Twitter

Follow Ep_Meijer on Twitter
Posts tonen met het label groeten uit gelderland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label groeten uit gelderland. Alle posts tonen

zondag, mei 03, 2009

Bestemming bereikt




Als je vanuit Huissen naar Apeldoorn wilt, is er maar één logische uitvalsweg. Je komt eerst een rotonde tegen. Hoewel, rotonde? Eigenlijk betreft het een ordinaire T-kruising, want er zijn maar drie afslagen.

Dan gaat het onvermijdelijk langs de Rijn, die met al zijn strekdammen op een binnenstebuiten gekeerde duizendpoot lijkt. In de verte, aan de overkant, is de skyline van Arnhem al te zien, gescalpeerd door het viaduct van de N-325. Wie weet denk je het wel: wat er vandaag ook gebeurt, deze rivier stroomt hier morgen nog zo. Dat is een onuitstaanbare gedachte. In het leven gaat het erom verschil te maken. Eigenlijk zou alles vandaag tot stilstand moeten komen.

De Ingenieur Molsweg, beter bekend als de N-325, is vierbaans. Harder dan 80 mag je er echter niet. Het is maar beter om je aan de voorgeschreven maximale snelheid te houden. Niet dat het er na vandaag nog toe doet. Er zal niemand meer zijn om de boete naartoe te sturen. Toch moet je er niet aan denken dat je uitgerekend vandaag wordt aangehouden.

Er volgt een rotonde, één van de grootste van Nederland om precies te zijn, en ook één van de oudste. Desondanks gebeuren hier vele ongelukken, haast dagelijks. Extra voorzichtigheid is geboden. Een aanrijding nu zou wel erg ironisch zijn.

Vlak voor je de A-12 verlaat, passeert ter rechterzijde het clubhuis van de Rosendaelse Golfclub, nauwelijks zichtbaar tussen het jonge lover, maar als je goed oplet, zie je ze staan, de Jaguars en de Porsches. De eigenaars hebben geen geldzorgen en worden niet per 1 juni uit hun huis gezet.

De A-50 leidt omhoog. Links hangen zweefvliegtuigen als schetsen boven Terlet, terwijl reisbussen op de rechterrijbaan het verkeer ophouden. Hoe klein een auto is vergeleken bij zo'n kolos! Gelukkig zegt volume niets, zodra er snelheid in het spel komt. Ze maken geen schijn van kans. Heerlijk om straks eens echt gas op de plank te geven. Naar de hel, met alles! Met een beetje geluk kantelt de bus en vliegt het hele koninklijke zooitje in de fik.

Het verkeer stokt. De file wordt opgeslokt door de scherpe schaduw van een ecoviaduct. Daar heb je het weer: het wild krijgt ruim baan als het dwars wil, maar zodra een mens tegenstribbelt, wordt hij de goot in getrapt. Je bijt de tanden op elkaar. Het maakt niet uit dat je, hier in het donker, tot stilstand komt. Er is voldoende tijd. Je hoeft er pas rond kwart voor twaalf te zijn. Als de motor maar niet oververhit raakt. Of de koppelingsplaat. Dat zou een ramp zijn.

Vlak voor de kruising met de A-1 glipt de A-50 de Veluwe uit. De bossen maken plaats voor een weidelandschap dat door het met bomen omzoomde Apeldoorns Kanaal als een rits doorsneden wordt. Dit is de grens.

Eindelijk, afslag 24. Niets kan je nu nog tegenhouden.


[i]Ep Meijer 2009.
Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd.[/i]

zondag, januari 27, 2008

Vurig weekeinde

Als ik zaterdag rond tweeën het huis verlaat, heeft een zwarte wolk bezit genomen van de hemel boven Nijmegen. Op straat stopt eenieder waarmee hij of zij bezig was en staart verwonderd omhoog.

In de bus lijkt het te zoemen. Alle passagiers zijn bezig met speculeren en dat schept een band. Iedereen raakt in gesprek.
‘Het zijn vast geen woonhuizen,’ hoor ik, ‘dan zou er niet zoveel rook zijn.’
‘De kleur ook,’ zeg ik tegen mijn buurman, ‘het is vast een bedrijf. Hopelijk komen er geen giftige gassen vrij.’
Dat hoopt hij ook.

Als de bus de Graafsebrug oversteekt en de busbaan in rijdt, hebben we een majestueus uitzicht op het spektakel. De brand is verder weg dan ik gedacht heb en is verdacht dicht in de buurt van de Klok Logistics, waar ik het afgelopen jaar de handjes heb laten wapperen. Zou die tijdbom dan toch? grap ik in gedachten. Er zijn geen vlammen te zien. Wel een enorme rookkolom die dankzij de harde wind richting de Waalkade wijst. Aan de voet kolken allerlei schakeringen zwart, alsof de duivel er soep kookt.

Ook in de trein gaat het over niets anders. Iedereen zit aan de ruit geplakt en praat met elkaar. Boven de brand cirkelt, als een mug, een politiehelikopter boven de plaats des onheils. Vanaf de Waalbrug weet ik het zeker: de Klok Logistics staat in de fik. Maandag zit zuidelijk Nederland zonder woningtextiel. Ik hoop dat de sorteermachine sneuvelt, dat zou nog een geluk bij een ongeluk zijn.

Zondagmiddag rond een uur of vier. Ik stap het stationsplein op en de lucht boven Nijmegen is vervuld van het gehuil van sirenes. Ik zie ook waarom. Pal voor mijn ogen verrijst een groot, grijs uitroepteken. Ik ben er eerder bij dan de hulpdiensten en kan de brand in het leegstaande Chinese restaurant van dichtbij bekijken. De wind staat van me af en ik geniet van de warmte op mijn gezicht en het vlammenballet dat voor mijn ogen opgevoerd wordt. Als ik later groot ben, wil ik een open haard, bedenk ik me. Opvallend snel zijn er ineens heel veel omstanders. Vuur, eens wat anders op een koopzondag! Her en der worden grappen gemaakt over geroosterde Oosterse lekkernijen. De hens erin, ja gezellig!

De conclusie is duidelijk: brand speelt iets klaar wat NEC maar niet voor elkaar weet te krijgen, ondanks de overwinning vandaag op FC Utrecht. Brand verbindt mensen van alle gezindten, brand verbroedert. Ik stel voor dat Nijmegen een stadspyromaan benoemt.

woensdag, januari 02, 2008

Een doordeweekse dag in het Willemskwartier

Het geluid van sirenes is niet ongewoon in Nijmegen. Bijna altijd hoor je er wel ergens eentje voorbij gillen. Maar nu komt het wel erg dichtbij. De mannetjes en ik haasten ons naar de erker. Het is een brandweerwagen. We zien ook waarom. Honderd meter verderop in de Thijmstraat steken twee tongen van vuur uit de ramen van een bovenverdieping. Er arriveren nog twee brandweerwagens, een ambulance en drie politieauto’s. Terwijl de brandweerlieden met de voorbereidingen van hun werk beginnen, zetten agenten de straat af. Maar wij zitten eerste rang. In de ogen van mijn zoons zie ik de blauwe zwaailichten als kometen heen en weer schieten.

Twee uur later is het weer prijs. Nog dichterbij dan net is een stapel bouwafval in de hens gezet. Metershoge vlammen strooien gul met grillige schaduwen. Alle huizen in de omgeving hebben fel oranje ogen. De mannetjes en ik gaan er maar weer eens prinsheerlijk voor zitten in de erker. Hier kan zelfs de Wii niet tegenop. Ditmaal hebben de spuitgasten maar een paar tellen nodig om het vuur in een grote rookwolk om te toveren. Voor hen is dit misschien wel de drukste dag van het jaar, bedenk ik me, fijn dat ze het doen.

Intussen ontploffen met de regelmaat van de klok vuurwerkbommen. Soms rillen de ruiten ervan. Aan de horizon ontluiken bijna doorlopend bloemen van licht om bijna even snel weer te verdwijnen. ‘Woaw!’ klinkt er dan uit drie kelen.

Als de volgende dag twee minuten oud is, staan de mannetjes en ik op de blinkende klinkers van de Thijmstraat met open monden naar de hemel te staren, die voortdurend van kleur en samenstelling verandert. Natuurlijk stopt Bart, met zijn fobie voor lawaai, de vingers in de oren. Oorverdovend is een eufemisme. Maar wat is het mooi.

In villawijken zit men nu aan de kaviaar en andere exquise hapjes. Hoe minder er verdiend wordt, des te meer wordt er aan vuurwerk besteed. In Nederland is voor zestig miljoen Euro de lucht in gegaan. Het Willemskwartier is verantwoordelijk voor minstens een procent.

Leve de armoede!

donderdag, november 29, 2007

Cluedo

Het is Nijmegen dan toch gelukt om eens met iets anders dan de Vierdaagse de voorpagina’s te halen. Na Bill Clinton wordt nu de veelbelovende PvdA-wethouder Paul Depla in verband gebracht met orale seks. Gisteravond moest hij zich in een debat met de Nijmeegse gemeenteraad verweren. Hij haalde er het late NOS-journaal mee. ‘Ik ben geen Jantje Smit,’ zei hij, ‘Mijn privéleven is geen reality-soap en gaat niemand iets aan.’

Gelijk heeft hij, maar mooi dat de affaire de afgelopen week op straat lag. Iedereen en alles bemoeide zich er tegenaan, ook ik, met een stukje op Nijmegen Centraal (en dat heb ook ik geweten).

Nu de feiten. 1: Er is geen enkel bewijs voor de seksuele escapade waarvan de Nijmeegse wethouder beticht wordt. 2: Het gaat dus om een gerucht.

Zijn we er dan allen ingestonken?

Waar rook is moet vuur zijn, zou je zo zeggen. Maar wie is voor die rook verantwoordelijk?

Paul Depla behoort tot de intimi van Wouter Bos. Hij heeft dus vele vijanden, niet alleen binnen de PvdA, maar met name in de burelen aan de Waal, lijkt me zo. Een anoniem mailtje naar geenstijl.nl is zo verstuurd. Iemand wil Paul Depla pootje haken, hem duidelijk maken dat je als klootzak zelfs in de politiek geen carrière kunt maken, tenminste, dat vermoed ik.

Cherchez la femme.

Misschien is het de uitzendkracht wel met wie Paul Depla een buitenechtelijke relatie schijnt te hebben gehad. Ergens halverwege de afgelopen week dook ze ineens op, in de Telegraaf ook. Naar verluidt had de wethouder voor een liefdesnestje gezorgd. Toen de affaire over was, stond ze op straat. Ze heeft er nog een rechtszaak over aangespannen, die ze verloor. We hebben een motief. Wraak!

Wie er ook bij geenstijl (overigens eigendom van de Telegraaf) aan de bel is gaan hangen, hij of zij hoopte op een vervolg. Dat is wonderwel gelukt. Wie heeft er gelekt, een vrouw die zich afgewezen voelde, een partijgenoot, beide (want, Godbetert, minister Guusje herself)? Ik voor mij gok op een ambtenaar met brede heupen en te weinig werkdruk.

Paul Depla heeft het debat over het gerucht overleefd. Met steun van de burgemeester blijft hij aan als wethouder van Nijmegen. Maar of hij ooit nog minister wordt?

maandag, oktober 15, 2007

Buitenleven

Op de St. Annastraat stuift een motorclubje weg bij een verkeerslicht. Dichterbij doen een vlakschuurmachine en een hond wie het klaaglijkst kan janken. Hoe kan het dat je in alles toch de zonneschijn hoort? Op zoek naar woorden werp ik een blik naar beneden. Vijf meter lager, in hun gedeelte van de tuin, zit mijn benedenbuurvrouw op haar knieën tussen de benen van de benedenbuurman fellatio te bedrijven. Het lijkt net echte porno, want ik zie alleen hun naakte lijven; de gezichten blijven net buiten beeld. Een moment later stijgt er op twee uur, links naast de kerk op de Groenestraat, een luchtballon op.

Dan gaat de telefoon, die ik met vooruitziende blik mee naar boven heb genomen. Het is Bart, mijn jongste zoon. Ik besluit, met de nodige censuur, te beschrijven hoe het is.
‘Ik zit in de zon, op mijn balkon en ik zie een luchtballon.’
‘O,’ zegt mijn jongste zoon. Hij lijkt het nog steeds vreemd te vinden om tegen een kastje te praten, zo zuinig is hij met lettergrepen over de telefoon.
‘En weet je wie er naast me zit?’ vraag ik.
‘Nee?’
‘Adrie!’ roep ik enthousiast. ‘Wil je iets tegen hem zeggen?’
‘Nee,’ antwoordt Bart. Zijn stem bibbert een heel klein beetje.
‘Misschien wil hij wel wat tegen jou zeggen. Hij knikt van ja. Hier komt-ie.’
Ik zet een gek stemmetje op en nodig Bart uit om in de tuin te komen spelen.
Jommens,’ kraait Bart, want zo spreekt hij het woord ‘jongens’ uit, ‘ik heb Adrie aan de lijn!’
‘Wie?!’ hoor ik mijn ex op de achtergrond vragen.
‘Dat is een draak die bij Ep in de tuin woont,’ legt Bart haar uit. ‘Hij eet geen vlees, maar groente. Eigenlijk heet hij Adrianus Gerardus Balthasar van Vuurtand tot Drakestein, maar dat was te lang voor zijn moeder om te roepen als het eten klaar was.’
Bart is alleen vergeten te vertellen dat ik hem, als hij hier is, telkens een verhaaltje over Adrie vertel, voor het slapengaan. Er zit een brok in mijn keel. Het duurt even voor ik mijn tuindraakstemmetje vind.
‘Je moet aan Sonja vragen of ze je het drakenpak meegeeft.’
De suggestie van Adrie, de vegetarische tuindraak wordt opgevolgd. Ik hoor hoe mijn ex belooft eraan te denken.
‘Tot gauw, hè? Hier komt je pappa weer.’
‘Hallo?’ probeert Bart.
‘Hoi,’ zeg ik met mijn gewone stem, ‘daar ben ik weer. Vond je het eng?’
‘Neuh,’ ontkent mijn jongste zoon.
Ik kijk nog eens over de rand van het balkon. Mijn onderbuurman is mijn onderbuurvrouw van achteren aan het nemen, terwijl ze beiden staan.
‘Leuke tuin heb ik, hè?’
‘Ja,’ beaamt Bart.

woensdag, oktober 03, 2007

Eigen schuld, dikke bult

U moet weten dat er een truc bestaat om een tapijtrol van een kilootje of veertig met een steekkarretje te vervoeren. Met het steekkarretje als middelpunt kun je de tapijtrol dankzij de hefboomwerking met een pink besturen. Je legt het steekkarretje op zijn rug en wipt de tapijtrol er, wederom dankzij de hefboomwerking, overheen.

Simpel.

Tenzij je het verkeerde steekkarretje hebt. Ik dacht, ik neem gewoon die brede. Maar deze had zachte banden en, erger nog, geen beugels, waardoor de tapijtrol de neiging had om steeds weer van het steekkarretje af te rollen. Er waren nog genoeg andere steekkarretjes over. Waarom ruilde ik het niet?

De zoveelste tapijtrol was wel erg zwaar en weerbarstig. Al twee keer was hij van het steekkarretje afgerold. Inwendig vloekend pakte ik een eind van de tapijtrol en smeet het van dichtbij midden op het eigenlijke draagvlak van het steekkarretje. Door de hefboomwerking vloog het steekkarretje overeind. Eén van de handvaten trof mij vol op de linkerwenkbrauw.

Een toegesnelde collega vroeg hinderlijk of het ging en of ik water wilde. Ik wilde even helemaal niets, want ik zag sterretjes. Tegelijk schoot er van alles door me heen: Een documentaire op National Geographic Channel over de kracht van hefboomwerking, oorlogstaferelen uit de Eerste Wereldoorlog van soldaten die hun dodelijk gewonde kameraden te hulp schoten, het vooruitzicht om niet te kunnen werken, terwijl ik juist meer uren moest zien te maken. Er balde zich een hartgrondig ‘nee’ samen.

Geen schade gelukkig, afgezien van een lichte zwelling. Had ik mijn verstand maar niet zo op nul moeten zetten. Voortaan let ik beter op.

O ja, vanaf nu ben ik ook op Nijmegen Centraal te lezen. Veel plezier daar!

dinsdag, september 25, 2007

De grote voordelen van een gematigd zeeklimaat

Gisteren zat ik nog op mijn zonovergoten balkon. Nu bestaat de lucht boven Nijmegen uit schakeringen van grijs. Op de horizon zie ik populieren zwiepen. Op straat passeren fietsers in ruimtevaartuitrusting en de klinkers blinken.

Waarom wordt iemand weerkundige? Niet om te schitteren aan het eind van de journaaluitzending op Mauretanië 1. Er moet wel wat te voorspellen blijven. Hier in Nederland gebeurt er tenminste wat aan het zwerk. Soms weten de meteorologen het echter ook niet meer. Wisselvallig weer, voorspellen ze dan. Regen, hagel, onweer, plaatselijke opklaringen, windvlagen, alles kan. Erwin Krol likt er zijn vingers bij af.

Je hebt ook mensen die heel Boeddhistisch beweren dat er zonder regen geen zonneschijn zou bestaan, wat natuurlijk flauwekul is. Tot nu toe is nog nergens in het heelal, behalve in een uithoek van een onbeduidend melkwegstelsel, het bestaan van regenbuien (met H2O dan) aangetoond, terwijl het aantal sterren niet eens berekend kan worden. Maar ik begrijp heus wel wat ze bedoelen: de charme van het Nederlandse klimaat is de afwisseling. De ene dag zomer, de volgende herfst. En het mooie is, we hebben het er maar mee te doen.

Niet als het aan mij ligt. Ik verzet me met hand en tand tegen het weerbeeld dat zich buiten mijn erker ontvouwt. Ik moet er namelijk doorheen en niet zo’n beetje ook. Tien kilometer lang en de wind staat zo te zien pal tegen. Misschien heb ik geluk en ontstaat er een plaatselijke opklaring.

Ter hoogte van de ijsbaan houdt het op met zachtjes regenen. Binnen enkele seconden kan ik door mijn jas heen de opdruk van een leeg pakje vloeitjes in mijn binnenzak lezen. Morgen koop ik een poncho, houd ik mezelf voor. Maar er is nog een gedachte, die me op de been houdt, terwijl ik me door de regen heen vecht, die me met de kracht van 5 op de schaal van Beaufort geselt: Op de terugweg, met de stormwind in de rug, wordt het een feest.

Op het werk heerst als vertrouwd 4 graden Celsius en is het zo rustig dat ik tijd heb om het koud te hebben, ondanks de droge koksbroek, het meegebrachte T-shirt en de trui, die ik draag. Nadien schiet ik mijn nauwelijks opgedroogde spijkerbroek weer aan. Mijn jas blijkt ook nog nat.

Buiten, als ik mijn fiets van het slot haal, bestaat de lucht uit allerlei soorten adembenemend paars. Er hangen wel wolken rond, maar enkel voor het effect. Shit, de wind is gaan liggen.

zondag, september 23, 2007

Hansje Brinker (maar dan andersom)

Het tegenhouden van water zit de Nederlander in het bloed. Het kan dus geen toeval zijn dat mijn zoons en ik op nog geen driehonderd meter van mijn nieuwe behuizing een speeltuin ontdekken, waar je dammen kunt bouwen.

Vanzelfsprekend pomp ik het water als een bezetene op. Sietse en Bart krijgen versterking zodra we beginnen. Het is acht jongetjes tegen de verwoestende kracht van H2O op hellende vlakken.

Automatisch ontstaat een rolverdeling. De twee kleintjes, Bart en een jongetje van een jaar of zes, houden zich met de bovenste stuw bezig en munten vooral uit in enthousiasme. Mijn jongste zoon komt met complete driekwart stoeptegels aanslepen, die hij dan met de stroomrichting mee plaatst, verticaal. Het jongetje van een jaar of zes komt steeds woorden tekort om te protesteren en zet de tegels daarom maar eigenhandig dwars in de stroomnaad. Een paar meter lager gebeurt het echte werk. Onder toezicht van Sietse wordt een imposante dam gebouwd, compleet met ‘nat’ en ‘droog’ zand. Het ‘droge’ zand wordt door twee jongens in grote hoeveelheden aangevoerd. Ze gebruiken hun T-shirt als laadruimte en ze verdelen het genereus over beide dammen.

Na een tijdje ben ik genoodzaakt even te pauzeren. Er gaat een gejuich op onder de manschappen. ‘Nu kunnen we versterkings aanleggen,’ kraait Bart.
Sietse graait zo diep in de vijver die ontstaan is, dat hij de mouwen van zijn trui nat maakt. Hij lijkt het niet te merken. ‘Modder,’ roept hij, ‘er moet modder over de dam. Dat maakt hem nog sterker!’ Dat laten de anderen zich geen twee keer zeggen. Eendrachtig wordt modder verwerkt dat het een lieve lust is.
‘Jullie moeten vanavond allemaal in bad,’ concludeer ik en hervat het pompen.
‘Nee, hoor,’ zegt het jongetje van een jaar of zes.

Hoe ik me ook wezenloos pomp, soms geholpen door mijn jongste zoon, alleen diens dam sneuvelt. De andere blijft fier staan.
‘Laten we hem breken,’ stelt iemand voor.
‘Nee!’ roept mijn oudste zoon.
‘Ja!’ een jongen. Hij voegt de daad bij het woord en verwijdert een baksteen. De dam vertoont vrijwel meteen een bres. Het water gulpt er donkerbruin doorheen.
‘Nee,’ gilt Sietse, ‘nu zo laten!’
Zijn bede helpt niet. Met vereende krachten wordt de dam gesloopt. Een mini-tsunami golft naar beneden en sleurt hele stukken stoeptegels mee.
Iedereen glundert, maar Sietse zet de handen in de zij. ‘Het is verpest,’ stelt hij.
‘Hoezo?’ vraag ik, ‘het was prachtig!’
‘Het had zoveel mooier kunnen zijn,’ mokt mijn oudste zoon.
‘Misschien,’ zeg ik en aai hem over zijn krullen.

donderdag, september 20, 2007

Ferm bellen

Op de fiets gelden heus wel regels, alleen kent niemand ze. Zo bel ik regelmatig voor niets ferm met mijn fietsbel. U moet weten dat alles wat ik op de fiets doe, van een fermheid getuigt die sinds de tijden van de helaas te vroeg van ons genomen wielerlegende Barend van Aalten niet meer vertoond is: de achteloze manier alleen al waarop ik mijn cadans herstel, nadat de ketting weer eens twee keer achter elkaar een paar tandjes heeft overgeslagen op het valse plat van de Graafsebrug, met windkracht vijf pal tegen.

Nu is het grote probleem met fietsers dat minstens 99 procent zichzelf inbeeldt dat hij of zij zich moederziel alleen op het fietspad bevindt. Men neme nogmaals het bij tegenwind genadeloze valse plat van de Graafsebrug. Je zou ook kunnen samenwerken, een peloton kunnen vormen, om elkaar zo uit de wind te houden en het tempo omhoog te geselen, zodat we tijd hebben voor een relaxed sigaretje voor we aan het werk of naar de les gaan. Maar nee. Op de fiets is het ieder voor zich en God voor ons allen. Ja, Boudewijn de Groot: Iedere fietser is per definitie vooral sterk in eenzaamheid.

Sommigen doen het echter naast elkaar. Honderden meters lang. Kijken in de spiegel zit er niet in, want zo’n ding zit nu eenmaal niet op een fiets. Opzij gaan? Kom nou, we zijn net zo gezellig aan het keuvelen. Als anderen haast hebben, moeten ze maar vroeger van huis gaan, hoor je ze gewoon denken als ik na een tweede keer ferm bellen erlangs mag. Bij het volgende verkeerslicht stellen ze zich doodleuk voor mijn neus op, ver over de stopstreep. Kan ik weer opnieuw beginnen. Het ergste zijn nog de scholieren. Ze moeten het fietspad wel voor zichzelf houden, want er kan zomaar een overladen schooltas ontglippen aan de veel te haastig aangebrachte, versleten snelbinders. Meisjes moeten giechelen als ik toch bel, jongens doen stoer alsof ze doof zijn en dat kan best kloppen, want vaak hebben ze oordopjes in van een MP3-speler of een I-pod.

Wie niet horen wil, die moet maar voelen. Een ferme blik over de schouder. Ik heb een paar auto’s ruimte. Overslaande ketting of niet, Barend van Aalten indachtig zet ik aan, ontwijk ternauwernood een vallende schooltas en plaats via het asfalt dat voor de auto’s gereserveerd is, een splijtende inhaalactie, bewust niet bellend met mijn fietsbel, want ik vind dat de jeugd van tegenwoordig zich volop moet concentreren op de met mijn demarrage gepaard gaande turbulentie, die hun kapsels woest door elkaar waait.

Weer op het fietspad bel ik, het woedende claxonneren van passerende automobilisten negerend, ferm met mijn fietsbel. Tweehonderd meter verderop dreigt een vrouw met een kinderwagen haar voortuin te verlaten. Met mijn huidige snelheid kruisen we elkaar over exact 17,3 seconden. Het moet toch een keer zonder bloedspetters op het spatbord kunnen, denk ik, en bel voor de zekerheid nog eens met mijn fietsbel.

donderdag, augustus 30, 2007

At the wrong place, at the right time

Net als de meeste fietsers in Nijmegen gedraag ik me als een automobilist in Rome en stop ik alleen voor rood als dat nodig is. De oversteek van de Wychenseweg gaat normaal alleen bij groen. In het centrum mogen de fietsen misschien heersen, op de uitvalswegen nemen de auto’s de macht weer over.

Vandaag is het anders. De Wychenseweg is met roodwitte linten afgezet en ik kan met de ogen dicht oversteken, wat ik dan ook daadwerkelijk even doe, omdat ik niet geloof wat me overkomt. Het asfalt is leeg, op een eenzaam politiegolfje na. Ik hoor vogels fluiten. Het heeft iets van een autoloze zondag, denk ik nog.

Het eerste dat me uit de verte opvalt, zijn de zwaailichten. Dan zie ik dat er een file staat op de snelweg, die haaks over de Wychenseweg voert. Dichterbij komend herken ik het embleem van een hamburgerketen op één van de stilstaande vrachtwagens. Een haag van auto’s en mensen blokkeert ieder ander zicht op wat er gebeurd is.

Het fietsersstoplicht staat op groen, maar iedereen wacht. Logisch, aan de overkant van de oprit verspert een roodwit lint de weg. Over de hoofden heen zie ik dat de vangrail op het viaduct er gekarteld uitziet. Er gaapt zelfs een gat van een meter of vier, vijf. Dan ontdek ik wat verantwoordelijk is. Er is een complete vrachtwagen op het fietspad terecht gekomen.

Mijn eerste gedachten gaan uit naar de chauffeur. Wat een nachtmerrie heeft hij beleefd. Hopelijk is hij niet omgekomen. Dan roept de plicht. Met mijn geleende, alle verkeersregels tartende fiets aan de hand, loop ik op een agente af die toch niets staat te doen, middenin op de weg.
‘Mag ik u wat vragen, mevrouw? Ik moet naar mijn werk. Mag ik er alstublieft langs?’
Het mag, als ik maar de linkerberm aan houd en niet blijf staan kijken.

Toegegeven, ik rijd stapvoets langs het wrak. In een krantenartikel zou staan dat de ravage enorm was. Ik zie een hoop verwrongen metaal, waarin alleen een geoefend oog nog een vrachtwagencombinatie op zijn kant zou herkennen. Met name de cabine is verfrommeld. De arme chauffeur, denk ik, hij is vast omgekomen.

Juist ben ik begonnen aardappelpuree te portioneren bij een temperatuur van vier graden Celsius. Ik heb een haarnetje op en een trui, een schort, plastic handschoentjes en werkschoenen aan. Radio Keizerstad leest het ANP-nieuws van vier uur voor. Een onoplettende chauffeur heeft het ongeval op zijn geweten. Een zwaargewonde is per traumahelikopter afgevoerd.
Gelukkig geen doden. Ik schep weer een kwak aardappelpuree in de bak. ‘3792,’ zegt de weegschaal. Nog 208 gram te gaan. Op routine schep ik er een hap van zo’n twee ons bij.
‘4050.’
Hm, net teveel.
Wacht eens even, denk ik, als ik om drie uur had moeten beginnen in plaats van om vier uur, was ik er mogelijk geweest, op het moment dat de vrachtwagen op het fietspad te pletter stortte.

Wat vindt u, moet ik voortaan een helm op naar mijn werk?

zondag, augustus 26, 2007

Oost west, thuis best

Nijmegen mag het misschien nog niet in de gaten hebben, maar ik ben nu alweer bijna twee weken terug.

Er is veel veranderd sinds mijn studietijd. Bottendaal ruikt niet meer naar Dobbelman en Diogenes is opgeheven. Nijmegen is een fietsersparadijs geworden. Toch is er ook nog veel vertrouwd. De straten heten nog hetzelfde, sommige kroegen zijn gebleven en op het Keizer Karel-plein heerst nog steeds een prettige chaos.

Er is nog iets dat onlosmakelijk bij Nijmegen hoort, de ziel van de stad, zeg maar.

Als ik hier, in mijn bovenwoning, vanuit de erker een blik in het Willemskwartier werp, zie ik arbeiderswoningen, die binnenkort op de schop gaan. Er komen nieuwe huizen voor in de plaats, dus je hoort eigenlijk niemand klagen. Het zijn immers niet de bakstenen, die een wijk maken, maar de mensen, die er tussenin wonen. Hier vind je een bont allegaartje: studenten die antikraak zitten, Marokkanen, Surinamers, Turken, Afrikanen, bejaarden, blote bast-types, dealers, echte Nimwegenaren, zonderlingen, miskende schrijvers. Van botsingen is het tot nu toe niet gekomen.

Over potentiële botsingen gesproken, ook laat het panorama vanuit mijn erker een parkeerplaats zien, die vooral tussen vijf en acht te klein is, vanwege het fitness-gedoe om de hoek. Schuin tegenover is een basisschool. In de pauzes wordt er erg veel gegild, zodat serieus uitslapen een probleem vormt. Tja, dan is er de categorie huisdieren nog. Bij tijd en wijle schieten er katten de weg over en natuurlijk laten er mensen hun hond uit. Op sommigen kun je de klok bijna gelijk zetten, je gaat je nog afvragen wie de baas is.

Dat alles zou zich in iedere willekeurige stad kunnen afspelen. We hadden het over de ziel van Nijmegen.

Mijn slagzij makende zolderetage in Roermond lag aan de straat met de coffee shop. Of er echt een causaal verband is, weet ik niet, maar er kwamen wel erg vaak auto’s langs met de muziek zo keihard aan, dat de bastonen de Velux-ramen deden trillen. Dat soort auto’s passeert hier ook, alleen bij uitzondering. Er is echter een ander geluid bij gekomen, een geluid dat heel specifiek bij Nijmegen hoort, althans in mijn beleving. Het is het geluid van aanlopende jasbeschermers, lekke banden en overslaande kettingen, het geluid van een trapper, die bij elke pedaaltred contact maakt met de standaard. In een studentenstad kun je namelijk maar het beste op een wrak rond fietsen, dan loop je de minste kans dat je rijwiel gejat wordt.

Tot in de kleine uurtjes hoor ik ze langsratelen, de fietsen met slagen in het wiel, met rammelende bellen en sputterende dynamo’s, de fietsen die alle natuurwetten en verkeersregels tarten. Als je heel goed luistert, hoor je zelfs dat de rem aanloopt.

‘Ja,’ denk ik dan, ‘ik ben terug.’

vrijdag, augustus 24, 2007

If you can't beat them, join them

Het gaat goed met de economie, er wordt niet meer op de kleintjes gelet.

Op mijn werk zit het er telkens om half elf al op, terwijl de afspraak was tot twaalf uur. Mijn collega’s en ik zijn het eens: voor minder dan vier uur laat je een uitzendkracht eigenlijk niet opdraven.
‘Wat vier uur?’ zegt Saïd, een mooie Marokkaanse jongen met een staartje, zodat ik hem in gedachten al Ali B. heb gedoopt. ‘Vijf, de afspraak was vijf! Ik heb het geld nodig, man.’
De anderen knikken instemmend.
‘Wat doe jij, Boy?’ vraag ik. Hij is ontzettend aardig, draagt een bril en vaak een shirt van het eerste van NEC. Net als ik is hij een uitzendkracht, maar hij staat het hoogst in de pikorde, want hij bedient de computer.
‘Naar stukgoed,’ antwoordt hij, ‘daar is vast nog wel wat te doen.’

Stukgoed. Ik heb er ook eens een uur doorgebracht. Het lijnentrekken is er helemaal tot kunst verheven. Er zoeven weliswaar constant heftrucks heen en weer - zoals overal bij On Time Logistics BV - maar meestal zijn ze onbeladen. De mensen op de werkvloer lopen lukraak met formulieren rond of controleren het etiket op een rondslingerende rol vloerbedekking. Het beweegt, maar er gebeurt niets.

Boy is weg en waar Boy is, is werk. Jordi, de werkstudent, is hem als een schoothondje gevolgd. Van Prama, de Indiër die iedereen in Nederland maar gestresst vindt en permanent naar kerrie ruikt, zoals gewoonlijk geen spoor. Nu zijn alleen Saïd, een jongen die ik nog niet bij naam ken, en ik over.
‘Ik ben net in de loods geweest. Daar is geen werk voor ons. Willen jullie ook naar stukgoed? Ga je gang. Maar je mag ook, op mijn gezag, de spullen op deze pallet verplaatsen naar de lege pallet daar. En dan weer terug. Als je daarmee klaar bent, mag je alle moeren in deze ruimte tellen. Je kunt ook een beetje met een vorkheftruck gaan rond scheuren en doen alsof je ergens een gordijnrol zoekt. Het alternatief is je verstoppen tot 5 voor 12.’
Shit man,’ zegt de jongen wiens naam ik nog niet ken, ‘jij hebt het door hier.’
Whatever,’ zeg ik, ‘in ieder geval heb ik er geen zin in. Ik heb wel wat beters te doen met mijn tijd.’
‘Maar dan verdien je minder.’
‘Nou en? Tot morgen!’

dinsdag, juli 17, 2007

Woonruimte gezocht

Zo op het oog lijkt het net vakantie, mijn verblijf bij vriend Benz. Er is bier, ik heb te roken en de temperatuur laat toe dat we na het werk tot diep in het donker in de tuin zitten, ik als vanouds delibererend en Benz strooiend met oneliners die me af en toe van de stoel doen vallen van het lachen.

Toch is het geen vakantie, want ik heb geen adres meer om naar terug te keren. Sterker nog, volgens Van Dale is iemand zonder vaste woon- of verblijfplaats een zwerver. Met andere woorden, officieel ben ik dakloos.

‘Onzin,’ zegt vriend Benz, ‘je slaapt toch niet onder een brug?’
‘Bijna wel,’ zeg ik en beken hoe bang ik ben dat ook hij, zelfs hij, mij middenin de nacht op straat zet, zoals La van Dongen dat gedaan heeft, toen ik het ook niet verwachtte.

Benz zou dat nooit doen. Kom nou, Benz is mijn oudste en beste vriend. Tegelijk heb ik geen recht van spreken. Ik heb de verantwoordelijkheid uit handen gegeven. Ik ben aan de goedheid van anderen overgeleverd.

De feiten: deze week zijn Benz en ik nog tot elkaar veroordeeld. Vervolgens pas ik tot de 9-de augustus op het huis van vrienden in Nijmegen. Daarna? Ik heb werkelijk geen idee, maar ik wil er wel blijven.

Kortom, ik zoek een steenrijke, bloedmooie weduwe te Nijmegen die een vleugel van haar kasteel over heeft. Als u nog iets hoort?

donderdag, juli 12, 2007

Trefzeker

Zo sta ik met mijn blote voeten middenin de nacht op straat in Midden-Limburg, zo steken diezelfde voeten amper anderhalf etmaal later voor het eerst sinds 25 jaar in een paar voetbalschoenen bij het plaatsje Lathum, het décor van Jan Siebelinks knielen op een bed violen. Samen met vriend Benz, bij wie ik inmiddels onderdak heb gevonden, en nog twee mannen van middelbare leeftijd neem ik het op tegen vier twintigers. Eén van de jonkies heeft hands gemaakt op de lijn en aangezien ik het was die de doelpoging waagde, moet ik de penalty nemen, dat wil zeggen dat ik vanaf de middellijn op de lege goal van anderhalve meter bij 75 centimeter moet schieten.
‘Dat wordt lachen,’ meent één van de tegenstanders.

Hoewel een deel van mijn wezen nog steeds tussen hoop en vrees in de tuin van La van Dongen bivakkeert, pak ik de bal resoluut op en wandel ermee naar de imaginaire middellijn, zo’n twintig meter van het doel. Ik zoek een goed polletje om de bal te plaatsen. De tegenstanders hebben zich grijnzend naast en achter de goal opgesteld, waarschijnlijk om te voorkomen dat de bal in de sloot achter het veldje belandt voor het geval ik mis. Op de horizon loert een onweersfront.

‘Laat hem erin róllen!’ raadt Benz me nog aan, maar mijn wereld is al gekrompen en het doelpunt staat in de sterren geschreven. Ik hoef het alleen nog maar te maken. Er is de goal, er is de bal en ik ben het instrument. Verder heerst de leegte. Zonder een enkele gedachte, praktisch uit stand schiet ik.

Ik heb de bal met mijn wreef geraakt en hard ook. Hij scheert over het gras, maar wint allengs aan hoogte tot hij, precies in het midden, het net doet bollen.
‘In het dak van het doel!’ roept één van de tegenstanders bewonderend uit.
‘Zo doe je dat,’ grijns ik.

Uiteindelijk, na bijna twee uur voetballen, winnen we met 20-18.