. Elders bevond ik me, God mag weten waar. Volgens de wetten van de logica kon het niet wat ik zag. Maar ik moest het wel geloven. Zag ik wat ik wilde zien?

Om zeker te zijn, vroeg ik Smith om zijn oordeel als arts. Hij had aan een snelle blik genoeg.
“Rawlings,” zuchtte hij, “die soldaat is zo dood als een pier.”
De woede sloeg als een bliksemschicht door mijn lijf.
“Dat is hij niet, hij leeft!” schreeuwde ik.
Smith keek me een paar seconden aan.
“Volgens mij, Rawlings, ben je dringend aan verlof toe. Ik vind het best dat je de verpleegsters nutteloos, mensonterend werk laat verrichten. Maar ik ben ervan overtuigd dat de kolonel daar anders over denkt.”

Hij was niet dood. Nog niet. Dat moest. Als mijn dienst erop zat, haastte ik me telkens naar hem toe, in de hoop dat hij het mysterie kon ontrafelen. Wie was hij toch, hoe kon hij nog leven? Meestal had ik pech en sliep hij als ik me, met mijn duim en wijsvinger om de neus geklemd, aan zijn bed vervoegde. Toch, 's avonds op tweede kerstdag, trof ik hem bij bewustzijn. Zijn bruine ogen hadden niets aan levenskracht verloren. Ze glansden als nooit tevoren. Of was het wondkoorts?
“Heb je iets te eten of te drinken gekregen?” vroeg ik terwijl ik zijn pols voelde. Een regelmatige tachtig. Hij schudde het hoofd.
“Ik weet het,” zei ik, “het heeft geen zin. Je maag is kapot. Alles is kapot. Je had al lang dood moeten zijn. Waarom doe je het niet, sterven?”
“Dat kan ik niet,” antwoordde hij.
“Je kunt het maar beter proberen,” zei ik. Hij bewoog het hoofd heftig heen en weer en deed met zijn wijs- en ringvinger iemand na die liep.
“Ik begrijp het,” zei ik, “zullen we dan maar?”

Daar gingen we. Zeker achteraf dringt zich de vergelijking op met de lamme en de blinde. Wie was wie? Vraagt u het me niet, want ik weet het niet. In 1916 had veel Bijbelse proporties, ook al wilden we dat juist niet zien, ook al geloofden we juist dat God ons in de steek had gelaten en het de Duivel was die vrij spel had. Misschien had Smith gelijk en was alles me gewoon teveel geworden.

Ik had hem in de vodden gestoken waaruit zijn uniform bestond en sleepte hem, zijn enige arm om mijn schouders, met me mee naar buiten. De gewonden die we passeerden, de verpleegsters, Smith en wat hospikken, zij allen keken het spektakel meewarig aan. Ik beet de tanden op elkaar en probeerde de stank niet te ruiken. Het was mijn heilige plicht om dit te doen. Er waren geen redenen voor. Niet in deze wereld.

Eenmaal buiten bevrijdde hij zich uit onze omhelzing. Ik kon mijn ogen niet geloven. Hij stond waarlijk op eigen benen. Nog één keer keek hij me kort aan en knikte. Misschien heb ik de blik heel even opzij of omhoog gewend. Het volgende moment had hij zich opgelost in de nacht. Er was juist een vuurwals gaande. Lichtspoormunitie schreef stippellijnen in de lucht en explosies lieten de aarde rillen.

Nu, tientallen jaren later, is het weer Kerstmis en twijfel ik aan mijn eigen herinneringen. Ik staar naar buiten terwijl de grote staartklok aan de muur mijn tijd op aarde weg tikt. Vanochtend vroeg lag er ineens een laagje sneeuw over de weiden, die de grazende paarden tot fabelwezens maakte omdat het leek of ze zweefden. Wellicht was het met hem net zoiets geweest. Iemand met zulke verwondingen hoort op slag dood te zijn. Had ik daadwerkelijk een engel ontmoet?

De oorlog zou nog twee jaar voortduren. Twee jaar waarin ik nog wel meer dingen heb gezien die een mens niet zou mogen zien. Ik heb het overleefd. Dankzij hem. Als ik, op een dag die niet eens zover meer weg is, mijn laatste adem uitblaas, zal ik met open armen op hem af stappen. Samen wandelen we dan de drempel over. Rechtop.

dinsdag, juni 01, 2010

Lenteherfst


Er is iets. Ik voel het zodra ik uit bed kom. Er gaat vandaag iets leuks gebeuren.
Maar wat? Vandaag kan helemaal niet leuk worden. Het is ineens herfst, middenin de lente. Bovendien moet ik mijn zoons naar mijn ex brengen, wat neerkomt op vijf-en-een-half uur reizen.

In de trein mopperen Sietse en Bart weer eens dat ik zover weg woon. De wolken kleuren het groen grijs, zie ik door het mitrailleurvuur van druppels heen Wat ben ik voor een vader die dit zijn kinderen aan doet, iedere twee weken? Ik steek het bekende verhaal af – dat ik waar ze wonen geen passend werk kon vinden, dat ik me er ongelukkig voelde. Het maakt geen indruk. Voorbij Eindhoven slaat de verveling om in geklier en moet ik een paar keer politieagent spelen, waar ik een bloedhekel aan heb. Ik begrijp werkelijk niet waar het gevoel vandaan komt dat er vandaag iets leuks te gebeuren staat.

Bij het afscheid, terwijl de regen ons om de oren slaat, komt mijn jongste zoon tot drie keer toe de auto uit om zich aan me vast te klampen. Hij wil dat ik meega. Tenslotte pelt mijn ex hem van me af.
'Ach, jochie,' stamel ik. Dan moet ik heel even heel hard op mijn tanden bijten. Zie je wel? Dit is een kutdag.

Op de terugweg begraaf ik me in het debuut van een vriendin. Het gaat over een mooie vrouw die pal voor haar bruiloft zo'n beetje de liefde van haar leven tegenkomt. Chicklit met een bite. Als die vriendin en ik elkaar spreken, hebben we het vaak over synchroniciteit en de gedachtenvelden van Rupert Sheldrake.
1 + 1 = 3. Zou dat het zijn, zou me een ontmoeting wachten?

De matrone die in Weert schuin tegenover me komt zitten, kan het onmogelijk zijn. Haar tenen lijken op knakworstjes met vuurrode nagellak op de stompjes. Telkens als ze gaat verzitten, laat ze het stof op de vloer met zo'n geweld knarsetanden dat ik opschrik uit mijn boek. Mijn kaartje wordt op de terugweg trouwens nog eens drie keer gecontroleerd. Er staan nu vijf fucking stempels op. Zelfs rustig lezen is me vandaag niet vergund.

Ja hoor, de bus naar huis is twee minuten geleden vertrokken. Met de zondagse dienstregeling betekent dat 28 minuten wachten op een winderig perron. Ik ga nu zelfs het begin van Studio Sport missen. Dat heb ik weer, denk ik huiverend. Er gaat helemaal niets leuks gebeuren vandaag. Sterker nog, deze dag gaat de geschiedenis in als één van de treurigste ooit.

Toch is het gevoel niet weg, eenmaal thuis. Alleen geloof ik er niet meer in. Ik registreer nog slechts. Hoe Basso de Giro wint, hoe fractieleiders alvast willen weten wie het eventueel met wie doet. De wereld is een schouwtoneel, schreef Vondel al, elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel. Niets kan mij nog raken.

Tot de klok tien voor twaalf slaat en het alsnog lente wordt, net zo plotseling als het vandaag ineens herfst was. Dankzij een klik. Uren later ga ik met een vette grijns naar bed. V-day, after all.

dinsdag, februari 09, 2010

Assepoets


'Tyfustering', zei de prins en spuugde op de grond - zo'n lekkere fluim, met net genoeg groen om het zaakje bij elkaar te houden. Wie verliet een houseparty nou zo vroeg? Kolere, een houseparty begon pas om middernacht! Hij keek naar de Nike in zijn rechterhand. Daar had haar voet in gezeten. Hij rook eraan. Tenenkaas, dat was alles wat nog aan haar herinnerde. Wat de fock moest hij nou? Hij keek op zijn Cartier. Eén over twaalf, give or take een paar seconden. Een uur geleden had hij haar voor het eerst gezien. Veiligheidsspeld door de neus, zwarte bliksemschichten rond de ogen, het haar paars en groen in een drietand gespoten. Niets bijzonders dus. Maar er was iets met dat mokkel. Wat? Wist hij het maar. Misschien waren het die X-Ray-ogen waarmee ze dwars door hem heen had gekeken. Zij had gezien wie hij was. Niet dat hij dat zelf wist, maar daar ging het niet om. Misschien waren het haar billen in de legging die ze eigenlijk niet had horen te dragen. Vet was ze geweest, vetgaaf.

De prins riep er een lakei bij. 'Hé dude, zie je deze schoen?' Hij moest het schreeuwen. Wat een takkenherrie. One of these days zette hij die discjockey tegen de muur. En die veejay meteen ook. Hij kreeg wat van die oogbollen die hem van overal aanstaarden. Alsof hij wat van ze aan had of zo. De lakei knikte. 'Ik wil wat erin zat, weet je wel.' Op het voorhoofd tegenover hem ontstond een groef. Net de focking Grand Canyon. Had hij daar niet ooit herten voor hun raap geschoten? Of was hij in de war met die olifanten in - hoe heette dat gat - Maleisië? Deed er niet toe.
'Nou?' probeerde de prins. 'Hef-tig', zei de lakei. Nou, die kon dus ook mooi naar zijn VUT fluiten. Te lui om voor de duvel te dansen, dat personeel van tegenwoordig. 'Waar wacht je nog op, eikel?! Hakken tegen elkaar, rechtsomkeert en zoeken met die hap!'
Intussen was de prins ongemerkt met de Nike het hoofd van de lakei aan het bewerken. Van de RVD moest hij voor dat soort geintjes nog eens in therapie. Ze konden hem nog meer vertellen. Dit was zijn koninkrijk, hij deed met zijn onderdanen wat hij wilde. Ze waren er voor zijn lol, niet te vergeten.
'Oké, oké, maak je niet druk, man', steunde de lakei. 'Maar heb je enig idee hoeveel van die wijven op zulke stappers rondlopen?'
'Dat kan me geen flikker schelen', brieste de prins. 'Al zijn het er een miljoen, weet je wel. Zorg dat je d'r vindt. Hup, hup, hup. Action!'

De volgende dag - hij had een koppijn van hier tot Tokio - werd hij al op het matje geroepen. Zo'n gladjanus zei tegen hem dat hij wat minder impulsief te werk moest gaan bij het vinden van 'een geschikte partner voor in het huwelijksbootje'. De prins ging bijna compleet, maar dan ook compleet over zijn nek. 'Wat een gezeik. Ik wil wippen, man! Stevig van bil, weet je wel?' Hij deed het even voor ook, pakte een denkbeeldige struise blonde bij haar middel en ramde hem zo'n twintig centimeter in het weke vlees. Dat zou die bitch leren.
Gladjanus had een ander idee. Zijne Majesteit kon beter zelf het land in trekken. Mooi uit oogpunt van PR of zoiets. 'Cool', zei de prins. Hij had toch geen reet te doen.

Zo gezegd, zo gedaan. De RVD gooide er een campagne tegenaan van heb-ik-jou-daar. Holy smoke, ze wilden hem wel heel erg graag onder de pannen hebben, zeg. De Nike in kwestie hing op iedere abri van het land. Het hele focking STER-blok was één grote Nike-spot. Ze zetten zelfs een luchtballon in met de vorm van een sportschoen. Daaruit werden dan zakjes bruidsuiker gegooid naar de aanvankelijk nog nietsvermoedende burgers. Een paar hadden natuurlijk weer geen helm op en moesten met bebloede koppen naar het ziekenhuis. Daar kwamen dus Kamervragen van. Gaf niet, vond Gladjanus. Allemaal frie publiecietie. Nog nooit had de prins zo vaak de schouders opgehaald. Hij kreeg er warempel kramp van. Dat was nog niet het ergste. Want op een dag reed er zo'n flitsende cabrio voor en moest hij daadwerkelijk instappen.
'Mag ik niet op de motor?' kreunde hij.
'U weet best dat uw rijbewijs u ontnomen is, sinds eh...', zei Gladjanus vanaf de achterbank, daar waar eigenlijk een lekker wijf met dito tieten hoorde te zitten. 'Bejaarden genoeg', mompelde de prins die liever niet aan zijn aanrijding met een rolstoel herinnerd wilde worden, al had het bewuste besje nog een alleszins fraaie salto gemaakt voor ze op het wegdek te pletter stortte.

Het doorknippen van lintjes was by far opwindender dan wat hij nu moest doen. Alleen de eerste dag al schoof hij de Nike om 1.435 stinkende, walmende, meurende poten waarvan de meeste nog roodgelakt waren ook. Als hij ergens een hekel aan had, dan was het wel rode nagellak. Volgens zijn therapeut omdat blauw bloed van nature anticommunistisch was. Onzin, hij hield gewoon van puur natuur, weet je wel.
's Avonds was hij bekaf. Zoiets als na een avondje stappen maar dan echt.
'Kijk dan, ik ga dood, man!' Gladjanus was niet onder de indruk. 'Het gaat fantastisch, Majesteit. SBS6 zendt het laif uit en ook de andere netten zitten er bovenop. Praim taim! De kijkcijfers schieten door het plafond. Zijne Majesteit is nog nooit zo populair geweest!'
'Populair, my ass', zuchtte de prins. 'Ik heb vandaag alleen maar doorzonwoningen gezien. Dat ze daarin willen wonen, trouwens. Mijn konijnen leven nog beter, tenminste, als ik ze zou hebben. Ze was een punker, man. Hoe vaak moet ik dat nog zeggen? We zoeken op de verkeerde plaatsen. Kraakpanden, die moeten we hebben!'
'Ik verzeker u dat we haar zullen vinden, Majesteit', zei Gladjanus.

Ze vonden haar niet, niet de volgende dag en ook niet de dag daarop. Tegen die tijd had de prins schaapachtig glimlachend bedacht dat hij voor het eerst in zijn leven aan het werk was en meteen spijt gehad als haren op zijn hoofd dat hij die no good-Nike niet meteen had weggesodemieterd. Werken? Dat deed het klootjesvolk om met belastingcentjes in zijn levensonderhoud te voorzien terwijl ze hem er nog dankbaar voor waren ook. Nee, de prins wist het zeker, hij was in de hel beland.

'Zullen we vandaag eens stout doen?' vroeg Gladjanus. Hij lachte zoals de prins Hannibal Lecter had zien doen in de film 'The silence of the lambs'. Die had hij moeten zien in de tijd dat de Oranjemafia nog dacht dat hem cultuur kon worden bijgebracht. De prins was moe. Doodmoe. Toch waren het niet zozeer de prins' gedachten als wel zijn reflexen die ervoor zorgden dat hij als bij toverslag nog meer aan de zwaartekracht toegaf en bijna in de lederen bekleding verdween.

Reden ze daar door een met lindebomen omzoomde laan, kreeg de cabriolet een klapband, hetgeen volgens de fabrikant niet meer dan eens in de 1.067.988 kilometer hoorde te gebeuren (alsof iemand ooit zo lang in die kutauto's bleef rijden!). What the heck? Het gebeurde gewoon. De schrijver wilde het en naar diens pijpen hebben lezers uit de aard der zaak te dansen. So be it, soit, het zij zo.

Pang! De prins keek er niet eens van op. Hij dacht namelijk aan Chianti met mensenlever. Maar Gladjanus had zich, vanaf zijn positie op de achterbank langs de anoniem te blijven chauffeur tussen het rem- en het gaspedaal weten te wringen. Exact 13,72 meter verder kwamen ze tegen de stoeprand tot stilstand.

Als uit een droom ontwakend, keek de prins op. Hij wist sinds heel, heel kort dat hij in werkelijkheid kannibaal was. Stond daar... dat. Een ander aanwijzend voornaamwoord was er niet voor. Het was blond. Daar was alles mee gezegd. Een matras waaruit wat stro stak. En ze had die ene Nike aan. De andere voet was bloot, ontstellend bloot, zo'n bloot waarvan je, als je vrouw erbij is, vlug wegzapt. Ze stak die blote, die ontstellend blote voet uitnodigend uit. Wiebelende tenen. Vijf dansende worstjes. Vuurrood gelakte nagels. Ko - ontzettend - lere, ty - verschrikkelijk – fus, dat ontbrak er nog maar aan.
'Maxima', hijgde ze. De prins verstond het verkeerd. Hij dacht dat hij niet verder in de problemen kon raken... en hij had gelijk. 'Een teef in een mantelpak!' schreeuwde hij. Om zijn lippen verscheen schuim.

Het laatste dat de 5,6 miljoen kijkers vernamen die op de bewuste avond hadden afgestemd op het programma 'De Droom van de Kroon', vlak voor de uitzending om zogenaamd technische redenen abrupt werd onderbroken, was een langgerekt 'nee!' De RVD zou desgevraagd beweren dat de stem toebehoorde aan een overspannen medewerker die, de oplettende lezer raadt het al, niemand minder was dan Gladjanus. Maar wij weten beter. Dit is immers een sprookje. Zij leefden dus nog lang en gekunsteld, sorry, gelukkig.

vrijdag, januari 29, 2010

Writer's block


Als biddende roofvogels zweven mijn vingers boven het toetsenbord. Mijn hoofd is een spinnenweb. Overal kleverige verbindingen waartussen vonken springen. Chemie, kettingreacties. Iedere gedachte ontpopt zich als een andere. Bij tientallen dienen ze zich aan, schreeuwen schril om voorrang. Ik sluit de ogen terwijl ik al niets zag, probeer me te concentreren. Structuur, ik moet er structuur in aanbrengen. Blijft de vraag in wat. Het nog niet geschreven verhaal, waar is het dan? Ik zucht. Het witte beeldscherm is een poolvlakte. De cursor wenkt uitdagend. Zal ik? Amundsen, waan ik me. Schrijven is een expeditie door het ongerepte. Helaas is de uitrusting zoek. Er is slechts taal.

Ik leun achterover, draai een sigaret, tuur naar die witte einder, denk aan een gedicht van Bernlef. ‘Duizend dorre herfstbladeren voor mijn deur brengen mij op geen enkele gedachte.’ Bernlef is een leugenaar. Want hij vertrouwde die zin toch mooi aan het papier toe. Ik ben nog niet zover. Het verhaal wil nog niet komen. Ik weet niet waar ik het moet zoeken. Pythia. In de Oudheid gingen ze met hun snufferd boven een spleet hangen en snoven giftige dampen in. Vanzelf volgde wartaal die door tolken in verstaanbaar Grieks werd vertaald. Ik moet het, vrees ik, met de sigaret doen die ik net heb aangestoken. Ook giftig, maar niet zo inspirerend.

Waarom wanhopen? Het is eerder gebeurd. Hoe vaak heb ik niet zo voor het beeldscherm gezeten, haast apathisch starend naar die beledigende leegte? Ineens kwam het dan. Mitrailleursalvo’s van het toetsenbord. De verwondering daarna. De blik op het horloge. Was er werkelijk zoveel tijd verstreken? Schrijven, bedacht ik dan, stelt niets voor. Je opent een ader. Meer niet. Maar hier, nu, wil het niet. Geen inspiratie die volgens sommigen transpiratie is. Of zou moeten zijn. Ik draai nog maar een sigaret en ontdek dat er nog één in de asbak ligt te branden. Zielig. Wat ik aan het doen ben, is hoogstens goed voor de tabaksindustrie. Bah. Waarom komt er nou niets?

Ik fluit tussen de tanden. Tenminste iets geproduceerd. Een geluidje. Nee, dames en heren, daar moeten we niet te licht over denken, over zo’n geluidje. Want de volgende stap is een woord. En als je die aaneenrijgt, nou dan is het spel op de wagen, hoor! Voor je het weet heb je een verhaal. Tenminste, als het meezit. Ik blaas rook tegen het lege beeldscherm. Lekker puh.

Shit, driewerf shit. Ik sta op, ga voor het raam staan. Ik zie bomen hun kale armen als in wanhoop naar de grijze hemel uitstrekken. In de negentiende eeuw had ik kunnen volstaan met een naturalistische beschrijving van dit uitzicht. Ik zou kunnen schetsen welk een dans de wind met de takken danst. Een wals, nee toch een tango. Lof zou in de rederijkerskamer mijn deel zijn. In de 21-ste eeuw kan ik daarmee niet meer aankomen. Iedereen weet inmiddels hoe een boom eruit ziet. Nogmaals lopen mijn longen vanzelf leeg. Zo kom ik niet verder. Ik ga me weer voor het beeldscherm zitten vervelen. Ledigheid is des duivels oorkussen, wat u zegt. Ik haal diep adem en rek me uit. Het volgende moment typ ik het. Zomaar. Als biddende roofvogels zweven mijn vingers boven het toetsenbord.

dinsdag, januari 19, 2010

Sjalom, Insj'Allah


De vraag was niet of.
De vraag was waar.

Hoeveel haltes nog?
Als het gebeurde, als hij aan het touwtje trok dat het bovenste kootje van zijn wijsvinger al minutenlang omwikkelde, was dat het laatste dat hij zou doen. Dan zou er een flits zijn, wie weet zelfs een vleugje geur van kruit en een fractie pijn. Misschien zou hij de knal nog horen, misschien ook niet. Als hij aan het koordje trok dat inmiddels het puntje van zijn wijsvinger afbond, stierf hij. Als hij deed wat Allah van hem verlangde, werd hij martelaar. Hij ademde in, voelde zijn borst zwellen ondanks het korset van explosieven. Hij was uitverkoren.
Een knik van de immam in zijn richting, meer niet. Hij had geknield. Hiervoor had hij geleefd. Er zwol een zon in hem, een grotere dankbaarheid had hij nooit gevoeld. Hij herinnerde zich het gezang daarna, het ritmisch klappen van de handen, de kreten. ‘Allah is groot!’ Zijn kameraden die hem zoenden, op zijn schouders sloegen. De tranen in hun ogen. Zijn portret zou eeuwig de wanden sieren in de Gaza-strook.

In haar gromt de dieselmotor als een storm die alleen wordt onderbroken wanneer de chauffeur schakelt en de bus tandenknarsend rilt. Het is warm. Het is altijd warm in Tel Aviv. Alleen in de bus wringt de hitte zich als een slang om haar hals. De ramen staan open. Maar de tocht hijgt haar in de nek, kruipt onder haar kleren en dringt tot in haar poriën door, net zoals de bus zich door het drukke verkeer op de Ibn Gvirol wurmt. Ze probeert naar buiten te kijken. Ze ziet een etalage van een kledingwinkel voorbijglijden. Poppen, dode poppen.
Au! Iemand botst met zijn heup tegen de hare. Ze werpt een boze blik opzij. Niemand ziet het haar doen. Of wacht, er is een Palestijn die naar haar staart. De wegen zijn hobbelig. Waarom zet niet iedereen zich schrap, zoals zij? Ze haat haar medepassagiers. Ze staan te dichtbij. Ze stinken naar zweet. Ze haat alle mensen in de bus. Hoe meer er zijn, des te groter het risico.
Hoeveel haltes nog?

Hij keek om zich heen. Het was spitsuur, de bus was vol. Mooi. Hij zou wereldnieuws zijn. Thuis zouden honderden mensen zijn portret door de buurt dragen. Er zou met de Palestijnse vlag worden gezwaaid. De vrouwen zouden joelen, terwijl zijn kameraden met hun wapens in de lucht vuurden.

De vraag was niet of.
De vraag was wanneer.


Nog drie haltes. Dan zou de bus stoppen bij het kruispunt van de Ibn Gvirol en de Arlozorov, de drukste verkeersaders van Tel Aviv. Nog meer passagiers. Volle perrons. Nog drie haltes. Dan zou hij het doen.

Nog twee haltes. Ze kijkt naar de grond. Sigarettenpeuken, waarin je soms de filters kunt herkennen. Zandkorrels die omhoog springen als de bus over een hobbel rijdt. Ze wil dat de tijd sneller gaat. Ze wil nu uitstappen en de tweehonderd meter lopen die haar van het veilige huis scheiden. Ze zucht en laat haar blik weer dwalen. Die Palestijn kijkt nog steeds naar haar. Viezerik. Alle Palestijnen zijn viezeriken. Hoewel, niet als ze er één oog in oog spreekt. Maar als volk zijn ze niet te vertrouwen. Ze laten bommen ontploffen in volle bussen. Tussen de bovenlijven van de anderen door vangt ze een glimp op van het Yitzak Rabin-plein. Ze heeft op hem gestemd. Rabin is vermoord. Een orthodoxe Christen verloor zijn hersens. Ze weet niet hoe het verder moet met Israël. Het is te ingewikkeld, de haat te groot. Vrede? Onmogelijk. Sjalom? Alleen door een wonder.

Twee te gaan. Hij had al een tijd naar haar gekeken. Toch zag hij haar voor het eerst. Ze was mooi. Ze zou er zeker aan gaan. Niet erg. Ze was mooi, maar Joods. Joden hadden hun geboortegrond ingepikt. Joden sloopten hun huizen met bulldozers. Joden zeiden dat ze vrede wilden. Maar als Palestijnen naar hun werk wilden, werden ze aangehouden. Alles werd gecontroleerd en doorzocht zodat ze te laat kwamen en ontslagen werden. Joden waren leugenaars. Ze praatten over Sjalom, maar lanceerden lasergestuurde raketten. Joden waren monsters.

De vraag was niet of.
De vraag was waar.


Hoeveel haltes nog? Eén. Die Palestijn blijft naar haar kijken. Ze gebruiken vaak zelfmoordenaars. Mensen die zichzelf opblazen. Ze zijn gek. Hoever moet je komen om te geloven dat je als martelaar sterft? Dat je dood iets uithaalt? Dat je niet inziet dat je dood alleen maar olie op het vuur is? Ze hoort ze: het huilen van de sirenes, de jammerklachten van gewonden. Ze ziet ze: de beelden van ledematen die onder een jas uitsteken, het bloed dat zwart over het asfalt meandert. Ze kijkt naar de Palestijn. Ze weet het. Zomaar. Ineens. Hier is ze al jaren bang voor. Het is niet zoals ze altijd gedacht heeft. Ze voelt een kalmte die ze niet kent. Ze ademt diep in en uit. Vreemd, ze heeft het niet warm meer. Ze priemt haar ogen in de zijne.

De Jodin keek naar hem zoals zijn moeder wel eens naar hem keek: alsof ze zijn gedachten kon lezen. De jodin zag de angst in zijn ogen die hij ook in de hare herkende. Hoe lang nog? Het gebrom van de motor, het gefladder van een krant die iemand las, stemmen, ze werden een draaikolk. Hoe lang nog? Zijn oksels waren klam, zweetdruppels beten in zijn ogen, zijn hart klopte in de keel. Hoe lang nog? Misschien was zojuist de laatste minuut van zijn leven ingegaan. Alles wat hij zag, hoorde, rook en voelde zou ophouden. De gedachte was absurd. Hij sloeg de ogen neer, dacht aan zijn plicht. Zijn wijsvinger voelde al dood.

Zoals hij daar staat, de ogen als beschaamd op de grond gericht. Zweetdruppels op zijn voorhoofd. Het tegendeel van een held. Een menselijk wezen, iel, fragiel, dat op het punt staat zelfmoord te plegen en zoveel mogelijk anderen in zijn dood mee te slepen. Hij moet haar aankijken. Ze wil weten wat hem bezielt.

Haar ogen waren magneten. Hij kende de instructies: vermijd oogcontact, praat met niemand, het zijn Joden, vergeet dat niet!
Zij was anders.
Hij klemde de kiezen op elkaar. De vraag was niet of. De vraag was wanneer. De bus trok op. Een schokje ging door de passagiers telkens als de chauffeur schakelde. Als kegels veerden ze terug. Wat hij ging doen, was voorbestemd. Hoe kon hij trouwens de anderen onder ogen komen als hij faalde? Hij kon zeggen dat het mechanisme niet werkte, maar wie zou hem geloven?

Misschien heeft ze zich het gevaar verbeeld. Nog een paar honderd meter en dan mag ze eruit. Toch is er iets met hem. Hij kijkt naar haar zoals een ondeugende zoon naar zijn moeder. Hij kijkt dapper terug, maar zijn ogen bekennen de leugen die hij met zijn mond ontkent. Fatalisme, dat is het. Als hij echt gelooft dat zijn dood, vandaag, in deze bus, in de sterren geschreven staat, zal er een bloedbad volgen. De gedachte laat haar vreemd koud. Ze kijkt de Palestijn aan. Hij heeft mooie, donkere ogen. Ze glimlacht. Het gebeurt vanzelf.

Hij voelde hoe hij bloosde. De chauffeur schakelde terug, de bus minderde vaart. Seconden voor zijn dood lachte een vrouw naar hem. Wat wilde Allah daarmee zeggen, dat het goed was? Bij de les blijven, dacht hij. Hij moest het doen als de bus bijna stilstond, wanneer de deuren al open zwaaiden, op het moment dat de nieuwe passagiers zich op de perrons verdrongen. Die ogen. Ze bleven hem aankijken. Zijn mondhoeken gingen omhoog. Hij kon er niets aan doen.

Hij lacht terug, ziet ze. Hij ziet er leuk uit zo. Jongensachtig verlegen. Een mens van vlees en bloed die denkt dat hij een pion is op Allah’s schaakbord. Een serie schokjes gaat door de passagiers. De bus staat bijna stil. Buiten vormen de hoofden op het perron een branding. Nu of nooit. Ze spreekt het woord.

Ze liet hem kort haar lange wimpers zien. Ze leek iets te zeggen. Hij haalde de wenkbrauwen op. Toen zag hij wat ze bedoelde. ‘Sjalom,’ las hij op haar lippen. Langzaam tilde hij zijn kin op.

Hij begrijpt de boodschap, want hij knikt. Verdriet trekt als een wolk over zijn gezicht. Hij maakt een hulpeloos gebaar met één arm. De andere is half verdwenen onder zijn burnous. Toe, kijk weer naar me, denkt ze.

Hij keek haar opnieuw aan. ‘Vrede,’ las hij nog eens.
Nu of nooit.
‘Insj’Allah,’ prevelde hij.

‘Zo God het wil,’ beaamt ze, haalt adem en sluit de ogen.

De vraag was niet waar.
De vraag was niet wanneer.
De vraag is of.

zaterdag, januari 16, 2010

Het fluisterduister


Waarschuwing: deze tekst is niet geschikt voor jonge lezers.


Nog één scène te gaan. Een anale. Hoever is Dick? Nog steeds aan de voorbereiding bezig. Hij zit met een rood hoofd aan zijn lul te trekken. Geen resultaat tot zover. Nu ja, het is ook nog maar een half uur geleden dat hij in mijn gezicht ejaculeerde. Verlekkerd heb ik zijn imposante geval schoon gelikt. Ik hoefde niet eens te acteren. Pijpen. Dat is mijn handelsmerk. Heerlijk om al die energie in zo’n mannenlijf in me op te zuigen. Toch baal ik nu. Het duurt te lang. Dick wordt ervoor betaald om tenminste tweemaal per dag zijn ding te doen. Het is allemaal een kwestie van concentratie. Werk. Niets meer, niets minder. Leuk werk, daar niet van. Lekker vooral. God, ik lust wel pap van seks.

Het fluisterduister was begonnen. Zo noemde haar vader het als iedereen naar bed was. Het was niet iedere avond zo. Het gebeurde pas als haar vader de badkamer in was gekomen, juist als zij aan het douchen was. Hij zocht dan iets. Een toiletrol, wat ook. Maar zij wist de werkelijke reden. Ze was zijn prinsesje. Met de ogen dicht voelde ze hoe zijn ogen haar lichaam aftastten, net als de spons waarmee zij over haar venusheuvel voelde.

Of ik Dick niet een beetje wil helpen, vraagt de regisseur. Dank je de koekkoek! Voor het oog van de camera doe ik alles, laat ik me, als het scenario dat voorschrijft, desnoods door drie man tegelijk neuken. Maar daarbuiten ben ik van mezelf en doe ik wat ik wil. Het is maar dat u het weet. Laat die preutse scriptgirl die de hele tijd met zo’n gezicht rondloopt van ‘hier hoor ik niet bij’, maar hand- en spandiensten verlenen. Ik ben hier verdomme de diva. Laten we dat even niet vergeten. Voor je het weet denkt iedereen dat-ie zijn pik in mij mag steken. Die geluidsman bijvoorbeeld. Al sinds het begin van de opnamen klakt-ie met zijn tong, telkens als we elkaar toevallig passeren. Nou, vergeet het maar, jongen, deze dame is een dame, ook al zegt de hele wereld dat ik een exhibitionistische slet ben. Hypocriete zooi. Eergisteren was hier nog zo’n team van een commerciële zender. Onder het mom van een documentaire even uitgebreid in mijn kruis loeren. Spread eagle. Ik draai er mijn hand niet voor om. Waarom ik doe wat ik doe, vroeg de zogenaamde journalist met een blos van oor tot oor. Ik liet hem mijn borsten zien die ik onlangs nog à raison van twintig ruggen heb laten liften. 'Omdat dit de mooiste tieten zijn van het westelijk halfrond,' zei ik, 'omdat alle mannen, als ze eerlijk zouden zijn, niets liever zouden willen dan deze twee memmen op en neer te zien gaan, terwijl ik ze naar de hemel neuk.' Dat knippen ze er vast uit. Te provocerend. Te waar.

Ze lag op bed, de lakens opgetrokken tot de kin. Haar hart klopte al in haar keel. In de slaapkamer van haar ouders was het na het gebruikelijke gestommel stil geworden. Ze trok haar slipje alvast uit. Ze was al nat. Haar vingers gingen vanzelf naar beneden.

Met mijn wijsvinger masseer ik mijn anus. Van tevoren heb ik er op het toilet met een pergulator alvast glijmiddel in gespoten. Dan gaat het gemakkelijker dadelijk. Als ik zo naar Dick kijk, houdt hij het kunstje niet lang vol. Nog steeds is hij bezig zijn zaak in de steigers te zetten. Niets moois aan hem, zo met die verbeten trek om zijn lippen. Daarnet, met die tandpastagrijns, al zijn spieren gespannen als kabels, dat had wel wat. Nu is hij een ballon. Misschien, als ik zijn indrukwekkende eikel eraf bijt, dat de lucht er zo uitloopt. En dat staat dan als ‘lustmachine’ op de posters. Intussen blijft het hier een chaos. Mensen - waarom toch zoveel? - lopen onduidelijke dingen te doen met kabels en lampen. En altijd wel weer een scheldpartij. Ergens. Dat de catering niet deugt. Dat het script kloten is. Dat iemand een kop koffie omver heeft gelopen. Afijn. Het zal mijn tijd wel duren. Ik ben er klaar voor.

Hoorde zij daar een deur piepen? Nee. Misschien was het haar adem wel. Ze hijgde. Ze moest oppassen. Ze wilde niet in slaap vallen. Ze wilde wakker zijn als het gebeurde. Als ze sliep, was het zo plotseling.

Dick heeft eindelijk iets wat op een erectie lijkt. Hij blijft aan zijn kapitaalgoed frunniken als we onze posities innemen. Het is de bedoeling dat ik schrijlings op hem ga zitten, zodat mijn borsten goed in beeld komen. Het gaat niet van een leien dakje. Ik moet al mijn charmes in de strijd zetten. De camera focust gelukkig op mijn gezicht, zodat het gestuntel daar beneden de toeschouwers bespaard blijft. Ik laat mijn tong over mijn lippen gaan. Een slang op zoek naar prooi. Dat doet het altijd goed. Hè, hè. Hij zit erin. Ik begin te rijen. Calamity Jane op een paard. We hebben afgesproken dat hij me een teken geeft als hij bijna zover is. Klaarkomen van mannen is een risico. We krijgen geen kans het opnieuw te doen. Over het geluid hoeven we ons geen zorgen te maken. Dat wordt later ingedubt.

Ze hield de adem in. Kraken. Gedempte voetstappen. Het kon ook haar moeder zijn die naar het toilet moest. Nee, de slaapkamerdeur zwaaide open. Een reepje licht. Haar vader. Op zijn tenen. Ze kon zijn gezicht niet zien. Een schim. Even, heel even was ze bang. Toen tilde hij het laken op en gleed hij naast haar in bed.
'Je wilt toch dat papa je lief vindt?'
Die zachte stem. Ze voelde hoe ze open ging.


'Nog een beetje,' hijgt Dick. 'Jaaaa, goed zo.' Dit is waar het genot overgaat in routine. Ik let meer op hem dan op mezelf. Niettemin fake ik mijn derde orgasme die dag. Het werkt. Dick duwt me van hem af. 'Cut!' roept de regisseur.

Doodstil. Ogen dicht. Zijn vingers streelden haar buik. Ze moesten zich haasten. Niemand mocht dit merken. Dit was hun geheim.
'Opschieten, pap,' bibberde haar stem.


'Roll it!' Op zijn hondjes. Eén van mijn favoriete standjes. Als Dick me binnendringt, voel ik een pijnscheut. Pijn is fijn. 'Ja, dieper!' hoor ik mezelf smeken. 'Neuk me, neuk me hard!' Ik meen het. Ik wil dat hij me open rijt.

Dat grommen. Vlak voor haar buik nat werd. Dat vond ze eng. Daarvoor voelde het zware hijgende lijf dat ritmisch in haar bewoog, als een deken. Hij zou haar beschermen. Hij zou de enige zijn die echt van haar hield. Dichtbij, o, wat was hij heerlijk dichtbij zo.

Shit. Alweer voorbij. Zuchtend en steunend komt Dick klaar. Ik voel iets op mijn rug druppelen. Het is maar heel even warm. Dan is het koud, ijskoud.
'Goed zo?' vraag ik de regisseur. Ik draai het hoofd en kijk recht in de lens. Een rood lampje. We draaien nog steeds. Snel sla ik een handdoek om me heen. 'Zet dat godverdomde kolereding uit!'

maandag, januari 11, 2010

Strandbloempje


Ze ziet hem. Hij haar niet.
Dat is niet erg. Alles liever dan gezien worden.

Ze heeft haar armen om de knieën geslagen. Zo blijft haar bovenstukje verborgen. Dit jaar draagt ze het voor het eerst. Niet dat er veel te verbergen valt. Ze zou wel willen wegzinken in het Donald Duck-strandlaken dat ineens veel te kinderachtig is.

Als hij achter de bal aan rent, stuift er zand op, zodat het lijkt alsof hij op wolken loopt. De manier waarop zijn spieren zich spannen, doet iets met haar buik. Een honger die ze niet begrijpt. Zouden die meiden dat nou ook hebben? Ze pakken de bal af, lopen treiterend heupwiegend weg, zetten een sprint in als hij ze eindelijk achterna komt, gillen ‘neeee’, maar bedoelen ja. Dat aanstellen. Ze haat het. En hij? Hij lacht zijn witte tanden bloot en houdt de veroverde bal hoog, zoals ze wel eens een voetballer op tv heeft zien doen.

Nu is hij vlakbij. Ze houdt de adem in, gluurt door haar wimpers. Hij draait zich alweer om. Gelukkig. Zijn bezwete lijf. Een rilling gaat over haar ruggengraat naar beneden, ver naar beneden. Ze is al twee keer ongesteld geweest. Dit is anders. Dit is nieuw.

Ze leest wat in het boekje dat ze van haar moeder heeft geleend. ‘Als hartstocht bloeit’. Op de omslag kijken een vrouw en een man elkaar diep in de ogen.

Hij. Zij. Met haar ogen dicht ziet ze hoe hij haar herkent. Hij zou haar ontvoeren naar een verlaten bocht. Hij zou haar neerleggen in de schaduw van een palmboom. En dan? Hij zou het haar vertellen, met zijn ogen, in het licht van de ondergaande zon.

De bal schampt haar. ‘Au!’ roept ze. Het boekje is uit haar handen gevallen. Ze wil het oprapen als er een schaduw op valt. Ze kijkt op. De zon tovert een aureool om de vorm.
‘Heb je je pijn gedaan?’
Hij is het en hij praat tegen haar. Op de achtergrond zijn de meiden stil gevallen, wachten met de handen in de zij af.
‘Gaat wel,’ stottert ze.
Hij doet een stap opzij. Nu kan ze zijn gezicht beter zien. Zwarte krulletjes. Guitige bruine ogen. Zweetdruppeltjes. Hij lacht naar haar. Geen gemene lach, zoals die van de jongens op school. Ze heeft ineens overal kippenvel.
‘Hoe heet je?’
Hij vraagt haar iets! Ze giechelt. Ze kan er niets aan doen.
‘Hoe heet je?’
Nog eens. Hij knielt neer, zoekt haar ogen. Ze moet wegkijken. Ze moet zich nog kleiner maken, omklemt haar knieën alsof haar leven ervan afhangt.
‘Veronica,’ zegt ze tegen het zand.
‘Da’s een prachtige naam,’ zegt hij. ‘Sorry, Veronica, ik zal het nooit meer doen.’
Voorzichtig tilt ze haar gezicht op. Weer die lach. Naar haar.
‘Dag Veronica.’
Hij staat op. Ze ziet hoe zijn kuitspieren zich spannen.
‘Dag,’ zegt ze.
Ze is nog nooit zo gelukkig geweest.

dinsdag, januari 05, 2010

Handel


Hij zei dat je wakker blijft als je verhalen vertelt. Het is je fantasie die je op de been houdt. Dingen die je verzint, dingen die niet echt zijn, helpen je de werkelijkheid te doorstaan. Dat zei Sergei Lobanowsky. Hij en ik vertelden elkaar verhalen, die nacht op het Ladogameer. Ik heb ze onthouden. Niet omdat ik tien keer bijna stierf, toen en daar. Die nacht is met een gekarteld mes in mijn geheugen gegrift omdat ik me sindsdien afvraag of mensen, om niet te sterven, dingen doen die nog erger zijn dan sterven.

Ik zat aan het stuur, dat weet ik nog. Ik had een stok tussen de stoel en het gaspedaal geklemd. Ik had geen gevoel meer in mijn rechtervoet. De poolwind sneed dwars door de cabine heen. Ik droeg twee truien, een muts, handschoenen en meerdere paren sokken. Het voelde desondanks alsof ik naakt was. Sergei was er ook niet al te best aan toe. Hij kon zijn vingertoppen niet meer bewegen, klaagde hij. Op mijn horloge kijken was onmogelijk. Ik had mijn beide handen nodig om te sturen en te schakelen. Het had al een ochtend, een middag en een avond geduurd. Inmiddels was het nacht. Twintig uur, schatte ik. Minstens. Zelfs wisselen van stoel deden we rijdend - we waren telkens een knoop van ledematen, die minder komisch werd naarmate het duurde. Als we moesten piesen, deden we dat uit het raam en grapten minder en minder over bevroren ballen. Twee keer waren we gestopt. Om de benzine bij te vullen. De lege blikken lieten we liggen. Zo was de route gemarkeerd: met lege benzineblikken. Soms, als het bewolkt was en de bommenwerpers niet konden vliegen, werden ze aangestoken en reden we door een oranje mist. Tenminste wist je dan dat er ijs was, daar waar je de vuren zag branden. IJs, geen wak, waarin een vrachtwagen kon verdwijnen, in een paar tellen maar. Je zag nog wat luchtbellen. Dat was dat. Er kwam nooit meer iemand boven. Afgezien van de twee pauzes, had het brommen van de motor constant geklonken. Er rammelde van alles. Het staal vibreerde, zodat zelfs onze stemmen, hoe hard we ook schreeuwden, merkwaardig trilden - en schreeuwen moesten we om elkaar te kunnen verstaan.
Hij had zich naar mij toe gebogen, was vlakbij. Te vlakbij. Onwillekeurig spande ik de spieren in mijn bovenbenen. ‘Op de terugweg,’ hijgde Sergei, ‘nemen we iets mee.’
Ik knikte. Sergei had dat elk van de zes keren gezegd dat wij het tochtje naar Leningrad hadden gemaakt. Ik keek nergens meer van op.
‘Iets speciaals!’ Zijn adem plakte vochtig op mijn oor en leek daarna al bevroren.
Iets speciaals? Dat was nieuw. Ik zocht zijn gezicht. Hij vermeed mijn ogen, liet zich zakken op zijn stoel en keek naar de voorruit die haast niets anders prijs gaf dan glas. We reden praktisch blind. De koplampen moesten uit. Roken was verboden. De Duitse piloten konden ons ruiken. Af en toe zag ik de vage contouren van onze voorganger. Dan wist ik dat ik goed zat. Verder vertrouwde ik op het kompas. Daar en toen was die gedachte er voor het eerst: er klopt iets niet. Sergei was anders. Er was dat trekje bij zijn linkermondhoek, dat ik nog niet had gezien. Ondanks de kou meende ik minuscule zweetdruppels aan zijn snorharen te zien kleven, als dauw aan gras.
‘Wat is het dit keer,’ schreeuwde ik, ‘schilderijen, goud, zilver?’ Ik probeerde erbij te lachen. Ik kon niet wat Sergei deed. Maar ik deelde in de winst. Ik was medeplichtig, bij voorbaat. Het schuldgevoel was een steen die ik had ingeslikt. Toch deed ik alsof niets aan de hand was. Ik weet niet waarom. Misschien had ik een voorgevoel, wilde ik alles bij het oude houden.
Hij keek een moment door de zijruit, zwaaide zijn gezicht toen in mijn richting. Het onweerde in zijn ogen.
‘Juwelen!’ riep hij en lachte die lach die ik nooit zal vergeten, omdat die lach overging in het geronk van de duikbommenwerpers. Ik herinner me nog dat ik het gedacht heb, vlak voor er slechts angst was: hij bedoelt iets anders, de schoft bedoelt iets anders. Wat is erger dan jatten, van mensen die hun huizen hebben verlaten om te overleven, wat kan er erger zijn?

Ik heb mijn voet al van het gaspedaal af, voel aan de rem. Uit het niets steekt een lichtstraal via mijn ogen een mes diep in mijn hoofd. Voor me zie ik een andere bundel naderen, sneller dan mogelijk is. Terwijl het lijkt alsof de motor de laatste adem uitblaast, klinkt het fluiten steeds luider.
‘Eruit!!’ roep ik, zo hard dat ik voor het eerst in mijn leven voel dat mijn keel een binnenkant heeft.

We zaten uit te hijgen. Het was opnieuw donker. Onze vrachtwagen was brandend en met een sissen als van duizend slangen door het Ladogameer opgeslokt. Het konvooi was doorgereden. Zo waren de regels. Je stopte voor niets en niemand. Het was stil, zo stil dat we de vliegtuigen nog minutenlang hoorden. Muggen, op het laatst. Een trillen, geen geluid meer. Het werd zo stil dat we vanzelf fluisterden.
‘We hebben geluk gehad,’ zei ik en merkte dat ik schor was. Praten deed zeer. Ik keek opzij. Sergei had een hoofdwond en bloedde als een rund. Toch grijnsde hij die grijns.
‘Nee, Wassili Iwanov,’ fluisterde hij, ‘pech. We hebben pech gehad.’
Hij was weer vlakbij. Het onweer was weg uit zijn ogen, maar hij maakte me nog steeds bang. Hij zag het vraagteken op mijn gezicht. ‘We hadden rijk kunnen worden, Wassili. Stinkend rijk!’

We waren opgestaan. Anders werden we standbeelden volgens Sergei. We liepen van benzineblik naar benzineblik, terug naar Finland, terwijl het maar geen dag wilde worden. Mijn rechtervoet trok een spoor door de sneeuw. Als ik mijn ogen sloot, hoe kort ook, bleven de oogleden aan elkaar plakken. Met mijn vingers moest ik ze telkens weer openen. Die van mijn linkerhand waren al dood.
‘Het is misschien dertig kilometer naar de kust,’ hijgde Sergei naast mij. ‘We zijn ten dode opgeschreven. We gaan lopen en vertellen elkaar verhalen. Anders gaan we eraan. Jij begint.’

Je sprak hem niet tegen, nooit. Ik herinner me de eerste keer dat hij met een ‘vondst’ opdook. De haven lag juist onder vuur. Het was alsof de rook hem had uitgebraakt, hem en de koffer, die te zwaar was om te tillen.
‘Wat heb je daar nou?’ vroeg ik.
Hij plaatste een wijsvinger dwars op zijn lippen en gebaarde me hem te helpen.
Eenmaal op de terugweg, legde hij het me uit. ‘Wat hebben die mensen nu nog aan zilveren bestek? Ze hebben toch niets te eten. Dus help ik ze eigenlijk.’
Een paar dagen later drukte hij me een stapeltje bankbiljetten in de handen. ‘Hier,’ zei hij, ‘vindersloon.’
Ik klemde de kaken op elkaar, schudde het hoofd.
‘Wij doorstaan duizend doden om ze te vreten te brengen, Wassili. In ruil verdienen we er wat aan. Daar is toch niets mis mee?’
Die avond stond er borsjt op het menu. Het was lang geleden dat ik mijn kinderen zo gelukkig had gezien.

‘Wat voor verhaal?’ vroeg ik.
‘Weet ik veel,’ gromde Sergei. ‘Verzin maar wat. Zolang je iets bedenkt, ben je de werkelijkheid de baas.’
Ik vertelde alle sprookjes die ik me kon heugen tot het licht werd. Het wit begon langzaam pijn aan de ogen te doen. Aan de horizon weigerde het streepje groen dikker te worden.
‘Nu jij. Ik kan niets meer verzinnen.’
Sergei keek me aan en deed een poging tot glimlachen. Zijn snor was wit geworden.
‘Vraag me waarom,’ zei hij, ‘en ik zal je een verhaal vertellen.’
‘Waarom wat?’
‘Waarom ik hier ben.’
‘Goed dan. Waarom ben je hier?’
‘Nood breekt wetten. Ik waag mijn leven om een paar miljoen arme sloebers van de dood te redden. In een gammele vrachtwagen rijd ik over een bevroren meer en breng ik voedsel en dekens naar een belegerde stad, terwijl bommenwerpers mij dat onmogelijk proberen te maken.’
‘Dat is de waarheid,’ merkte ik op, 'dit gaat over Leningrad.'
‘Nee,’ zei Sergei, ‘dat is een verhaal. Vraag me waarom.’
‘Waarom?’
‘Waarom dat een verhaal is? Kijk om je heen. Wat zie je?’
Ik liet mijn gezicht een halve cirkel beschrijven. Hier en daar een zwartgeblakerd wrak. Een stippellijn van benzineblikken. Leestekens in leegte.
‘Ik zie niets.’
‘Precies. Dit is de werkelijkheid. De rest is verhaal. Onthoud dat.’
Ik knikte en probeerde te slikken. Het was alsof ik ineens nog meer woog.
‘Verzinsels verslaan de waarheid, Wassili Iwanov. Onthoud dat.’

In mijn hoofd vormden zijn woorden een wervelwind. Bij iedere voetstap gingen misschien twee seconden voorbij. Toch stond de tijd stil. Er was geen beweging. Alleen wij. Twee stipjes in een witte woestenij. Alles stond stil. Zijn stem was mijn adem. Als hij zweeg, zou ik zijn gestikt.
‘Er was eens een stad,’ hijgt Sergeis stem, ‘die belegerd werd.’
Ik ben uitgeput. Hoe lang lopen we al? Als ik op mijn horloge wil kijken, moet ik het tevoorschijn pellen. Ik heb er de puf niet voor. Het is er te koud voor ook. De wind steekt duizend naalden in mijn gezicht. Permanent. Ook Sergei is op. Meer dan drie, vier woorden per ademtocht zitten er niet meer in. Simultaan met de zinnen planten wij onze voeten in de krakende sneeuw. Zo krijgt alles dat hij zegt toch een uitroepteken.
‘Van bijna alle kanten vuurden de Duitse kanonnen granaten af. Onophoudelijk. Zo goed en zo kwaad als het ging, probeerden de twee miljoen inwoners in leven te blijven. Eten was schaars. Er was geen water meer. De stroom was uitgevallen. En het ergste van alles: het was koud, bitter koud. De weinige bomen die bij het begin van het beleg nog stonden, waren in een paar weken verdwenen. Datzelfde gold voor de bielzen van de tramrails, telefoonpalen, vloeren zelfs. Al het hout ging in rook op. Toen ging het hard. Dagelijks stierven tienduizenden mensen. Van honger of door bevriezing.’
‘Dit is geen sprookje,’ zeg ik.
Sergei trekt mij aan de linkerarm. We staan stil en kijken elkaar aan. Er komen rookwolkjes uit onze monden. Een paar tellen is onze adem het enige dat beweegt in wat levenloos is, zover het oog reikt.
‘Jawel, Wassili Iwanov, dit is een sprookje.’
Ik sla mijn ogen neer, weet niets te zeggen. Ik zet een stap. Pijn. Nog één. Mijn benen staan van binnen in brand. Tegelijk ken ik ze niet meer. Ze zijn me vreemd. Ik bijt mijn tanden op elkaar. Dan is zijn stem er weer en vergeet ik te voelen.
‘De kou had zijn goede kanten. Het grote meer waaraan de stad lag, vroor dicht. Zo konden er mondjesmaat goederen worden aangevoerd. De stad bloedde net niet dood. En er was nog een voordeel van de vorst. De bevroren aarde hield de lijken vers.’
Dit is het tegendeel van een sprookje, denk ik. Maar hij vermoordt me als ik hem nog eens onderbreek.
‘De politie begon meldingen van kannibalisme te ontvangen. Eerst een handjevol, maar binnen drie maanden waren het er een kleine duizend geworden. Op een nacht betrapte men een bejaarde vrouw bij een kerkhof. Ze had een grote tas bij zich. De inhoud: vijf babylijkjes. Net opgegraven. De aarde zat er nog aan. Na verhoor bleek dat ze bestemd waren voor de verkoop. Honderden inwoners van de stad hielden zich bezig met de handel in mensenvlees. Ze groeven de lijken op en slachtten ze. Ze waren gewone huisvrouwen. Wat maakt het uit wat je de kinderen voorzet? Als ze maar te eten hebben.’
Ik heb het niet koud meer. Werktuiglijk zet ik mijn linkerbeen neer, sleep het andere erachteraan.
‘Zuigelingen zijn zelfs malser dan kalfsvlees. Fijnproevers uit de hoofdstad hadden er een fortuin voor over. Zo kon het komen dat een eenvoudige vrachtwagenchauffeur zijn kans schoon zag.’
Sergeis ritme stokt. Ik wil de rest niet meer horen.
‘En zij leefden nog lang en gelukkig,’ zeg ik. ‘Nu ik weer?’
Sergei lacht. ‘Nee, Wassili Ivanow. Ik heb je de moraal van het verhaal nog niet verteld.’
Een paar stappen lang heerst zwijgen. Wil ik de afloop wel weten? Nee. Mijn maag draait zich om. Maar ik moet de vraag stellen. Anders ga ik dood.
‘Nou?’ vraag ik. Hij draait zich naar me om, lacht zijn lelijke tanden bloot.
‘Handel is handel, Wassili Iwanov, handel is handel.’

Ongeveer vijf minuten later zakte Sergei Lobanowsky, de man die me het leven had gered door een verhaal te vertellen, in elkaar om nooit meer op te staan. Ik had meer geluk. Ik werd opgepikt door een konvooi dat terugkeerde uit Leningrad. Ik mocht achterin zitten, tussen stapels hoog opgetaste zakken. Ze voelden net zo zacht aan als ze koud waren. Ik viel in slaap en schrok pas wakker toen de vrachtruimte uitgeladen werd.
‘Er ligt nog een levende tussen,’ lachte iemand.

dinsdag, december 08, 2009

Op weg naar Montserrat (de voorlopige proloog van de Verboden Woorden)


De mens is terminaal vanaf zijn geboorte, de dood sluipt iedere seconde dichterbij. Maar als de dagen die nog resten op je vingers te tellen zijn, krijg je een heel ander verhaal.

Het opspattende water bijt in de talrijke wondjes op mijn handen. Hoewel ik aan de schaduwkant van de boot bungel, is het zo heet dat het zweet in straaltjes van mijn lijf loopt. Kostbaar zout verlaat als ratten het zinkende schip. Hoe zinloos. In een halve cirkel ontvouwt zich zo ver als het oog reikt alleen maar oceaan. Het moet hier ongeveer vier kilometer diep zijn. Gegeven de twee meter die ik me op het hoogste punt van de golven boven het wateroppervlak bevind en – voor de volledigheid, want de invloed is marginaal – de kromming van de aarde, is mijn blikveld beperkt tot een kilometer of twee van alleen maar zout water. Hoeveel miljoenen hectoliters zijn dat? Eens kijken. De inhoud van een cirkel bereken je door de straal met de straal en pi te vermenigvuldigen, gedeeld door twee want ik zie maar de helft. En dat dan maal vier kilometer diep. Mijn hersens koken, ik krijg de som niet opgelost. Alsof het antwoord ertoe doet. Er is geen druppel drinkbaar van. De veldfles die hinderlijk om mijn nek hangt, is al lang leeg. Regenen gaat het ook niet. Alleen op de horizon is een plukje engelenhaar geplakt, de hele dag al. Verder is de lucht een stolp van staal. Natuurlijk heb ik kramp in mijn darmen, maar de dorst is erger.
'Agua!' roep ik naar boven.
De kapitein – laat ik hem maar zo noemen, dan word ik minder kwaad – ligt natuurlijk ergens zijn roes uit te slapen. Trouwens, als hij wakker is, zou hij waarschijnlijk doen alsof hij me niet hoorde, want de klootzak laat geen gelegenheid onbenut om me het leven zo zuur mogelijk te maken. Helaas bestaat de rest van de bemanning uit Chinezen en weet ik wel hoe je iemand een goede dag wenst, maar ben ik vergeten te vragen wat ze tegen 'water' zeggen.
'Hé!' schreeuw ik daarom maar, tot mijn luchtpijp begint te schrijnen. Slikken gaat nu haast niet meer. Nog even en ik ga van mijn stokje. Ik ben niet eens gezekerd. Ik kijk naar de restanten van de boeggolf die met een snelheid van niet meer dan acht knopen onder mijn voeten voorbij bruisen, schat ik, want de Acaso is een oud beestje. Hoe helder de zee hier ook is, door de schaduw lijkt er op de rest van het water een vlies inktzwarte olie te drijven. Het is onmogelijk door het oppervlak de diepte in te kijken. Er staat niet veel golfslag. Toch deint het schip en kan ik met mijn tenen soms bijna de olie aanraken. Bijna. Ik stel me voor hoe het vlies zich niet laat penetreren en meegeeft. De gedachte aan Sophie is onvermijdelijk. Zij is waarschijnlijk weer terug in Amsterdam, waar de minnaars in de rij staan. Zou ze me missen, lijdt ze net zoals ik nu we elkaar nooit meer kunnen aanraken, elkaar zelfs niet meer kunnen mailen? Er bestaat geen definitiever afscheid dan dat wat ik op mijn geweten heb. Ik span mijn kaakspieren zo hard dat mijn tandvlees zeer doet. Ondanks de hitte raast er een ijsklontje door mijn ruggengraat. Laten we bij de les blijven. Wie weet wat er pal onder me zwemt. Haaien zijn in staat om bloed op kilometers afstand waar te nemen. Als ze er zijn, kunnen ze mij waarschijnlijk wel zien. Dat daar, was dat geen vin? Voor de zekerheid trek ik mijn benen ietsje hoger op, draai een kwartslag en laat mijn voeten steunen op de pokdalige huid van de Acaso, de huid die ik op last van de kapitein van schelpen, wier en algen moet ontdoen, wat onbegonnen werk is. Misschien een halve vierkante meter ben ik gevorderd in al de uren dat ik op deze kolereschommel zit, bewapend met een uit de kluiten gewassen, maar veel te bot soort plamuurmes, waardoor ik om de haverklap de rug en de knokkels van mijn beide handen openhaal, want vanwege de vermoeidheid ben ik gedwongen rechts met links af te wisselen. Soms gebruik ik ze zelfs samen om hardnekkige schelpen te verwijderen. Het touwtje waarmee het werktuig om mijn pols zit, irriteert, telkens als het over mijn vel schuurt en dat gebeurt vaak, heel vaak. Ik had Sophies iphone niet in de Taag moeten gooien, schiet me te binnen, ik had het ding in mijn zak moeten steken. Dan had ik tenminste muziek gehad. Ik zou een moord doen voor Bach. En nog één om Sophie een laatste maal te mogen kussen trouwens.

Pauze, denk ik. Geen vin verroer ik meer tot er water komt. Met mijn voeten tegen de Acaso leunen, veroorzaakt pijn in de bovenbenen. Ik laat me weer met de rechterschouder tegen het schip aan zakken, maar ook dan resoneren de dieselmotoren op den duur tot in mijn vullingen.
'Ni Hao,' krijs ik naar boven, 'me need drink!'
De dieselmotoren stampen, golven in mijn blikveld bewegen, maar het geheel staat onverminderd stil. Waarom laat ik me niet gewoon vallen? Vermoeid als ik ben, zouden mijn spieren al snel verkrampen. Ik zie het voor me: ik watertrappelend terwijl de Acaso snel kleiner wordt. Op het laatst zou je alleen nog wat rook zien kringelen, bij voorkeur in de vorm van een vraagteken. Het summum van pleinvrees zou ik beleven, want daarna zou er alleen nog maar water en lucht zijn om me heen. Maak er trouwens maar het summum van claustrofobie van, want de ruimte is bedrieglijk. In de praktijk zou ik namelijk geen kant op kunnen. Binnen een half uur zou het afgelopen zijn, als een haai me tenminste niet eerder te pakken kreeg.
Nee, denk ik, niet zo, dat is mijn eer te na. Er is maar één mogelijk einde: ik moet en zal naar Montserrat.


Ep Meijer 2009

dinsdag, december 01, 2009

Doe maar gek, dan doe je al gewoon genoeg


'Welkom bij Studio Sport, dames en heren. Heeft u het bord op schoot? Vooraleer we naar het vaderlandse neusschuiven gaan, eerst even live naar Astana, waar zojuist de even bloedstollende als verrassende finale van het wereldkampioenschap persoonlijkheidsstoornissen heeft plaats gevonden. Tegen alle verwachtingen in is de Nederlandse delegatie op een teleurstellende elfde en laatste plek geëindigd. Het gekkengetal, maar dat is een schrale troost. Onze verslaggever Youp was getuige. Youp, wat is er in vredesnaam gebeurd?'
'Tja, Thom, daar vraag je me wat. Je zult maar als torenhoge favoriet starten, niets aan het toeval hebben overgelaten. AAHD, ADHD, NPS, PPS, SPS, afijn, noem de persoonlijkheidsstoornis maar op waarvoor er een afkorting bestaat, of Nederland had hem in huis. Het leek de perfecte strategie om de titel in de wacht te slepen.'
'Maar het liep anders.'
'Wat je zegt, Thom. In de eerste ronde leek het nog of de all round-vlieger van coach Sieldragher op zou gaan. Even, heel even lag Nederland zelfs op kop. Maar toen kwam het keerpunt en daar hebben onze gestoorden als vanouds moeite mee.'
'Wacht eens even, er was voor de keerpunten toch speciaal een Australische coach aangetrokken?'
'Klopt, Thom. Volgens insiders heeft Greg Almighty geweldig werk verricht. Maar uiteindelijk heeft hij het probleem niet tussen de oren vandaan kunnen krijgen.'
'Wat nu? Ik bedoel, onze deelname aan Vancouver komt in gevaar!'
'Inderdaad, Thom, de situatie is ernstig. Je moet er niet aan denken dat Nederland er straks niet bij zal zijn. Er is op bondsniveau dan ook al druk overleg gaande. Vast staat al wel dat het anders moet, minder complex.'
'Kan dat met Sieldragher?'
'Ik ben bang dat we geen keuze hebben, Thom. De tijd tot Vancouver is te kort. Bovendien zit de concurrentie natuurlijk ook niet stil, alle topcoaches zijn bezet.'
'Enig idee hoe we het moeten gaan redden?'
'Ik heb het er met collega's van andere toplanden uitgebreid over gehad, Thom. De algemene mening is toch wel dat Nederland zich moet focussen op gewoon doen, dan doe je immers al gek genoeg.'
'En gaat dat lukken?'
'Laat ik het zo zeggen, het wordt spannend.'
'Dank je wel, Youp in Astana. Voor de volledigheid, dames en heren, het wereldkampioenschap persoonlijkheidsstoornissen werd dit jaar gewonnen door België dat zijn eveneens gebrekkige keerpunt wist te compenseren doordat de teamleden een vinger op hun hoofd plaatsten en drie keer heel hard 'oelk' riepen. Tweede werd Kirgizië met de man die zeker wist dat hij een fietsventiel was en het brons ging traditioneel naar de VS met George W. Bush. Dan nu zoals beloofd naar het neusschuiven. Zal NSCVV* zijn zegereeks voortzetten?'


* Neus Schuif Club Verstopte Voorhoofdsholtes

zondag, november 29, 2009

Zalig de onwetenden van geest


Toen ik nog van niets wist, lag de stilte als een stolp over ons dorp. Zo, in de duisternis, leek het of de boerderijen na zonsondergang heimelijk vergroeiden met de aarde. Alles was bewegingloos en in zwart gedompeld. De heuvels verderop kon ik slechts raden.

Ik weet niet meer waarom ik die nacht buiten was. Waarschijnlijk moest ik een koe uit een greppel bevrijden. Mijn vader had zijn snurken even onderbroken om me dat op te dragen. Even vanzelfsprekend was ik uit de bedstee opgestaan en had ik het zachte huilen van de zoveelste hongerige zuigeling achter me gelaten. Zo was het altijd gegaan. Zo zou het altijd zijn gegaan. Maar toen ik door het natte gras terugliep naar de boerderij en de kilte als een slang langs mijn enkels sloop, dwaalde mijn blik naar de sterren, dat gewelf van knipogend licht dat alles tot zwijgen bracht. Juist op dat moment sloeg de kerkklok vier uur. Dat herinner ik me nog wel precies. Vier keer ging een rilling door me heen, een rilling die ik niet kende. Ineens was er die vraag, die langs mijn ruggengraat omhoog leek te zijn gekropen: waarom? Ik wilde weten, moest weten, ik voelde dat het moest. Ik zag de vage contouren van de torenspits hemelwaarts reiken. In die beweging, wist ik, lag het antwoord besloten.
Mijn hart galoppeerde in mijn keel toen ik met mijn handen naar de deur zocht. De stenen van de kerkmuur waren nog warm alsof ze zich de hitte van de dag herinnerden. In mijn hoofd was het merkwaardig leeg zodra mijn vingers eindelijk het hout voelden. Er zou geen terug zijn, besefte ik. Had ik daar vrede mee? Als ik de tijd terug kon draaien, wat niet kan, was ik dan op mijn schreden teruggekeerd?
Ofschoon de dorpelingen zich slechts op zondag in de kerk begaven, leek de klokkenluider niet verbaasd me te zien. Door het kaarslicht leek het of delen van zijn gezicht in brand stonden. Dan dansten er weer grillige schaduwen overheen. Kort, heel kort maar, rustten zijn ogen op de mijne.
'Jean-Pierre,' constateerde hij en gebaarde me te gaan zitten, hetgeen ik, schrijlings op een bank tegenover hem, deed. Ik verbrak het daaropvolgende zwijgen.
'Hoe weet je wanneer je de klokken moet luiden?'
Hij glimlachte - had hij ook die vraag verwacht? - en pakte van achter zijn rug een zandloper.
'Hier,' zei hij en gaf het instrument aan mij. 'Voorzichtig. Als je hem breekt, zijn we de tijd kwijt. En je moet hem rechtop houden. Want anders gebeurt hetzelfde.'
Ik hield het ding vlak voor mijn ogen. Mijn mond was opengevallen, merkte ik. De zandkorrels persten zich haast ongemerkt door het nauwe glas heen. Waren ze er eigenlijk wel? Alleen aan de onderkant, waar langzaam een bergje ontstond, was er het bewijs voor hun bestaan. 'Het lijkt wel een riviertje,' zei ik, 'een onzichtbaar riviertje.'
'Precies,' zei hij, 'de tijd is een stroom. In dit geval een die precies een half uur duurt. Als al het zand erdoorheen is gelopen, is het tijd om de klokken te luiden.'
'Maar…'
Ook mijn volgende vraag stond kennelijk al vast. De klokkenluider beduidde me met zijn handpalmen te zwijgen. 'Hoe ik zeker weet dat ik op het juiste moment de klokken luid? Ik kan naar buiten gaan, mijn oren te luisteren leggen. Misschien hoor ik de klokken van onze buurdorpen dan wel. Maar wat als ook zij…? Nee, als ik echt ga twijfelen, kijk ik omhoog, naar de sterren.'
'De sterren?' vroeg ik.
'Goede klokkenluiders kunnen aan de hand van de stand van de sterren het uur bepalen,' zei hij en leunde vergenoegd achterover. Even duizelde het me 'Dus…', stamelde ik.
De klokkenluider knikte. 'Alles is in beweging, mijn beste Jean-Pierre, ook de sterren. Of wat had jij dan gedacht, dat de aarde zich kantelt soms?' Hij lachte zo hard dat zijn stem weerkaatst werd door de muren en het plafond. Ik weerstond de neiging om me te bukken.
Ik slikte. 'Daar heb ik eerlijk gezegd nog nooit over nagedacht,' moest ik toegeven.
'Tja, Jean-Pierre, en overdag raadplegen we, zoals je nu al kunt raden, de stand van de zon.'
Ik knikte. 'Dus de tijd ligt vast,' dacht ik hardop.
'Dat is nu wat je noemt een paradox,' grijnsde de klokkenluider.
'Een wat?' vroeg ik. Hij glimlachte. 'Als je wilt weten wat dat is, zul je monnik moeten worden.'

Monnik werd ik. Ik vroeg en kreeg toestemming van mijn vader - zonen zat, weer een mond minder te voeden - en toog voor het eerst in mijn leven de wijde wereld in. Het was een merkwaardig gevoel om alles dat me vertrouwd was de rug toe te keren. Ik moest me dwingen niet om te kijken. In plaats daarvan speurde ik naar gunstige voortekenen. Dat had ik beter gelaten. Eenmaal kruiste een zwarte kat mijn pad en toen ik de stad naderde, werd ik vanuit een boom die zijn dode takken als radeloos naar de hemel uitstrekte, gadegeslagen door een raaf. Pas toen ik voorbij was, begon de vogel te krassen. Het geluid hing als een donderwolk boven het land. Ik huiverde, zonk op mijn knieën en bad God me bij mijn beproevingen terzijde te staan. Nog was het daarmee echter niet gedaan. Ik moest, of ik wilde of niet, de stad nog door. In mijn dromen ben ik vaak bij de poort omgedraaid en terug gelopen naar waar ik vandaan kwam. Verhalen had ik wel over de stad gehoord. Groot zou het er zijn, vooral dat. Toch waren het niet al die opgestapelde stenen waarvan ik schrok. Het waren juist de muren van mensen die me onzeker maakten. Mensen die me niet groetten, mensen die me niet eens aankeken, mensen die mijn blik vermeden. En dan waren er nog de bedelaars, in lompen gehulde schepsels met pokdalige gezichten die me uitscholden als ik hen niets gaf. Ik was blij dat het, eenmaal de stadspoort voorbij, rustiger werd. Een misrekening. Het was maandag, de dag dat de stedelingen hun afval op straat pleegden te gooien, wat ik toen nog niet wist. Mijn schoenen waren er niet voor gemaakt om over kasseien te lopen. Bovendien maakte ik me zorgen over mijn plunjezak. Ik had gehoord van gauwdieven. Zo, iedere tel schichtig om me heen kijkend, bij iedere stap de groeiende blaren op mijn voeten voelend, werd ik bedolven onder een regen van etensresten en poep. Achteraf was dat het begin van mijn catharsis. Ik zou nog vaker lijden voor ik van de kennisboom mocht plukken. En erna zo mogelijk nog meer.

Het klooster bereikte ik pas tegen de avond. Zonder omhaal van woorden kreeg ik een deken en werd me een cel toegewezen. Daar moest ik net zo lang verblijven tot ik één zou zijn met God, werd me verteld. Ik had geen flauw benul van wat me te doen stond. Het was er koud. De deken bood nauwelijks warmte. Rillend sleet ik er mijn dagen. Slechts een kleine opening in de muur, te hoog om erdoorheen te kunnen kijken, gaf een idee van het verstrijken van de tijd. Soms, als de zon scheen, werd licht in de cel geworpen, dat steeds de vorm van een driehoek had die zich langzaam uitrekte en al maar rossiger werd, over de muur naar boven sloop om uiteindelijk te vervagen. Daar staarde ik maar naar, kauwend op het droge brood dat een keer per dag zonder een woord door een luik aan me werd gegeven. Was die driehoek God, moest ik me daarmee vereenzelvigen? Dat kon niet zo zijn, meende ik. God was immers alom aanwezig. Als het bewolkt was, ontbrak mijn enige metgezel en was de cel overdag in een grauw halfduister gehuld. Op die dagen betrapte ik mezelf op de lust te schreeuwen. Had ik spijt van mijn besluit? Ik weet het niet. Ik denk dat ik het gevoel wilde hebben dat ik er nog was, hoewel waarschijnlijk niemand mij had kunnen horen. Het was stil, stiller dan stil, maar van een geheel andere orde dan de stilte die ik van mijn geboortegrond kende. Daar was de stilte als water dat tot ijs was gestold. In de cel was de stilte een helder stromend beekje dat stukje bij beetje een belofte begon in te houden. Gaandeweg ging ik erin op, ontstond vrede in mij. Ik ademde stilte, ademde God.
Soms, als ik somber ben, kan ik hevig terug verlangen naar die kennismaking met het kloosterleven, toen ik nog dacht dat mijn hoofd slechts plaats zou bieden aan het goede.

Ik heb geen idee hoe lang ik in mijn cel heb verbleven. Het moeten weken zijn geweest, misschien zelfs maanden. Toen de deur eindelijk open zwaaide, ontmoette ik de abt voor het eerst. Er viel geen woord. Hij keek me onderzoekend aan, las kennelijk in mijn ogen dat het goed was en noodde me met een handgebaar uit hem te volgen.
Door lange gangen ging het, terwijl flarden gezang me als sluiers omhelsden. Daarna kwamen we in een galerij die tussen de pilaren door uitzicht bood op de binnenplaats. Monniken waren er bezig te schoffelen. Eindelijk zag ik de hemel weer, waar schapenwolken elkaar tomeloos achterna joegen. Vroeger had ik er vaak naar gekeken zonder het schouwspel echt te zien. Op dat moment was het een geschenk dat mijn ogen vochtig maakte. Mijn hart bloeide op als de bloemen waartussen ik de monniken onkruid had zien wieden.
Samen met enkele anderen in wier ogen ik het langdurige verblijf in een eenzame cel herkende, moest ik in de kloosterkapel knielen. Mijn hoofd werd kaal geschoren en ik kreeg een pij. Ik was monnik! In een gebed dankte ik God vurig, zo vurig als iemand doet die nog niet weet wat weten vermag. Ach, wie zal het een jongeling als ik was euvel duiden dat hij zich verheugde op wat komen zou?

Jaren gingen voorbij. Aanvankelijk mocht ik niet meer doen dan het land bewerken, van het krieken van de dag tot het vallen van de avond, in weer en wind. Alleen de zondagen bracht ik binnen de kloostermuren door, meestentijds op mijn knieën. Gesproken werd onderling nauwelijks. De stem diende voor God gereserveerd te blijven. Ik kan me nog herinneren dat ik, hoewel ik geen woord Latijn verstond, al wel helemaal in staat was gebeden in die taal op te zeggen, zelfs in gedachten. Daaraan dankte ik waarschijnlijk dat ik uitverkoren werd en lezen en schrijven mocht gaan leren.
De mooiste tijd van mijn leven brak aan. Het was alsof ik nog dichterbij God kwam als ik Zijn Woorden las in plaats van hoorde. Liefdevol en minutieus kopieerde ik ze. Soms deed ik wel een week over een enkele kapitaal. Zo Zijn Woord mogen verspreiden stemde me innig dankbaar. Ik wilde mijn leven eraan wijden. Maar toen sloeg de Duivel toe, zoals Hij altijd toeslaat op momenten dat je het juist niet verwacht.
Op een dag moest ik tijdens het werk in slaap zijn gevallen. Eenmaal wakker geschrokken, ontdekte ik inktvlekken op mijn mouw die bij nader inzien nog als letters te herkennen waren. Ik nam een blanco vel en drukte mijn mouw erop. Het resultaat was nog steeds leesbaar. De adem werd me benomen. Ineens schoot me een manier te binnen om Gods Woord te kopiëren, zonder dat er nog zoveel monniken aan te pas zouden behoeven te komen. Wanneer ik letters uit hout zou snijden en die dan met inkt besmeerde, kon ik papier ermee bedrukken. En dat niet één keer, maar meerdere malen!
Ik besprak het idee eerst met een andere monnik. Samen probeerden we het procedé uit. Na ettelijke pogingen slaagden we erin met tafels waarin wij houten letters stopten, teksten te drukken zonder inktvlekken. Sprakeloos zegen we op onze knieën om God voor de gave te bedanken. Daarna haastten we ons naar de abt, vervuld van gevoelens van trots en devotie.
Hij hoorde ons gloedvolle betoog zwijgend aan. Ook onze demonstratie leek geen indruk te maken.
'Wat vindt u ervan, vader?' vroeg ik bedeesd.
Hij slaakte een diepe zucht. Zijn gezicht stond ineens vermoeid. 'Verbranden,' zei hij toen - meer niet - en gebaarde ons te vertrekken.
'Maar waarom?!' vroeg ik.
Nogmaals zuchtte de abt. Het leek alsof zijn ogen helemaal schuil gingen achter de grijze, borstelige wenkbrauwen. 'De duivel moet in je gevaren zijn, frater. Wees blij dat ik je niet meteen uit de orde ontsla.'
Mijn gepijnigde gelaat moest hem iets milder hebben gestemd. 'Denk na, frater,' sprak hij, 'denk goed na over de gevolgen van je uitvinding. Dat is alles wat ik je verder te zeggen heb. Vooruit, uit mijn ogen nu!'

De abt is reeds lang geleden in God ontslapen. Nu, ja, nu begrijp ik wat hem op die vermaledijde dag bezielde. Maar toen we met hangende schouders onze cellen opzochten, nadat we hadden gedaan wat ons bevolen was, stond het huilen me nader dan het lachen. Welke gevolgen kon mijn uitvinding hebben, behalve dan dat het Woord van God op een veel grotere schaal verspreid kon worden? Ik bad die avond langdurig, maar ook mijn gebeden vermochten me niets wijzer te maken.
's Nachts kon ik de slaap niet vatten. Ik stelde me voor hoe Gods Woord dankzij mijn uitvinding duizendvoudig rond ging tot zelfs ongeletterden ermee kennis konden maken. Want dat, zo bedacht ik, was misschien waarop de abt had gedoeld: meer boeken betekende dat ze meer werden gelezen. Velen zouden zoals ik het geluk mogen proeven om Gods Woord rechtstreeks tot zich te nemen. Wat kon daar voor gevaar in schuilen?
De volgende dag was het kopiëren ineens ontdaan van alle vreugde. Mijn ganzenveer kraste weliswaar over het papier, maar de bezieling ontbrak. In mijn hoofd woedde een storm. Was ik, net zoals Eva, bezweken voor de verleidingen van de Duivel? Dat kon niet, hield ik mezelf voor. Eva had de appel niet kunnen weerstaan en stortte de mensheid zo in het verderf. Ik had slechts het goede voor. Misschien was de abt toch niet de verlichte geest waarvoor ik hem had gehouden. Misschien had God een bedoeling door juist mij op te zadelen met het idee. Misschien was de Duivel juist in de abt gevaren! Die gedachte bezorgde me rillingen. Hij was altijd als een vader voor mij geweest.

Een paar dagen nadien werd ik ziek. De koorts trok als een roedel wolven door mijn lijf. Klappertandend en hoestend lag ik op mijn brits en dacht, nee, wist zeker dat ik zou sterven. Gods toorn, had de abt toch gelijk? Toen begonnen de visioenen. Ik zag demonische machines apocalyptische tekens aan de hemel schrijven, ik zag stervelingen naar die hemel reiken, staande op stapels boeken, ik zag ze God tarten, zwaaiend met papier, ik zag ze oorlogen voeren, oorlogen om woorden, ik zag ze God ontkennen. Ik zag de leegte in hen. Ik zag ze zichzelf verscheuren tot het ingewanden regende en alles bloedrood werd. De kieren van de aarde die van glas en steen geworden was, vulden zich, overstroomden. Dieren, mensen, ze verdronken allen zonder hun Schepper aan te roepen.

Wonder boven wonder kwam ik er weer bovenop. 'God, vergeef me,' bad ik, 'mij, onnozele frater die de listen en lagen van de Duivel niet doorziet.'
Ik weet niet of dat gebed geholpen heeft. Ik mocht verder leven. Maar was dat niet juist de straf? Dagelijks nog kastijd ik mezelf, tot bloedens toe. Het helpt niet. Ik ben gedoemd de herinnering mee te torsen aan de nieuwe zondvloed die ik in mijn visioenen had gezien. Dat is niet het ergste. Het ergste is het weten. Ergens, ooit, zal een ander op het idee komen om letters uit te snijden en die met inkt te besmeren. Dan zal er wellicht geen abt zijn die hem tegenhoudt. En dan? Dan zal de mensheid als Eva de tanden zetten in die appel die zo zoet lijkt, maar zo giftig is.

Ik ben nog één keer terug gegaan naar mijn geboortedorp. Mijn ouders waren gestorven en mijn broers en zussen herkenden me niet meer. Er raakten nog steeds koeien in greppels verstrikt en nog steeds struikelde je haast bij iedere stap over een kip die dan kakelend een goed heenkomen zocht. Maar 's nachts was de stilte een andere. De stilte was een geluid geworden dat als een raaf door mijn schedel fladderde. Ik wist en wilde dat het niet zo was.

donderdag, november 26, 2009

Waarom mannen nooit iets van vrouwen zullen begrijpen


'Kom dan schatje, bel me snel!' hijgde Chantal en verplaatste de kauwgom naar de andere kant van haar mond. 'Zo goed?'
'Nee, nee en nog eens nee,' mopperde de regisseur. 'Je moet er gevoel in leggen, verdomme!'
'Dat doe ik toch,' mompelde Chantal en blies een bel die toen hij knapte klonk alsof iemand in de handen klapte. Vet wel, dacht ze, zo meteen een sms-je sturen aan Sharon.
'Je bent de droom van iedere man,' vervolgde de stem in de koptelefoon, 'stel je voor dat ze, alleen van het horen van je zwoele stem, al bijna klaarkomen.'
Chantal giechelde en duwde met haar tong in de kauwgom, zodat er een vlies ontstond. Daarna blies ze een perfecte bel. Pets! Echt vet, dacht ze, dat geluid als hij knapte. Sharon moest dit gewoon weten. Chantal pakte haar mobieltje erbij. Ze stond toch met haar rug naar de regisseur toe. Die bleef intussen maar doorzagen.
'Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat mannen opgewonden raken van kreetjes op een bepaalde toonhoogte. Van dat fenomeen maken wij gebruik om eenzame mannen zover te krijgen dat ze ons 0900-nummer intoetsen.'
Ja ja, dacht Chantal, en maar dure woorden gebruiken en maar denken dat ze zo indruk konden maken. Mooi niet, loser.
'Blln blzn in stdio egt vet!!!!!!' sms-te ze.
'Dus doe me een lol, Chantal. Zeg het alsof je het zelf gelooft. Je bent al nat, je wilt niets liever dan een machtige roede in je schede.'
'In mijn wat?!' vroeg Chantal kauwend. Waarom antwoordde Sharon niet? Zeker weer aan het slettebakken op msn.
'Een dikke pik in je nauwe kutje dan.'
Chantal glimlachte, stopte de kauwgom achter een kies en haalde diep adem.
'Kom dan schatje,' kreunde ze, 'bel me snel!'
Het bleef stil in de koptelefoon.
'En?' vroeg ze, alweer kauwend.
'Perfect,' zei de regisseur, 'ik heb er zelf een stijve van.'
Chantal blies nog een bel. Pets!
'Krijg ik meer als je hem er even in mag stoppen?' vroeg ze, draaide het hoofd naar de regisseur en tuitte haar lippen rond de microfoon.
'Veel meer,' klonk het hees in de koptelefoon, 'misschien wel een Breezer.'
Ze nam de microfoon helemaal in haar mond, keek hem toen recht aan.
'Kom dan schatje,' steunde ze, 'neem me... Snel!'

Ze moest hem helpen, de stumper, met haar hand, om die schede van hem te vinden. Zo machtig was zijn roede trouwens ook niet, dacht Chantal kauwend, terwijl ze zich als een hond door hem liet berijden en zijn gehijg de studio vulde. Gelukkig, daar piepte haar mobieltje. Focking hell, Sharon had nieuws over Achmed en Veronica!
Ze keek over haar schouder, naar het rode hoofd van de regisseur.
'Komt er nog wat van?' kauwde ze.