Twitter

Follow Ep_Meijer on Twitter
Posts tonen met het label venus en mars. Alle posts tonen
Posts tonen met het label venus en mars. Alle posts tonen

vrijdag, september 14, 2012

Kroniek van een aangekondigde verkenner

Kabouter Plompzak kon zijn geluk niet op. Niet alleen was kabouter DD de afwas voor hem aan het doen, zodat hij vrij uitzicht had op haar indrukwekkende derrière, ook was hij tweede geworden bij de verkiezingen. Het had zelfs maar een haar gescheeld of hij was de winnaar geweest.

Er werd op de deur geklopt. Eigenlijk wilde kabouter Plompzak alleen maar op zijn paddenstoel zitten. Nou ja, af en toe even naar kabouter DD kijken dan. Nog eens werd er geklopt, harder nu. Wie waagde het? Hij kwam al moeizaam overeind.

'Ik doe wel even open, Plompje,' zei kabouter DD en sloeg de theedoek over de schouder, wat nooit eerder waargenomen naschokjes in het decolleté veroorzaakte. Reeds waren haar borsten op weg naar de deur. De rest van haar kwam zoals gewoonlijk op gepaste afstand voorbij.

Het bleek kabouter TNT met een brief van de ABP (Aller Beste Partij), de partij waartoe de BNITNZEGP (Bij Nader Inzien Toch Niet Zo'n Erg Goede Partij) volgens de aanzwellende geruchtenstroom in het bos veroordeeld was.

'Amice!' stond er in sierlijke letters. 'Of mag ik je Plomp noemen? Dat bekt wat lekkerder dan dat onsmakelijke Plompzak, vind je niet? Hoe dan ook, goed gedaan, kabouter! Muts af en zo. Van niets tot tweede partij van het bos. Dat doet niemand je na. Ja, ik, haha. Ik heb de ABP nog groter gemaakt en wederom ben ik erin geslaagd mijn partij de grootste van het bos te houden, zij het nipt, toegegeven. Maar er kan er maar één de eerste zijn. En dat ben ik dus, de kabouter die sneller lacht dan Lucky Luke zijn schaduw overhoop schiet, if you catch my drift. Kortom, Plomp, ouwe rukker, we moeten praten, jij en ik. Ik weet dat we lijnrecht tegenover elkaar staan qua beukennootjes. Maar daar komen we met z'n tweetjes in het belang van het bos vast wel uit. Zolang we maar niet onze plaats vergeten. De waarheid ligt in het midden? Eat my dust, loser. Haha, just kidding. De bosbevolking heeft zich uitgesproken. Ik ben de grootste. Zo is het nu eenmaal. Dus als je wilt maak ik je Magister van Paddenstoelenzaken. Dan lullen we verder nergens meer over. Nou, we spreken ons gauw, gabber. Maar eerst stuur ik kabouter Verkenner bij je langs, want ik ga met jouw welnemen op mijn gemak nagenieten van de overwinning. Dat zouden meer kabouters moeten doen, haha! Was getekend, kabouter Grijns.

'Amice? dacht kabouter Plompzak. Nog nooit was hij door iemand zo genoemd. Wat had dit nu weer te betekenen? Nog eens las hij het schrijfsel door. Toen wist hij het. Hij moest dit politiek aanpakken.

'Hé DD,' zei hij.

Ze had de afwas inmiddels hervat. Kabouter Plompzak vroeg zich af of er boskundige wetten bestonden voor de vibraties die door haar billen gingen, telkens als ze haar gewicht verplaatste.

'Grijns wil met me samenwerken.'

Kabouter DD draaide zich om, deed de truc met de theedoek weer en klapte verrukt in de handen, wat plaatselijk wederom onvermoede gevolgen had op de zichtbare delen van haar etalagemateriaal.

'Dolletjes,' riep ze uit, 'dan kun je me aan hem voorstellen!'

Kabouter Plompzak deed het nu toch echt: hij trok zijn muts tot ver over zijn ogen.

dinsdag, juni 01, 2010

Lenteherfst


Er is iets. Ik voel het zodra ik uit bed kom. Er gaat vandaag iets leuks gebeuren.
Maar wat? Vandaag kan helemaal niet leuk worden. Het is ineens herfst, middenin de lente. Bovendien moet ik mijn zoons naar mijn ex brengen, wat neerkomt op vijf-en-een-half uur reizen.

In de trein mopperen Sietse en Bart weer eens dat ik zover weg woon. De wolken kleuren het groen grijs, zie ik door het mitrailleurvuur van druppels heen Wat ben ik voor een vader die dit zijn kinderen aan doet, iedere twee weken? Ik steek het bekende verhaal af – dat ik waar ze wonen geen passend werk kon vinden, dat ik me er ongelukkig voelde. Het maakt geen indruk. Voorbij Eindhoven slaat de verveling om in geklier en moet ik een paar keer politieagent spelen, waar ik een bloedhekel aan heb. Ik begrijp werkelijk niet waar het gevoel vandaan komt dat er vandaag iets leuks te gebeuren staat.

Bij het afscheid, terwijl de regen ons om de oren slaat, komt mijn jongste zoon tot drie keer toe de auto uit om zich aan me vast te klampen. Hij wil dat ik meega. Tenslotte pelt mijn ex hem van me af.
'Ach, jochie,' stamel ik. Dan moet ik heel even heel hard op mijn tanden bijten. Zie je wel? Dit is een kutdag.

Op de terugweg begraaf ik me in het debuut van een vriendin. Het gaat over een mooie vrouw die pal voor haar bruiloft zo'n beetje de liefde van haar leven tegenkomt. Chicklit met een bite. Als die vriendin en ik elkaar spreken, hebben we het vaak over synchroniciteit en de gedachtenvelden van Rupert Sheldrake.
1 + 1 = 3. Zou dat het zijn, zou me een ontmoeting wachten?

De matrone die in Weert schuin tegenover me komt zitten, kan het onmogelijk zijn. Haar tenen lijken op knakworstjes met vuurrode nagellak op de stompjes. Telkens als ze gaat verzitten, laat ze het stof op de vloer met zo'n geweld knarsetanden dat ik opschrik uit mijn boek. Mijn kaartje wordt op de terugweg trouwens nog eens drie keer gecontroleerd. Er staan nu vijf fucking stempels op. Zelfs rustig lezen is me vandaag niet vergund.

Ja hoor, de bus naar huis is twee minuten geleden vertrokken. Met de zondagse dienstregeling betekent dat 28 minuten wachten op een winderig perron. Ik ga nu zelfs het begin van Studio Sport missen. Dat heb ik weer, denk ik huiverend. Er gaat helemaal niets leuks gebeuren vandaag. Sterker nog, deze dag gaat de geschiedenis in als één van de treurigste ooit.

Toch is het gevoel niet weg, eenmaal thuis. Alleen geloof ik er niet meer in. Ik registreer nog slechts. Hoe Basso de Giro wint, hoe fractieleiders alvast willen weten wie het eventueel met wie doet. De wereld is een schouwtoneel, schreef Vondel al, elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel. Niets kan mij nog raken.

Tot de klok tien voor twaalf slaat en het alsnog lente wordt, net zo plotseling als het vandaag ineens herfst was. Dankzij een klik. Uren later ga ik met een vette grijns naar bed. V-day, after all.

dinsdag, februari 09, 2010

Assepoets


'Tyfustering', zei de prins en spuugde op de grond - zo'n lekkere fluim, met net genoeg groen om het zaakje bij elkaar te houden. Wie verliet een houseparty nou zo vroeg? Kolere, een houseparty begon pas om middernacht! Hij keek naar de Nike in zijn rechterhand. Daar had haar voet in gezeten. Hij rook eraan. Tenenkaas, dat was alles wat nog aan haar herinnerde. Wat de fock moest hij nou? Hij keek op zijn Cartier. Eén over twaalf, give or take een paar seconden. Een uur geleden had hij haar voor het eerst gezien. Veiligheidsspeld door de neus, zwarte bliksemschichten rond de ogen, het haar paars en groen in een drietand gespoten. Niets bijzonders dus. Maar er was iets met dat mokkel. Wat? Wist hij het maar. Misschien waren het die X-Ray-ogen waarmee ze dwars door hem heen had gekeken. Zij had gezien wie hij was. Niet dat hij dat zelf wist, maar daar ging het niet om. Misschien waren het haar billen in de legging die ze eigenlijk niet had horen te dragen. Vet was ze geweest, vetgaaf.

De prins riep er een lakei bij. 'Hé dude, zie je deze schoen?' Hij moest het schreeuwen. Wat een takkenherrie. One of these days zette hij die discjockey tegen de muur. En die veejay meteen ook. Hij kreeg wat van die oogbollen die hem van overal aanstaarden. Alsof hij wat van ze aan had of zo. De lakei knikte. 'Ik wil wat erin zat, weet je wel.' Op het voorhoofd tegenover hem ontstond een groef. Net de focking Grand Canyon. Had hij daar niet ooit herten voor hun raap geschoten? Of was hij in de war met die olifanten in - hoe heette dat gat - Maleisië? Deed er niet toe.
'Nou?' probeerde de prins. 'Hef-tig', zei de lakei. Nou, die kon dus ook mooi naar zijn VUT fluiten. Te lui om voor de duvel te dansen, dat personeel van tegenwoordig. 'Waar wacht je nog op, eikel?! Hakken tegen elkaar, rechtsomkeert en zoeken met die hap!'
Intussen was de prins ongemerkt met de Nike het hoofd van de lakei aan het bewerken. Van de RVD moest hij voor dat soort geintjes nog eens in therapie. Ze konden hem nog meer vertellen. Dit was zijn koninkrijk, hij deed met zijn onderdanen wat hij wilde. Ze waren er voor zijn lol, niet te vergeten.
'Oké, oké, maak je niet druk, man', steunde de lakei. 'Maar heb je enig idee hoeveel van die wijven op zulke stappers rondlopen?'
'Dat kan me geen flikker schelen', brieste de prins. 'Al zijn het er een miljoen, weet je wel. Zorg dat je d'r vindt. Hup, hup, hup. Action!'

De volgende dag - hij had een koppijn van hier tot Tokio - werd hij al op het matje geroepen. Zo'n gladjanus zei tegen hem dat hij wat minder impulsief te werk moest gaan bij het vinden van 'een geschikte partner voor in het huwelijksbootje'. De prins ging bijna compleet, maar dan ook compleet over zijn nek. 'Wat een gezeik. Ik wil wippen, man! Stevig van bil, weet je wel?' Hij deed het even voor ook, pakte een denkbeeldige struise blonde bij haar middel en ramde hem zo'n twintig centimeter in het weke vlees. Dat zou die bitch leren.
Gladjanus had een ander idee. Zijne Majesteit kon beter zelf het land in trekken. Mooi uit oogpunt van PR of zoiets. 'Cool', zei de prins. Hij had toch geen reet te doen.

Zo gezegd, zo gedaan. De RVD gooide er een campagne tegenaan van heb-ik-jou-daar. Holy smoke, ze wilden hem wel heel erg graag onder de pannen hebben, zeg. De Nike in kwestie hing op iedere abri van het land. Het hele focking STER-blok was één grote Nike-spot. Ze zetten zelfs een luchtballon in met de vorm van een sportschoen. Daaruit werden dan zakjes bruidsuiker gegooid naar de aanvankelijk nog nietsvermoedende burgers. Een paar hadden natuurlijk weer geen helm op en moesten met bebloede koppen naar het ziekenhuis. Daar kwamen dus Kamervragen van. Gaf niet, vond Gladjanus. Allemaal frie publiecietie. Nog nooit had de prins zo vaak de schouders opgehaald. Hij kreeg er warempel kramp van. Dat was nog niet het ergste. Want op een dag reed er zo'n flitsende cabrio voor en moest hij daadwerkelijk instappen.
'Mag ik niet op de motor?' kreunde hij.
'U weet best dat uw rijbewijs u ontnomen is, sinds eh...', zei Gladjanus vanaf de achterbank, daar waar eigenlijk een lekker wijf met dito tieten hoorde te zitten. 'Bejaarden genoeg', mompelde de prins die liever niet aan zijn aanrijding met een rolstoel herinnerd wilde worden, al had het bewuste besje nog een alleszins fraaie salto gemaakt voor ze op het wegdek te pletter stortte.

Het doorknippen van lintjes was by far opwindender dan wat hij nu moest doen. Alleen de eerste dag al schoof hij de Nike om 1.435 stinkende, walmende, meurende poten waarvan de meeste nog roodgelakt waren ook. Als hij ergens een hekel aan had, dan was het wel rode nagellak. Volgens zijn therapeut omdat blauw bloed van nature anticommunistisch was. Onzin, hij hield gewoon van puur natuur, weet je wel.
's Avonds was hij bekaf. Zoiets als na een avondje stappen maar dan echt.
'Kijk dan, ik ga dood, man!' Gladjanus was niet onder de indruk. 'Het gaat fantastisch, Majesteit. SBS6 zendt het laif uit en ook de andere netten zitten er bovenop. Praim taim! De kijkcijfers schieten door het plafond. Zijne Majesteit is nog nooit zo populair geweest!'
'Populair, my ass', zuchtte de prins. 'Ik heb vandaag alleen maar doorzonwoningen gezien. Dat ze daarin willen wonen, trouwens. Mijn konijnen leven nog beter, tenminste, als ik ze zou hebben. Ze was een punker, man. Hoe vaak moet ik dat nog zeggen? We zoeken op de verkeerde plaatsen. Kraakpanden, die moeten we hebben!'
'Ik verzeker u dat we haar zullen vinden, Majesteit', zei Gladjanus.

Ze vonden haar niet, niet de volgende dag en ook niet de dag daarop. Tegen die tijd had de prins schaapachtig glimlachend bedacht dat hij voor het eerst in zijn leven aan het werk was en meteen spijt gehad als haren op zijn hoofd dat hij die no good-Nike niet meteen had weggesodemieterd. Werken? Dat deed het klootjesvolk om met belastingcentjes in zijn levensonderhoud te voorzien terwijl ze hem er nog dankbaar voor waren ook. Nee, de prins wist het zeker, hij was in de hel beland.

'Zullen we vandaag eens stout doen?' vroeg Gladjanus. Hij lachte zoals de prins Hannibal Lecter had zien doen in de film 'The silence of the lambs'. Die had hij moeten zien in de tijd dat de Oranjemafia nog dacht dat hem cultuur kon worden bijgebracht. De prins was moe. Doodmoe. Toch waren het niet zozeer de prins' gedachten als wel zijn reflexen die ervoor zorgden dat hij als bij toverslag nog meer aan de zwaartekracht toegaf en bijna in de lederen bekleding verdween.

Reden ze daar door een met lindebomen omzoomde laan, kreeg de cabriolet een klapband, hetgeen volgens de fabrikant niet meer dan eens in de 1.067.988 kilometer hoorde te gebeuren (alsof iemand ooit zo lang in die kutauto's bleef rijden!). What the heck? Het gebeurde gewoon. De schrijver wilde het en naar diens pijpen hebben lezers uit de aard der zaak te dansen. So be it, soit, het zij zo.

Pang! De prins keek er niet eens van op. Hij dacht namelijk aan Chianti met mensenlever. Maar Gladjanus had zich, vanaf zijn positie op de achterbank langs de anoniem te blijven chauffeur tussen het rem- en het gaspedaal weten te wringen. Exact 13,72 meter verder kwamen ze tegen de stoeprand tot stilstand.

Als uit een droom ontwakend, keek de prins op. Hij wist sinds heel, heel kort dat hij in werkelijkheid kannibaal was. Stond daar... dat. Een ander aanwijzend voornaamwoord was er niet voor. Het was blond. Daar was alles mee gezegd. Een matras waaruit wat stro stak. En ze had die ene Nike aan. De andere voet was bloot, ontstellend bloot, zo'n bloot waarvan je, als je vrouw erbij is, vlug wegzapt. Ze stak die blote, die ontstellend blote voet uitnodigend uit. Wiebelende tenen. Vijf dansende worstjes. Vuurrood gelakte nagels. Ko - ontzettend - lere, ty - verschrikkelijk – fus, dat ontbrak er nog maar aan.
'Maxima', hijgde ze. De prins verstond het verkeerd. Hij dacht dat hij niet verder in de problemen kon raken... en hij had gelijk. 'Een teef in een mantelpak!' schreeuwde hij. Om zijn lippen verscheen schuim.

Het laatste dat de 5,6 miljoen kijkers vernamen die op de bewuste avond hadden afgestemd op het programma 'De Droom van de Kroon', vlak voor de uitzending om zogenaamd technische redenen abrupt werd onderbroken, was een langgerekt 'nee!' De RVD zou desgevraagd beweren dat de stem toebehoorde aan een overspannen medewerker die, de oplettende lezer raadt het al, niemand minder was dan Gladjanus. Maar wij weten beter. Dit is immers een sprookje. Zij leefden dus nog lang en gekunsteld, sorry, gelukkig.

dinsdag, januari 19, 2010

Sjalom, Insj'Allah


De vraag was niet of.
De vraag was waar.

Hoeveel haltes nog?
Als het gebeurde, als hij aan het touwtje trok dat het bovenste kootje van zijn wijsvinger al minutenlang omwikkelde, was dat het laatste dat hij zou doen. Dan zou er een flits zijn, wie weet zelfs een vleugje geur van kruit en een fractie pijn. Misschien zou hij de knal nog horen, misschien ook niet. Als hij aan het koordje trok dat inmiddels het puntje van zijn wijsvinger afbond, stierf hij. Als hij deed wat Allah van hem verlangde, werd hij martelaar. Hij ademde in, voelde zijn borst zwellen ondanks het korset van explosieven. Hij was uitverkoren.
Een knik van de immam in zijn richting, meer niet. Hij had geknield. Hiervoor had hij geleefd. Er zwol een zon in hem, een grotere dankbaarheid had hij nooit gevoeld. Hij herinnerde zich het gezang daarna, het ritmisch klappen van de handen, de kreten. ‘Allah is groot!’ Zijn kameraden die hem zoenden, op zijn schouders sloegen. De tranen in hun ogen. Zijn portret zou eeuwig de wanden sieren in de Gaza-strook.

In haar gromt de dieselmotor als een storm die alleen wordt onderbroken wanneer de chauffeur schakelt en de bus tandenknarsend rilt. Het is warm. Het is altijd warm in Tel Aviv. Alleen in de bus wringt de hitte zich als een slang om haar hals. De ramen staan open. Maar de tocht hijgt haar in de nek, kruipt onder haar kleren en dringt tot in haar poriën door, net zoals de bus zich door het drukke verkeer op de Ibn Gvirol wurmt. Ze probeert naar buiten te kijken. Ze ziet een etalage van een kledingwinkel voorbijglijden. Poppen, dode poppen.
Au! Iemand botst met zijn heup tegen de hare. Ze werpt een boze blik opzij. Niemand ziet het haar doen. Of wacht, er is een Palestijn die naar haar staart. De wegen zijn hobbelig. Waarom zet niet iedereen zich schrap, zoals zij? Ze haat haar medepassagiers. Ze staan te dichtbij. Ze stinken naar zweet. Ze haat alle mensen in de bus. Hoe meer er zijn, des te groter het risico.
Hoeveel haltes nog?

Hij keek om zich heen. Het was spitsuur, de bus was vol. Mooi. Hij zou wereldnieuws zijn. Thuis zouden honderden mensen zijn portret door de buurt dragen. Er zou met de Palestijnse vlag worden gezwaaid. De vrouwen zouden joelen, terwijl zijn kameraden met hun wapens in de lucht vuurden.

De vraag was niet of.
De vraag was wanneer.


Nog drie haltes. Dan zou de bus stoppen bij het kruispunt van de Ibn Gvirol en de Arlozorov, de drukste verkeersaders van Tel Aviv. Nog meer passagiers. Volle perrons. Nog drie haltes. Dan zou hij het doen.

Nog twee haltes. Ze kijkt naar de grond. Sigarettenpeuken, waarin je soms de filters kunt herkennen. Zandkorrels die omhoog springen als de bus over een hobbel rijdt. Ze wil dat de tijd sneller gaat. Ze wil nu uitstappen en de tweehonderd meter lopen die haar van het veilige huis scheiden. Ze zucht en laat haar blik weer dwalen. Die Palestijn kijkt nog steeds naar haar. Viezerik. Alle Palestijnen zijn viezeriken. Hoewel, niet als ze er één oog in oog spreekt. Maar als volk zijn ze niet te vertrouwen. Ze laten bommen ontploffen in volle bussen. Tussen de bovenlijven van de anderen door vangt ze een glimp op van het Yitzak Rabin-plein. Ze heeft op hem gestemd. Rabin is vermoord. Een orthodoxe Christen verloor zijn hersens. Ze weet niet hoe het verder moet met Israël. Het is te ingewikkeld, de haat te groot. Vrede? Onmogelijk. Sjalom? Alleen door een wonder.

Twee te gaan. Hij had al een tijd naar haar gekeken. Toch zag hij haar voor het eerst. Ze was mooi. Ze zou er zeker aan gaan. Niet erg. Ze was mooi, maar Joods. Joden hadden hun geboortegrond ingepikt. Joden sloopten hun huizen met bulldozers. Joden zeiden dat ze vrede wilden. Maar als Palestijnen naar hun werk wilden, werden ze aangehouden. Alles werd gecontroleerd en doorzocht zodat ze te laat kwamen en ontslagen werden. Joden waren leugenaars. Ze praatten over Sjalom, maar lanceerden lasergestuurde raketten. Joden waren monsters.

De vraag was niet of.
De vraag was waar.


Hoeveel haltes nog? Eén. Die Palestijn blijft naar haar kijken. Ze gebruiken vaak zelfmoordenaars. Mensen die zichzelf opblazen. Ze zijn gek. Hoever moet je komen om te geloven dat je als martelaar sterft? Dat je dood iets uithaalt? Dat je niet inziet dat je dood alleen maar olie op het vuur is? Ze hoort ze: het huilen van de sirenes, de jammerklachten van gewonden. Ze ziet ze: de beelden van ledematen die onder een jas uitsteken, het bloed dat zwart over het asfalt meandert. Ze kijkt naar de Palestijn. Ze weet het. Zomaar. Ineens. Hier is ze al jaren bang voor. Het is niet zoals ze altijd gedacht heeft. Ze voelt een kalmte die ze niet kent. Ze ademt diep in en uit. Vreemd, ze heeft het niet warm meer. Ze priemt haar ogen in de zijne.

De Jodin keek naar hem zoals zijn moeder wel eens naar hem keek: alsof ze zijn gedachten kon lezen. De jodin zag de angst in zijn ogen die hij ook in de hare herkende. Hoe lang nog? Het gebrom van de motor, het gefladder van een krant die iemand las, stemmen, ze werden een draaikolk. Hoe lang nog? Zijn oksels waren klam, zweetdruppels beten in zijn ogen, zijn hart klopte in de keel. Hoe lang nog? Misschien was zojuist de laatste minuut van zijn leven ingegaan. Alles wat hij zag, hoorde, rook en voelde zou ophouden. De gedachte was absurd. Hij sloeg de ogen neer, dacht aan zijn plicht. Zijn wijsvinger voelde al dood.

Zoals hij daar staat, de ogen als beschaamd op de grond gericht. Zweetdruppels op zijn voorhoofd. Het tegendeel van een held. Een menselijk wezen, iel, fragiel, dat op het punt staat zelfmoord te plegen en zoveel mogelijk anderen in zijn dood mee te slepen. Hij moet haar aankijken. Ze wil weten wat hem bezielt.

Haar ogen waren magneten. Hij kende de instructies: vermijd oogcontact, praat met niemand, het zijn Joden, vergeet dat niet!
Zij was anders.
Hij klemde de kiezen op elkaar. De vraag was niet of. De vraag was wanneer. De bus trok op. Een schokje ging door de passagiers telkens als de chauffeur schakelde. Als kegels veerden ze terug. Wat hij ging doen, was voorbestemd. Hoe kon hij trouwens de anderen onder ogen komen als hij faalde? Hij kon zeggen dat het mechanisme niet werkte, maar wie zou hem geloven?

Misschien heeft ze zich het gevaar verbeeld. Nog een paar honderd meter en dan mag ze eruit. Toch is er iets met hem. Hij kijkt naar haar zoals een ondeugende zoon naar zijn moeder. Hij kijkt dapper terug, maar zijn ogen bekennen de leugen die hij met zijn mond ontkent. Fatalisme, dat is het. Als hij echt gelooft dat zijn dood, vandaag, in deze bus, in de sterren geschreven staat, zal er een bloedbad volgen. De gedachte laat haar vreemd koud. Ze kijkt de Palestijn aan. Hij heeft mooie, donkere ogen. Ze glimlacht. Het gebeurt vanzelf.

Hij voelde hoe hij bloosde. De chauffeur schakelde terug, de bus minderde vaart. Seconden voor zijn dood lachte een vrouw naar hem. Wat wilde Allah daarmee zeggen, dat het goed was? Bij de les blijven, dacht hij. Hij moest het doen als de bus bijna stilstond, wanneer de deuren al open zwaaiden, op het moment dat de nieuwe passagiers zich op de perrons verdrongen. Die ogen. Ze bleven hem aankijken. Zijn mondhoeken gingen omhoog. Hij kon er niets aan doen.

Hij lacht terug, ziet ze. Hij ziet er leuk uit zo. Jongensachtig verlegen. Een mens van vlees en bloed die denkt dat hij een pion is op Allah’s schaakbord. Een serie schokjes gaat door de passagiers. De bus staat bijna stil. Buiten vormen de hoofden op het perron een branding. Nu of nooit. Ze spreekt het woord.

Ze liet hem kort haar lange wimpers zien. Ze leek iets te zeggen. Hij haalde de wenkbrauwen op. Toen zag hij wat ze bedoelde. ‘Sjalom,’ las hij op haar lippen. Langzaam tilde hij zijn kin op.

Hij begrijpt de boodschap, want hij knikt. Verdriet trekt als een wolk over zijn gezicht. Hij maakt een hulpeloos gebaar met één arm. De andere is half verdwenen onder zijn burnous. Toe, kijk weer naar me, denkt ze.

Hij keek haar opnieuw aan. ‘Vrede,’ las hij nog eens.
Nu of nooit.
‘Insj’Allah,’ prevelde hij.

‘Zo God het wil,’ beaamt ze, haalt adem en sluit de ogen.

De vraag was niet waar.
De vraag was niet wanneer.
De vraag is of.

maandag, januari 11, 2010

Strandbloempje


Ze ziet hem. Hij haar niet.
Dat is niet erg. Alles liever dan gezien worden.

Ze heeft haar armen om de knieën geslagen. Zo blijft haar bovenstukje verborgen. Dit jaar draagt ze het voor het eerst. Niet dat er veel te verbergen valt. Ze zou wel willen wegzinken in het Donald Duck-strandlaken dat ineens veel te kinderachtig is.

Als hij achter de bal aan rent, stuift er zand op, zodat het lijkt alsof hij op wolken loopt. De manier waarop zijn spieren zich spannen, doet iets met haar buik. Een honger die ze niet begrijpt. Zouden die meiden dat nou ook hebben? Ze pakken de bal af, lopen treiterend heupwiegend weg, zetten een sprint in als hij ze eindelijk achterna komt, gillen ‘neeee’, maar bedoelen ja. Dat aanstellen. Ze haat het. En hij? Hij lacht zijn witte tanden bloot en houdt de veroverde bal hoog, zoals ze wel eens een voetballer op tv heeft zien doen.

Nu is hij vlakbij. Ze houdt de adem in, gluurt door haar wimpers. Hij draait zich alweer om. Gelukkig. Zijn bezwete lijf. Een rilling gaat over haar ruggengraat naar beneden, ver naar beneden. Ze is al twee keer ongesteld geweest. Dit is anders. Dit is nieuw.

Ze leest wat in het boekje dat ze van haar moeder heeft geleend. ‘Als hartstocht bloeit’. Op de omslag kijken een vrouw en een man elkaar diep in de ogen.

Hij. Zij. Met haar ogen dicht ziet ze hoe hij haar herkent. Hij zou haar ontvoeren naar een verlaten bocht. Hij zou haar neerleggen in de schaduw van een palmboom. En dan? Hij zou het haar vertellen, met zijn ogen, in het licht van de ondergaande zon.

De bal schampt haar. ‘Au!’ roept ze. Het boekje is uit haar handen gevallen. Ze wil het oprapen als er een schaduw op valt. Ze kijkt op. De zon tovert een aureool om de vorm.
‘Heb je je pijn gedaan?’
Hij is het en hij praat tegen haar. Op de achtergrond zijn de meiden stil gevallen, wachten met de handen in de zij af.
‘Gaat wel,’ stottert ze.
Hij doet een stap opzij. Nu kan ze zijn gezicht beter zien. Zwarte krulletjes. Guitige bruine ogen. Zweetdruppeltjes. Hij lacht naar haar. Geen gemene lach, zoals die van de jongens op school. Ze heeft ineens overal kippenvel.
‘Hoe heet je?’
Hij vraagt haar iets! Ze giechelt. Ze kan er niets aan doen.
‘Hoe heet je?’
Nog eens. Hij knielt neer, zoekt haar ogen. Ze moet wegkijken. Ze moet zich nog kleiner maken, omklemt haar knieën alsof haar leven ervan afhangt.
‘Veronica,’ zegt ze tegen het zand.
‘Da’s een prachtige naam,’ zegt hij. ‘Sorry, Veronica, ik zal het nooit meer doen.’
Voorzichtig tilt ze haar gezicht op. Weer die lach. Naar haar.
‘Dag Veronica.’
Hij staat op. Ze ziet hoe zijn kuitspieren zich spannen.
‘Dag,’ zegt ze.
Ze is nog nooit zo gelukkig geweest.

dinsdag, december 15, 2009

De beschutting van mijn hut


Patrijspoorten zijn schaars op een vrachtschip. Logisch, er moet gewerkt worden. Wat zul je naar buiten kijken, waar toch niets te zien is behalve zee en lucht? Concentratie, daar gaat het om. Een ongeluk zit in een klein hoekje als je een oceaan bevaart die zo groot is dat zelfs het grootste schip ter wereld er met gemak een paar triljard keer in kan verdwijnen. Met man en muis vergaan, heet het dan.
Mijn hut heeft dan ook geen venster. Wel een deur (die niet helemaal dicht gaat), een kast (die ik niet echt nodig heb) en een gloeilamp aan een koordje die bij zeegang vervaarlijk met mijn schaduw strooit op de vloer die bedekt is met de herinnering van een strooien karpet. Wat aan rafels overgebleven is, resoneert op de gekmakende hartslag van de Acaso; de machinekamer ligt pal onder mijn hut. Als je goed kijkt, zie je hoe de desintegratie in zijn werk gaat. Bij iedere omwenteling van de zuigers danst het textiel als uitzinnig. Omdat er nog samenhang is, worden de vezels iedere seconde opnieuw aan, naar verhouding, enorme trillingen en G-krachten blootgesteld. Vanzelf worden ze uitgerekt, iedere tel weer, tot de grenzen bereikt zijn. Het stro wordt langzaam maar zeker aan stukken gereten. Dan is er geen redden meer aan. Alle verbindingen laten los.
Voor het resultaat bestaat de verzamelnaam stof. Dat doet de situatie onrecht. Sommige fragmenten van het karpet zijn inderdaad vergaan tot het formaat van zandkorrels. Weer andere meten nog enkele vierkante millimeters en lijken, als miniatuur tumbleweeds dansend op de maat van de scheepsmotoren, wanhopig op zoek naar het voormalige geheel. Soms krijgen ze contact met hun pluizige soortgenoten, maar de illusie is een kort leven beschoren. Bij de volgende dreun van de dieselmotoren ontstaat alweer een geheel andere, even hopeloze realiteit.

Het is niet veel, mijn hut, maar het is mijn huis, de enige plek aan boord waar ik iets van privacy heb en waar ik, ondanks het feit dat de deur niet helemaal dicht kan, veilig ben voor de kapitein. Hier heeft hij me vreemd genoeg nog nooit lastig gevallen. Ik vraag me af hoe lang dat nog gaat duren.

Van de weeromstuit schrijf ik lange brieven aan Sophie, ongemakkelijk in mijn kooi liggend of zittend. Kramp in spieren waar ik me niet bewust van was, noopt me af en toe tot pauzes. Die duren nooit lang, want ik heb veel te veel op mijn lever. Ik probeer Sophie uit te leggen dat het onvergeeflijk is wat ik heb gedaan, maar dat het een gedwongen zet was; ik kon echt niet anders. Ik druk haar op het hart dat – hoe gek dat ook klinkt uit de mond van een man die de liefde van zijn leven op zo'n weerzinwekkende manier in de steek heeft gelaten – ik me zorgen om haar maak, dat ze vooral structuur moet zoeken om het gekkenhuis te overleven. Ook biecht ik op hoe moeilijk ik het had toen ze voorstelde er samen uit te stappen. Dat ik daarom haar iPhone in de Taag had gegooid. Ik smeek haar geen poging te doen om me achterna te komen. Ze moet door, omdat ik al voor haar sterf.
Nooit vergeet ik aan het eind van de brieven te beschrijven hoeveel ik van haar houd, in steeds wisselende bewoordingen, want dat is zo. Ik heb de ware gevonden en liet haar vallen. Vanwege een groter plan.

Het verdriet is machtiger dan de pen, want als er tranen op het papier vallen – en dat gebeurt vaak – verkleurt eerst de inkt en dan verliezen de letters traag hun vorm, alsof ze smelten. Niet dat iemand ooit proberen zal ze te ontcijferen. Er is vast nog wel een postkantoor op Montserrat, alleen is het bij gebrek aan bevolking waarschijnlijk verlaten. Met geen mogelijkheid ter wereld zal ik de brieven ooit kunnen posten.
Nee, het heeft geen zin om aan Sophie te schrijven, tenzij het waar is wat ze beweert over de gedachtevelden: mensen kunnen langs telepatische wegen met elkaar in verbinding staan. Hoe vaak hebben we niet na soms dagen van radiostilte op exact hetzelfde moment op de verzendknop geklikt om elkaar een mailtje te sturen? Dat bewijst echter niets. Vanaf het moment dat ik Sophie leerde kennen, is ze nog geen tel uit mijn bewustzijn geweest. Als het bij haar ook zo was, is toeval automatisch tot een natuurwet gepromoveerd, ware het niet dat ik me aan boord bevind van een aftandse, onder Panamese vlag varende, slome Portugese stomer. Het is onmogelijk de bewijzen te overleggen en wederom is de kwestie academisch. Als mijn hut een patrijspoort had – wat dus niet het geval is – zou ik kunnen zien hoe de werkelijkheid aan de buitenkant van de Acaso slechts uit onmetelijke, verschillend getinte vlakken blauw bestaat. Nooit heeft mijn gezichtsveld een grotere werkelijkheid omvat als oog in oog met de zee. Toch is mijn wereld ongelooflijk gekrompen sinds het vertrek uit Porto. Geen Internet hier en evenmin bereik voor mijn mobiele telefoon die ik louter vanwege de sms-jes van Sophie heb bewaard.
Alle 16 strooien ze zout in de wonden, zelfs de eerste, ook al bevat die slechts een enkele X en de mededeling 'de Wit', in antwoord op mijn eveneens per sms gestelde, niet bijster originele vraag waar ze zich bevond.

Hoewel ik haar verlaten heb, weigert Sophie te vertrekken. Ze is bij me. Nog steeds. Omdat ik haar blijkbaar nodig heb om aan de beschutting van mijn hut te ontsnappen. Daarbij blijven haar borsten en billen door mijn bewustzijn tuimelen, wat me weer van pas komt als mijn ogen niet dicht willen vallen en ik masturbeer bij wijze van probaat slaapmiddel. Liefde is egoïsme ten top.


(Uit de Verboden Woorden)

dinsdag, december 08, 2009

Op weg naar Montserrat (de voorlopige proloog van de Verboden Woorden)


De mens is terminaal vanaf zijn geboorte, de dood sluipt iedere seconde dichterbij. Maar als de dagen die nog resten op je vingers te tellen zijn, krijg je een heel ander verhaal.

Het opspattende water bijt in de talrijke wondjes op mijn handen. Hoewel ik aan de schaduwkant van de boot bungel, is het zo heet dat het zweet in straaltjes van mijn lijf loopt. Kostbaar zout verlaat als ratten het zinkende schip. Hoe zinloos. In een halve cirkel ontvouwt zich zo ver als het oog reikt alleen maar oceaan. Het moet hier ongeveer vier kilometer diep zijn. Gegeven de twee meter die ik me op het hoogste punt van de golven boven het wateroppervlak bevind en – voor de volledigheid, want de invloed is marginaal – de kromming van de aarde, is mijn blikveld beperkt tot een kilometer of twee van alleen maar zout water. Hoeveel miljoenen hectoliters zijn dat? Eens kijken. De inhoud van een cirkel bereken je door de straal met de straal en pi te vermenigvuldigen, gedeeld door twee want ik zie maar de helft. En dat dan maal vier kilometer diep. Mijn hersens koken, ik krijg de som niet opgelost. Alsof het antwoord ertoe doet. Er is geen druppel drinkbaar van. De veldfles die hinderlijk om mijn nek hangt, is al lang leeg. Regenen gaat het ook niet. Alleen op de horizon is een plukje engelenhaar geplakt, de hele dag al. Verder is de lucht een stolp van staal. Natuurlijk heb ik kramp in mijn darmen, maar de dorst is erger.
'Agua!' roep ik naar boven.
De kapitein – laat ik hem maar zo noemen, dan word ik minder kwaad – ligt natuurlijk ergens zijn roes uit te slapen. Trouwens, als hij wakker is, zou hij waarschijnlijk doen alsof hij me niet hoorde, want de klootzak laat geen gelegenheid onbenut om me het leven zo zuur mogelijk te maken. Helaas bestaat de rest van de bemanning uit Chinezen en weet ik wel hoe je iemand een goede dag wenst, maar ben ik vergeten te vragen wat ze tegen 'water' zeggen.
'Hé!' schreeuw ik daarom maar, tot mijn luchtpijp begint te schrijnen. Slikken gaat nu haast niet meer. Nog even en ik ga van mijn stokje. Ik ben niet eens gezekerd. Ik kijk naar de restanten van de boeggolf die met een snelheid van niet meer dan acht knopen onder mijn voeten voorbij bruisen, schat ik, want de Acaso is een oud beestje. Hoe helder de zee hier ook is, door de schaduw lijkt er op de rest van het water een vlies inktzwarte olie te drijven. Het is onmogelijk door het oppervlak de diepte in te kijken. Er staat niet veel golfslag. Toch deint het schip en kan ik met mijn tenen soms bijna de olie aanraken. Bijna. Ik stel me voor hoe het vlies zich niet laat penetreren en meegeeft. De gedachte aan Sophie is onvermijdelijk. Zij is waarschijnlijk weer terug in Amsterdam, waar de minnaars in de rij staan. Zou ze me missen, lijdt ze net zoals ik nu we elkaar nooit meer kunnen aanraken, elkaar zelfs niet meer kunnen mailen? Er bestaat geen definitiever afscheid dan dat wat ik op mijn geweten heb. Ik span mijn kaakspieren zo hard dat mijn tandvlees zeer doet. Ondanks de hitte raast er een ijsklontje door mijn ruggengraat. Laten we bij de les blijven. Wie weet wat er pal onder me zwemt. Haaien zijn in staat om bloed op kilometers afstand waar te nemen. Als ze er zijn, kunnen ze mij waarschijnlijk wel zien. Dat daar, was dat geen vin? Voor de zekerheid trek ik mijn benen ietsje hoger op, draai een kwartslag en laat mijn voeten steunen op de pokdalige huid van de Acaso, de huid die ik op last van de kapitein van schelpen, wier en algen moet ontdoen, wat onbegonnen werk is. Misschien een halve vierkante meter ben ik gevorderd in al de uren dat ik op deze kolereschommel zit, bewapend met een uit de kluiten gewassen, maar veel te bot soort plamuurmes, waardoor ik om de haverklap de rug en de knokkels van mijn beide handen openhaal, want vanwege de vermoeidheid ben ik gedwongen rechts met links af te wisselen. Soms gebruik ik ze zelfs samen om hardnekkige schelpen te verwijderen. Het touwtje waarmee het werktuig om mijn pols zit, irriteert, telkens als het over mijn vel schuurt en dat gebeurt vaak, heel vaak. Ik had Sophies iphone niet in de Taag moeten gooien, schiet me te binnen, ik had het ding in mijn zak moeten steken. Dan had ik tenminste muziek gehad. Ik zou een moord doen voor Bach. En nog één om Sophie een laatste maal te mogen kussen trouwens.

Pauze, denk ik. Geen vin verroer ik meer tot er water komt. Met mijn voeten tegen de Acaso leunen, veroorzaakt pijn in de bovenbenen. Ik laat me weer met de rechterschouder tegen het schip aan zakken, maar ook dan resoneren de dieselmotoren op den duur tot in mijn vullingen.
'Ni Hao,' krijs ik naar boven, 'me need drink!'
De dieselmotoren stampen, golven in mijn blikveld bewegen, maar het geheel staat onverminderd stil. Waarom laat ik me niet gewoon vallen? Vermoeid als ik ben, zouden mijn spieren al snel verkrampen. Ik zie het voor me: ik watertrappelend terwijl de Acaso snel kleiner wordt. Op het laatst zou je alleen nog wat rook zien kringelen, bij voorkeur in de vorm van een vraagteken. Het summum van pleinvrees zou ik beleven, want daarna zou er alleen nog maar water en lucht zijn om me heen. Maak er trouwens maar het summum van claustrofobie van, want de ruimte is bedrieglijk. In de praktijk zou ik namelijk geen kant op kunnen. Binnen een half uur zou het afgelopen zijn, als een haai me tenminste niet eerder te pakken kreeg.
Nee, denk ik, niet zo, dat is mijn eer te na. Er is maar één mogelijk einde: ik moet en zal naar Montserrat.


Ep Meijer 2009

donderdag, november 26, 2009

Waarom mannen nooit iets van vrouwen zullen begrijpen


'Kom dan schatje, bel me snel!' hijgde Chantal en verplaatste de kauwgom naar de andere kant van haar mond. 'Zo goed?'
'Nee, nee en nog eens nee,' mopperde de regisseur. 'Je moet er gevoel in leggen, verdomme!'
'Dat doe ik toch,' mompelde Chantal en blies een bel die toen hij knapte klonk alsof iemand in de handen klapte. Vet wel, dacht ze, zo meteen een sms-je sturen aan Sharon.
'Je bent de droom van iedere man,' vervolgde de stem in de koptelefoon, 'stel je voor dat ze, alleen van het horen van je zwoele stem, al bijna klaarkomen.'
Chantal giechelde en duwde met haar tong in de kauwgom, zodat er een vlies ontstond. Daarna blies ze een perfecte bel. Pets! Echt vet, dacht ze, dat geluid als hij knapte. Sharon moest dit gewoon weten. Chantal pakte haar mobieltje erbij. Ze stond toch met haar rug naar de regisseur toe. Die bleef intussen maar doorzagen.
'Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat mannen opgewonden raken van kreetjes op een bepaalde toonhoogte. Van dat fenomeen maken wij gebruik om eenzame mannen zover te krijgen dat ze ons 0900-nummer intoetsen.'
Ja ja, dacht Chantal, en maar dure woorden gebruiken en maar denken dat ze zo indruk konden maken. Mooi niet, loser.
'Blln blzn in stdio egt vet!!!!!!' sms-te ze.
'Dus doe me een lol, Chantal. Zeg het alsof je het zelf gelooft. Je bent al nat, je wilt niets liever dan een machtige roede in je schede.'
'In mijn wat?!' vroeg Chantal kauwend. Waarom antwoordde Sharon niet? Zeker weer aan het slettebakken op msn.
'Een dikke pik in je nauwe kutje dan.'
Chantal glimlachte, stopte de kauwgom achter een kies en haalde diep adem.
'Kom dan schatje,' kreunde ze, 'bel me snel!'
Het bleef stil in de koptelefoon.
'En?' vroeg ze, alweer kauwend.
'Perfect,' zei de regisseur, 'ik heb er zelf een stijve van.'
Chantal blies nog een bel. Pets!
'Krijg ik meer als je hem er even in mag stoppen?' vroeg ze, draaide het hoofd naar de regisseur en tuitte haar lippen rond de microfoon.
'Veel meer,' klonk het hees in de koptelefoon, 'misschien wel een Breezer.'
Ze nam de microfoon helemaal in haar mond, keek hem toen recht aan.
'Kom dan schatje,' steunde ze, 'neem me... Snel!'

Ze moest hem helpen, de stumper, met haar hand, om die schede van hem te vinden. Zo machtig was zijn roede trouwens ook niet, dacht Chantal kauwend, terwijl ze zich als een hond door hem liet berijden en zijn gehijg de studio vulde. Gelukkig, daar piepte haar mobieltje. Focking hell, Sharon had nieuws over Achmed en Veronica!
Ze keek over haar schouder, naar het rode hoofd van de regisseur.
'Komt er nog wat van?' kauwde ze.

dinsdag, oktober 20, 2009

'Sorry dames, het jachtseizoen is voorbij!'


September 1987. Ik sta op de top van Alpe d'Huez en hoest mijn longen over het asfalt terwijl mijn voorhoofd telkens onzacht in aanraking komt met het fietsstuur. Ik ben te kapot om voorlopig ook maar iets aan mijn lichaamshouding te veranderen. Zestien minuten heb ik er langer over gedaan dan Erik Breukink, maar toch. Ik had de bus bijna kunnen bijhouden!

Na ik weet niet hoe lang is het tijd voor het traditionele sjekkie. Het inhaleren doet zeer en mijn longen zijn het er duidelijk niet mee eens dat ik rook. What the heck? Ik ben er een kei in om me doof te houden voor wat er werkelijk aan de hand is.

Ik begin het koud te krijgen. Al te lang kan ik hier niet meer blijven. Na het feest van de afdaling is het nog ruim ruim honderd kilometer naar huis over heuvelachtig terrein. Alhoewel, huis? Ik leef in een hotelkamer.

Als ik straks, wanneer het donker zal zijn, volkomen uitgepierd bij het hotel aankom, is de kans groot dat Jean-Pierre, de receptionist van dienst, me grijnzend mijn post overhandigt: briefjes met spannende voorstellen van Anne, Natalie en Nataly, maar als ik pech heb echtscheidingspapieren die ondertekend moeten worden.

In gedachten schreeuw ik het uit en hoor de echo van haar naam van alle kanten uit de bergen terug als straf. In het echt durf ik niet. Wat zou men wel niet van me denken? Alsof de omstanders zouden snappen dat ik het mooiste cadeau dat ik ooit van het leven kreeg, verspeeld heb.

Het sjekkie trap ik half opgerookt uit, ik prop wat bosbessentaartjes naar binnen en drink mijn bidon half leeg. Mijn longen luisteren inmiddels weer een beetje naar me. Ik span ze tot het uiterste, een paar keer, tot ik ze weer helemaal in het gareel heb. Mijn polsslag is ook aardig tot bedaren gekomen, voel ik. We kunnen weer. Ik wil hier niet blijven staan en beseffen dat ik drie vrouwen tegelijk nodig heb om de pijn over die ene te verzachten. Wat Anne, Natalie en Nathaly ook doen, het zal nooit genoeg zijn. Ik ga met ze kappen ook. Het leven is lijden? Kom maar op dan, desnoods als monnik, het kan nooit zwaarder zijn dan de Alpe d'Huez op fietsen in 55 minuten. Met ware doodsverachting stort ik me naar beneden.


Ep Meijer 2009

vrijdag, september 25, 2009

'Mijn vrouw begrijpt mij niet'


Als je heel goed luistert, kun je het horen, doorgaans pal voor sluitingstijd: een koor van duizenden mannenstemmen. De bezitters van die stemmen hebben de kroeg verkozen boven het gezelschap van hun eega. Ze laten zich liever vollopen dan dat ze thuis het eeuwige gekijf aanhoren. Wat roepen ze dus, vlak voor de barkeeper hen de deur uitstuurt?

'Mijn vrouw begrijpt mij niet.'

Deze kreet behoort naast 'ken ik jou niet ergens van?' en 'kom je hier vaker?' tot het standaardrepertoire van de man.

Hebben we dan helemaal niets geleerd, heren? Laat me u, ter leering ende vermaack, ontvoeren naar de diepzee.

Op kilometers onder het wateroppervlak is het aardedonker. Het valt niet mee om er voedsel te vinden, laat staan een partner. De duivelsvis heeft wel een heel bijzondere manier gevonden om het voortbestaan van de soort te garanderen. Het mannetje wordt geboren met een merkwaardig uitstulpsel op de neus. Het is een soort antenne die feromonen opspoort. Om te voorkomen dat het mannetje toch zijn eigen gang gaat in het donker, sterven zijn spijsverteringsorganen af zodra hij volwassen is. Om te overleven, moet hij wel een vrouwtje vinden.

Als dat gelukt is, 'bijt' het mannetje zich met het uitstulpsel vast aan de onderkant van het vrouwtje. Meteen houdt zijn hart op met kloppen, want vanaf nu maakt het lijf van het mannetje deel uit van dat van het vrouwtje. Uiteindelijk blijft van het mannetje niets anders over dan een karkas met een spermazakje waarover het vrouwtje naar believen kan beschikken.

Kortom, mannen, laten we ophouden ons te beklagen over het onbegrip van onze wederhelften. Het is niet de bedoeling dat ze ons begrijpen, het gaat om ons zaad. De rest is opsmuk.


Ep Meijer 2009.
Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd.

zondag, september 13, 2009

Doe het nou niet want ik heb het zo graag



Homo's hebben het maar gemakkelijk. Die gaan gewoon naar een parkeerplaats langs de A-12 en hangen een zakdoek op een bepaalde manier uit hun broekzak. Klaar is Kees, alle betrokken partijen weten meteen waar ze aan toe zijn qua vraag en aanbod.

Voor een heteroseksuele man ligt het wat lastiger. Een zakdoek half uit mijn broek? Kom nou, de andere kunne denkt meteen dat ik onverzorgd ben. Niet dat er een plek bestaat waar er vrouwtjes zijn die zich met mij willen verenigen, vrouwtjes althans die openlijk daarvan getuigen en – heel belangrijk, want ik heb nog nooit voor seks betaald en ga het ook nooit doen ook – het gratis met me doen.

Gratis? Ach, aan iedere seks hangt wel een prijskaartje (een bloemetje zus, de vuilnisbakken buiten zetten zo). Daar gaat het nu even niet om. Uit onderzoek blijkt dat vrouwen bijna net zo vaak behoefte aan seks hebben als mannen, zeker als ze single zijn.

1 + 1 = 3. Het is in onze maatschappij nu eenmaal niet gangbaar om publiekelijk van onze lust te getuigen. Stel dat ik in een T-shirt zou rondlopen met de tekst: 'Eventueel geïnteresseerd in seks met u.' Een groen petje dan, voor alle vrijgezellen? Via gekleurde reepjes kun je dan de voorkeuren bekend maken.

Geeft u het toe: het zou niet werken in de echte wereld. Mensen zouden het zielig vinden.

Toch droom ik wel eens van ingebouwde chips die, zodra sprake is van oogcontact met een mogelijke partner, onmiddellijk allerlei informatie heen en weer seinen.

'Okay buster, this one requires 23 text messages, two dinners and a lot of wine. She loves performing oral sex though. She says she's great at it. Unfortunately your bank account doesn't allow you to take her out. Do you want to continue?'

Dromen zijn bedrog en hetero's zijn geen homo's. Dus zit het spel wat ingewikkelder in elkaar en moeten we het vooral van toeval hebben voor een match. Zonde, als je bedenkt hoeveel kansen op hemels samenzijn er dagelijks verloren gaan, juist als je er zo'n zin in hebt. Was je nou maar in gesprek gegaan met die mooie meid, desnoods had je haar gevraagd of ze wist waar de lucifers lagen (vanwege de vonken)!

Ik weet het goed gemaakt. Voortaan, als ik in de supermarkt ben, verwissel ik mijn boodschappenmandje iedere tien seconden van arm, ten teken dat ik in ben voor spannende avonturen. Of nee, nog beter: ik lach gewoon naar jullie.

Maar dat deed ik altijd al.
Zucht.
Suggesties zijn welkom.


Ep Meijer 2009.
Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd.

dinsdag, september 01, 2009

Zo moet een huisvrouw zich voelen




Hoewel er 's avonds miljarden blinkende speldenknopjes aan de hemel staan en je zelfs vaak kosmisch gruis in de dampkring kunt zien verbranden (zodat je tientallen wensen mag doen), staat deze vakantie – als je het zo mag noemen, want het lijkt meer op bezigheidstherapie – niet onder een goed gesternte.

Zo presteren mijn oudste zoon en ik het om het wereldrecord fietssleutels kwijtraken met glans te verbeteren: drie in twee dagen tijd. Ook is het linnengoed voor ons tenthuisje niet geleverd en blijken de twee gasflessen leeg. Tot overmaat van ramp is de Spiderman-trolley van mijn jongste zoon kwijt, met daarin onder andere een zelfgemaakte knuffel. Het arme jong heeft al zo'n heimwee.

Om dat soort dingen kun je later misschien ooit eens lachen of meewarig glimlachen. Dat geldt niet voor wat er op de derde dag van onze zogenaamde vakantie gebeurt: vrouwlief verrekt haar enkelbanden.

Vanaf dat moment ben ik alleen nog maar bezig heen en weer te rennen. Ik spreek vrouwlief bemoedigend toe, regel dokters en taxi's. Ik help haar even geduldig als liefdevol bij het aan- en uitkleden, begeleid haar naar het toilet, als het moet midden in de nacht. Ik prijs vrouwlief even uitbundig als oprecht vanwege de dappere manier waarop ze met haar handicap omgaat – ze overwint zelfs de duinovergang, op krukken, de heldin! Natuurlijk snel ik naar het dorp om pleisters voor haar te halen, extra dure.

Intussen houd ik de BV Zeester gaande (zo heet ons tenthuisje). Ik doe de boodschappen, ik kook, dek en ruim de tafel af, ik doe de afwas en de was. Ik hang de was ook op en weet gaandeweg heel creatief om te gaan met het gebrek aan wasknijpers. Alleen het bed van mijn jongste zoon al verschoon ik acht keer, want de heimwee laat hem nog meer bedplassen dan anders. Ik ruim braaksel op en gooi de emmer met urine leeg, als vrouwlief begrijpelijkerwijs niet weer helemaal naar het toiletgebouw wil. Ik kan zien dat de blaren op haar handen erg zeer doen, ondanks de dure pleisters. Met geen woord hoor je haar klagen. Natuurlijk zorg ik dat het haar aan niets ontbreekt.

Tussen de bedrijven door ben ik kinderdagverblijf en politieagent ineen. Nog maar nauwelijks bekomen van het opblazen van twee flippers en een strandbal, dien ik het gespuis alweer van drinken te voorzien, want ze hebben zo'n dorst. Ofschoon het ook hen aan niets ontbreekt, maken ze vaak onderling ruzie. Over futiliteiten. Wiens ijsje hoeveel heeft gekost, puzzelboekjes waarvan we er honderd hebben, maar juist in dat ene willen ze alledrie tegelijk kijken. Ik speel me wat voor Veiligheidsraad, zeg.

Dan breekt de vrijdag aan, de laatste hele dag van onze tijd op Vlieland, in sommige kringen ook wel vakantie genoemd. Omdat we uit gaan eten, heb ik eindelijk een moment voor mezelf en kan ik aan mijn boek beginnen, waarop ik me erg verheugd heb. Ik kondig het zelfs publiekelijk aan.
'Kinderen,' spreek ik. 'Nu ben ik even aan de beurt. Pappa gaat net doen alsof hij vrij is en hij gaat lekker lezen. Tot later!'

Welgeteld één pagina van het voorwoord heb ik tot me genomen.
'E-ep,' vraagt mijn oudste zoon, 'wil je mijn vlieger uit de knoop halen?'
'Nee,' antwoord ik zonder van het boek op te kijken, 'zoals je ziet ben ik aan het lezen. Voorzover ik het net nog niet duidelijk genoeg heb gemaakt, ik wens even niet gestoord te worden.'

Een alinea later meldt zich dochterlief die er al die tijd bij heeft gestaan.
'E-ep, waar is het wc-papier? Ik moet poepen.'
'Waar het altijd ligt,' zeg ik, sla het boek dicht, verzamel de afwas en haast me naar het toiletgebouw. Daar heb ik tenminste rust.


Ep Meijer 2009.
Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd.

vrijdag, juli 24, 2009

Fletsj! Of: een welgemeend advies aan vrouwen met groene vingers




In deze tijd van het jaar moet je na zonsondergang oppassen in de tuin. In ieder geval is het aan te raden om schoeisel aan je voeten te hebben. Je kunt namelijk zomaar op iets stappen dat als een bananenschil aanvoelt. Alleen is deze bananenschil levend. Althans, hij heeft geleefd tot jij erop stapte. Misschien leeft hij nog steeds. Moeilijk te zeggen. Kan iets leven als de ingewanden eruit puilen? Tjonge, dat zelfs een naaktslak darmen heeft!

De naaktslak dus. Hij schijnt een plaag te zijn in de tuin. Geen idee waarom. De enige naaktslakken die ik ken, liggen hinderlijk in de weg op stoeptegels, al dan niet in rottende staat. Eén van mijn talloze exen had uitzinderlijk groene vingers en wist zeker dat naaktslakken om een totale oorlog vroegen. Ze zette vallen in de tuin. Kommetjes gevuld met bier, want daar waren ze gek op. De beesten hadden nog smaak ook. Daar gingen mijn tripeltjes.

's Ochtends vonden we de kommetjes propvol opgezwollen naaktslakken die ik dan kokhalzend in de kliko gooide. Dat maakte een geluid als een heel grote klodder snot die in een bak met palingen terecht kwam.
'Mooie dood, toch?' vond mijn ex.

Vanavond heb ik in de schemering als een soort amateur-Richard Attenborough op de hurken in de tuin doorgebracht en het gedrag van naaktslakken bestudeerd. Ga er maar aan staan. Je moet leven van spul waarin maar heel weinig calorieën zitten. Dus heb je geen andere keus dan de hele nacht foerageren, eten tot je barst en gauw weer terug, voor de zon je verzengt. Het lijkt warempel een verhaal uit de Griekse mythologie.

Dat is nog niet alles. Naaktslakken bewegen zich met een gratie waaraan Rudolf Nurejev nog een puntje kan zuigen. Dan heb ik nog niet eens over de voelsprieten gehad. Vier hebben ze er en ze zijn voortdurend op verkenning. Ze strekken zich uit en verdwijnen weer, in een ritme dat alleen aan naaktslakken voorbehouden is. Naaktslakken spelen ballet met de werkelijkheid. In slow motion, hoewel de nachten kort zijn. Naaktslakken staan voor onthaasting. Zo menig filerijder kan er nog wat van leren.

Kortom, ik nodig mijn vrouwelijke lezers (voorzover in het bezit van een tuin) uit om de naaktslak niet als een plaag te beschouwen, maar als een cadeau, gezien ook zijn vorm en vooral zijn voelsprieten. Jullie smeren toch ook al het gezicht in met slakkenslijm? Nou dan. Kijk naar die loom kronkelende levenslust aan jullie voeten, geniet van je fantasie en voer het bier, met name als het Belgisch is, aan je man. Bedankt vast. Voor het overige ben ik van mening dat naaktslakken, slijmerig als ze zijn, in het parlement thuishoren. We zetten ze gewoon een brilletje op, trekken ze een stropdas aan en ik zweer het jullie: niemand merkt het verschil.

Veel tuinierplezier!

zaterdag, juli 04, 2009

Samen uit, samen thuis




De wereldgeschiedenis heeft geleerd dat terugwegen niet iets zijn om luchtig over te doen. Vraag het Napoleon, wiens leger tijdens de terugtocht uit Moskou in de pan werd gehakt. Vraag het Odysseus, ook al is hij dan verzonnen, die stormen, sirenen en een Cycloop moest overwinnen om weer thuis te komen uit Troje.

Op de heenweg kun je je tenminste nog ergens op verheugen. Op de terugweg daarentegen lonkt niets anders dan thuis, daar waar je juist vandaan vertrokken bent.
Waarom überhaupt nog gaan?

Omdat er een kermispretpark in de stad is en dat is wel duur, maar o zo leuk voor de kinderen.

Voorwaar, leuk was het. Wat heeft het kroost genoten, wat kon het niet op qua sensatie, zoetigheid en hoogtevrees mijnerzijds! De pannenkoeken achteraf mochten er trouwens ook zijn.

Dan breekt onvermijdelijk de terugweg aan, onder normale omstandigheden een half uur fietsen, maar ons tempo wordt bepaald door een meisje van vijf, op een fiets met zijwieltjes. Mijn oudste zoon Sietse houdt als een herdershond de groepjes bij elkaar die vanzelf ontstaan. Als hij buiten adem weer eens bij mij en Bart verslag komt uitbrengen, belandt zijn voorwiel in de berm. Hij probeert nog bij te sturen, maar het fietspad is te hoog. Het voorwiel klapt dubbel en Sietse smakt op het asfalt. Zijn knie bloedt lelijk en hij huilt als een jonge wolf, maar daar komt mijn collega en vriend Milos al aangerend met een papieren zakdoekje. Verderop, zie ik, is het konvooi tot stilstand gekomen.

Er dreigt onweer, de hele dag al. Slechts als door een wonder is het tot nu toe droog gebleven en is niemand van ons negenen door de bliksem getroffen in de achterlijk hoge zweefmolen, waar ik als enige niet in durfde. Feit is dat dit avontuur nog wel eens lang kon gaan duren.

Of dat erg is? Als de karavaan onder de resolute leiding van mijn vriendin weer op gang gekomen is, bezie ik het gezelschap. Naast mijn vriendin fietst Erika, bij haar achterop zit chocolakleurige Nana, het resultaat van Erika's romance met een Afrikaan. Achterop bij mijn vriendin zit hoogblonde Tineke en zoals altijd kwetteren Nana en Tineke erop los. Duo Penotti. Soms zingen ze ineens en soms doen Sietse en Bart, die bij mij achterop zit, ineens mee. Tussenin rijdt Milos en hij moedigt zijn dochter onvermoeibaar aan. Even onvermoeibaar zwoegt Katja door, op haar fiets met zijwieltjes. Het is gaan schemeren. Zelfs de wijk Schothorst is mooi in strijklicht. Dit avontuur, bedenk ik me, kan niet lang genoeg duren.

Ik word op mijn wenken bediend. Erika stuurt ons nog dieper Schothorst in, zo diep dat de weg doodloopt. Een wandelpad brengt uitkomst. Het voert ons door een donker stuk bos. Door de takken heen zien we een tuin, met daarin een veranda. Er zit een man die ons heel opgewekt groet.
'Kijk,' roept Nana en wijst op de stenen onder ons, 'minipadjes!'
Tientallen van een inderdaad vrij kleine paddensoort hebben dit moment uitgekozen om aan hun trek te beginnen. Van de weeromstuit raakt onze achterhoede met de relaxte man op de veranda in gesprek over de zin van het leven. Misschien geeft hij ook wel een raadsel op.

Toen we weer in de blokkendoosrealiteit van Schothorst beland waren, was de groep verbrokkeld geraakt. Terwijl mijn vriendin alvast resoluut de route verkende, bleven Erika, Milos en hun kroost achter. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om een sjekkie te draaien. Halverwege het rookgenot meldde zich Sietse met een mededeling van het front: het was in orde, mijn vriendin wist de weg vanaf hier. Ik bromde iets tegen mijn jongste zoon Bart, die bij mij achterop zat, over het immer falende richtingsgevoel van vrouwen.

Tijdens dan toch nog maar een tweede sjekkie doemt de achterhoede op. We hebben wel degelijk verliezen geleden. Er wordt niet meer gefietst, maar gewandeld. Katja blijkt moe. Gelukkig brengt Sietse, op zijn linkerknie stoer geronnen bloed, vraag en aanbod bij elkaar. Tineke gaat in plaats van Katja zwoegen op de fiets met zijwieltjes.

'Daar hebben we de C-1000 weer,' zucht Bart.
Ik kijk om me heen. Inderdaad. We zijn een half uur verder en we hebben een rondje gereden. Door de wijk Schothorst of all places. Erika komt naast me fietsen om me te bezweren dat het maar achttien minuten waren. Ik geloof er geen snars van. Trouwens, ik ben helemaal niet boos, ik ben juist aan het genieten.

Bij de rotonde rechtdoor in plaats van linksaf, juist ja. Nu kom zelfs ik op bekend terrein. Het is nog een heel eind fietsen naar huis en de lucht kleurt al mauve. Ik pols Bart. Zou hij niet even die fiets met zijwieltjes kunnen bemannen? Dan zijn we er tenminste wat sneller. Mijn jongste zoon heeft helaas te kampen met een vormcrisis. Hij fietst al zo lang zonder zijwieltjes, hij is bang dat hij het niet meer mét kan.

De Heere zij dank, we zijn op de randweg. Eerst wacht de spoorbrug. Naar beneden is geen probleem op een fiets met zijwieltjes. Omhoog moet Milos Tineke duwen, rennend met zijn fiets aan de hand. Op de achtergrond lijkt het alsof een reuzenspin lange draden geweven heeft over de brug. Terwijl hoger in de lucht vliegtuigen meetkundige vormen schrijven die nog niet uitgevonden zijn, komt Milos bijna ten val.

Bijna is niet helemaal. Op de volgende kruising doet Tineke het dunnetjes over. Praktisch uit stilstand weet ze theatraal ter aarde te storten. We zijn immers op een terugtocht en die horen nu eenmaal niet zonder bloedvergieten te verlopen. Vraag het Napoleon, vraag het Odysseus. Opnieuw komt het konvooi knarsend en piepend tot stilstand. Bart laat zijn hoofd tegen mijn rug vallen.
'Ik kan er niet meer te-he-gen,' klaagt hij.
Ik sla een arm om hem heen.
'Dit is je kans op eeuwige roem,' zeg ik, 'spring op die fiets en breng ons gezwind huiswaarts, koene ridder Bart!'
'Doe niet zo stom,' zegt mijn jongste zoon. Maar mooi dat hij het met zijwieltjes uitgeruste ros bestijgt en aan de verkeerde kant van de ventweg tegen de stoeprand tot stilstand komt, juist voor een aanstormende scooter. De jongen op de scooter drukt boos op de toeter en Bart schudt het hoofd.
'Zie je wel? Ik kan het niet meer.'

Katja van vijf moet het doen. Opnieuw. Zij is de ware heldin van deze terugtocht. Onverdroten neemt ze de laatste loodjes voor haar rekening, onvermoeibaar aangemoedigd door haar vader Milos.

Dan staan we op het kruispunt waar afscheid moet worden genomen, het is niet anders. Het zwerk kleurt inmiddels donkergrijs en ik heb heel ouderwetsch de dynamo tegen het voorwiel aan geplaatst, ook al wegens pedagogische redenen, want mijn zoons zijn erbij. In het verkeer gaat het erom gezien te worden.

In het leven ook. De volwassenen bedanken elkaar voor de dag en de kinderen willen eigenlijk alleen maar naar bed.

Het laatste stuk van de terugtocht zijn we koeien die na een lange winter de wei in mogen. Ons eigen tempo! Ik zet de grote molen erop en we vliegen. Bart joelt. Achter ons, ver achter ons, zetten Sietse en mijn vriendin even kraaiend als kansloos de achtervolging in. De wind in mijn oren hitst me op.
'Is dit,' hijg ik, 'een beetje zoals in de zweefmolen?'
'Nee joh,' antwoordt mijn jongste zoon, 'in de zweefmolen draai je rondjes. Dat doe jij nu niet.'
'Mijn benen wel,' werp ik tegen.
'Ja maar,' zegt Bart, 'dat voel ik niet.'
'We gaan anders wel heel hard,' pers ik eruit.
'Ja,' zegt Bart en hij slaat zijn armen om mijn middel, 'lekker hard.'

Omhoog kijk ik. De lucht is purper. Dit is nog steeds een terugtocht, bedenk ik me. Er zou nog iets ergs kunnen gebeuren. Bart zou bijvoorbeeld met zijn tenen tussen de spaken kunnen komen, zoals Tineke vorig jaar gebeurd is. Maar nee. Zijn voetjes rusten keurig op de steuntjes die ik speciaal voor hem gemonteerd heb. Bart vouwt ze zelf uit voor hij opstapt. Na gebruik klapt hij ze telkens weer netjes in.

Achter ons hoor ik hoe de stemmen van mijn vriendin, haar dochter en mijn oudste zoon zich mengen met het gekrakeel van honderden vogels. Een Godachtig wezen heeft oranje strepen in de paarse lucht geairbrusht. De rest van de wereld houdt zich stil. Ik voel de armen van mijn jongste zoon om mijn middel en ik zie sterren. We zijn weer thuis, waar alles precies hetzelfde is gebleven.

woensdag, mei 06, 2009

De Y-factor




'Sletje,' legt ze en ze doet niets aan het afgezakte schouderbandje.
'Jammer,' zegt hij na een pauze, 'dat zijn maar zes letters.'
Ze trekt een mondhoek omlaag en grabbelt in de zak. 'Als ik had kunnen uitleggen, had ik dat heus wel gedaan, hoor schatje.'
'Tuurlijk,' zegt hij en maakt er meervoud en 'ijs' van. De 's' ligt op twee keer letterwaarde, lekker puh.
'Ik heb alleen maar medeklinkers!' verzucht ze.
'Het is een kutspel,' zegt hij.

Intussen dreutelt en leuterd het op zijn bordje.
'Deurtel,' zegt hij, 'het moment pal voor je de deur opendoet als iemand heeft aangebeld. Wie is het, een oude vriend of de deurwaarder? In de deurtel schieten alle mogelijkheden door je geest, zo ongeveer als vlak voordat je dood gaat. Mag dat?'
'In je wildste dromen,' zegt ze en staart naar haar bordje, hem onderwijl een langdurige blik op haar decolleté gunnend.

'Geil' wordt er gelegd en – in etappes – 'copuleren'. 'Wij' verschijnt op het bord, maar ook 'knoop', 'quasi' en 'lust'.
De stand is 279 voor hem en 210 voor haar. 69 punten verschil. Hij beseft vooral welke letters hij niet heeft. Wat moet hij in vredesnaam met de y? Het maakt ook niet uit ook. Hij legt een w, een e en een l aan. 'Wellust,' zegt hij, '21 punten.'

Ze graait in de zak, legt een t achter zijn 'bef' en scoort en passant twee keer woordwaarde met 'paart'.
'28 punten,' zegt ze en ze strijkt met het puntje van haar tong ritmisch langs de binnenkant van haar bovenlip.
'Bezit,' legt hij, en 'zacht' tegelijkertijd.
Ze tilt een wenkbrauw op en scoort met 'vrij'.
Ze begint warempel in te lopen. Dit kan hij niet op zich laten zitten.
'Vrijen,' maakt hij ervan.
Zij tovert de voltooide vorm op het bord en raakt ook nog een d, een i, een l en een o kwijt. Nu is de achterstand tot 11 geslonken, hij moet iets doen.
'Yin,' legt hij, verticaal, waarop zij er heel gewoontjes 'yang' van maakt, maar dan horizontaal. Hij riposteert met 'vulva' en zij met 'nat'.

'Erect,' verschijnt op het bord en hij is uit.
'Sex', legt ze en ze houdt nog een letter over.
'Dat schrijf je met ks,' protesteert hij, 'dat mag niet.'
Ze legt er een t achter. 'Nu wel, want zo is het een vervoeging van een werkwoord. Ga je mee naar boven?'


Ep Meijer 2009.
Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd.

zondag, maart 29, 2009

In tijden van liefde en oorlog is alles toegestaan




Achter iedere hoofdletter zette ze een sierlijke krul. Uren kon hij ernaar staren.
'Mijn hobby,' las hij voor minstens de duizendste keer, 'jij natuurlijk!'

Daarom giechelde ze zo toen ze hem het vriendenboekje terug had gegeven.
De dag erna hadden ze voor het eerst hand in hand gelopen op het schoolplein. Het was vanzelf gegaan en hij zweefde in plaats van dat hij liep. Het duurde even voor ze door kregen dat de anderen ze aan het uitlachen waren. Toen pas merkten ze dat ze aan elkaar vast zaten.
'O!' riepen ze beiden tegelijk en lieten los alsof ze onder stroom stonden.

Zijn blik dwaalde naar beneden. Daar stonden in zijn eigen handschrift, heel in het klein en in potlood, streepjes. Hij hoefde niet eens te kijken want hij wist het uit het hoofd: 27 kusjes had hij haar nu al gegeven, waarvan 21 op de wang en 6 op de mond (niet met de tong, want daarvoor vonden ze het nog te vroeg). Op de laatste zoen op de mond was hij bijzonder trots. Hij had vals gespeeld bij 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, wie zal ik een kusje geven?

Dat alles was waardeloos. Vorige week was ze ineens heel boos, omdat hij bij andere meisjes iets leuks in hun vriendenboek had geschreven.
'Maar dat was,' sputterde hij nog tegen, 'omdat jij aan een ander verkering had gevraagd!'
Nou, zo was het niet gegaan en wat dacht hij wel? Wat hij had gedaan, was veel erger, als hij dat maar wist.

Hij snapte er niets meer van. Even sloten de vingers van zijn linkerhand om het papier. Hij zou de pagina eruit scheuren en door de wc spoelen. Dat zou haar leren!
Hij sloot de ogen, zuchtte diep en oefende precies zoveel druk uit dat haar bladzijde net niet losliet.

'Nu,' prevelde hij, maar het lukte niet.

Hij beet op de tanden. Het was sterker dan hij, wat het ook was. Hij haalde de schouders op. Zij kan er ook niets aan doen, dacht hij toen, dat ze een meisje is.


Ep Meijer 2009
Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd.

woensdag, maart 11, 2009

Serenade of: handig voor de jeugd van tegenwoordig in tijden van liefdesverdriet!



Misschien moet ik een gedicht vol metaforen schrijven
om tot je door te dringen.

Misschien moet ik 's nachts onder je raam gaan staan
zodat je me eindelijk hoort.

Misschien moet ik zingen, met van tranen verstikte stem
om te zeggen wat ik voor je voel.

Maar ik kan niet dichten en zang lukt evenmin
o, liefste, mag het alsjeblieft per sms?



Ep Meijer 2009
Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd.

zaterdag, februari 21, 2009

Toefje groen



Op de heenweg kijkt hij naar wissels en sporen die uiteen wijken. Hij wil niet in de trein zitten. De trein herinnert hem aan haar. Wat niet trouwens? Ieder liedje op de radio gaat over haar, ze verschijnt op zijn netvlies bij alles wat hij ziet. Hij sluit de ogen maar even. De ruiten zijn toch vies. Of wacht, er dansen druppels over het raam, in parallelle banen. Zouden ze elkaar raken? Het lijkt er soms op, maar beide druppels krijgen pas in de sponning contact; dat telt niet. Vanzelf ontsnapt een zucht uit zijn longen.

Hij moet even ingedut zijn. Hij hoort nog net iets over 'Den Bosch' voor hij de ogen opent. Er is iets veranderd. Het is druk op het perron, maar dat is gewoon voor een vrijdagmiddag. Kleur, dat is het! Tussen de grauwe wachtenden zijn paradijsvogels opgedoken. Het duurt een fractie van een seconde voor hij het beseft: dit is geen metafysische trip, maar carnaval.

Naarmate de trein verder onder de grote rivieren doordringt, wint de kleur aan kracht. Als hij eenmaal uitgestapt is, galmen de schlagers hem tegemoet. Het lijkt of er ergens een nest met verklede mensen in de buurt is.

Zelfs zijn jongste zoon blijkt zijn drakenpak aan te hebben, inclusief indrukwekkend hoofddeksel. Eenmaal in de trein maakt hij van de afwezigheid van zijn broer gebruik om eens goed bij te praten.
'Is de ruzie al over?'
'Nee.'
'Gaat de ruzie nog over?'
'Ik hoop van wel, maar ik ben bang van niet,' antwoordt hij naar eer en geweten.
'Jammer,' zegt zoonlief en tovert zijn nieuwste verovering tevoorschijn, een Lego-racer die over een meegeleverde schans kan springen, zelfs op een veel te klein tafeltje in de trein.

Utrecht Centraal. Ook hier ligt de pijn overal op de loer. Uit de intercom klinken doorlopend stremmingen.
'Kijk!' roept zijn jongste zoon en wijst op een videowall, waar een snowboarder van een klif afspringt.
'Zou jij dat durven?'
Zoonlief schudt zijn hoofd resoluut.
'Maar je wilt toch helikopterpiloot worden? Dat is ook gevaarlijk, hoor.'
'Nee joh. Je hebt gewoon een touw en dat takel je dan naar beneden.'
'Juist ja,' zegt hij. Ineens is hij zich ervan bewust dat zijn jongste zoon in zijn drakenpak het enige toefje groen vormt in de immense stationshal. Verder gaat niemand meer verkleed en iedereen heeft haast.
'Niet te vergeten,' zoonlief tilt parmantig zijn rechterwijsvinger op, 'je moet altijd de staartrotor in beweging houden. Anders raakt het toestel onbestuurbaar.'


Ep Meijer 2009
Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd.

donderdag, februari 12, 2009

'Maar natuurlijk druk ik op het juiste knopje, mevrouw!'




Hij werkte met schermen of liever, hij schermde met werken, want zijn baan in de meldkamer van een aantal parkeergarages kwam in feite neer op betaald neuspeuteren. Heel af en toe stond hij een klant te woord. Indien nodig drukte hij vervolgens op een knopje zodat er ergens een deur openging. Een chimpansee kon het ook.

Vanavond gebeurde iets dat nog nooit voorgevallen was: drie van de vijf telefoons rinkelden simultaan. Tegelijk kwam zij in beeld, klein weliswaar in het mozaïek van beeldschermen, maar er was iets in haar verschijning dat meteen zijn aandacht trok. Hij weet nog dat het voelbaar was, op een manier die hij nooit zal kunnen uitleggen. Hij dacht het zelfs, woordelijk: 'verdomd, ze is het.' Als om het te bevestigen, leek ze de camera in de gaten te krijgen. Hij wreef zich in de ogen. Het was echt zo, ze deed een dansje en lachte naar hem, alsof ze hem ook kon zien. Hij kon het niet helpen zich af te vragen: zou ze hetzelfde voelen als hij?

Terwijl hij de telefoontjes afwerkte, probeerde hij haar in het oog te houden. Zijn hart dacht dat hij aan het traplopen was. Inmiddels stond ze voor de betaalautomaat. Ze gunde hem een blik op haar fraaie achterste en boog zich voorover, alsof ze verwachtte dat de sleuf vanzelf een uitrijkaart zou produceren. Alsjeblieft, dacht hij, laat het wisselgeld op zijn, mogen alle chipknips in Nederland spontaan onklaar zijn geraakt, maar druk op de intercom, doe het! Hij haalde diep adem, sloot de ogen een moment en vouwde de handen.

Voorwaar, de display van de rinkelende telefoon gaf het bijbehorende nummer aan. Zij was het. In triomf balde hij de vuisten.
'Goedenavond, Parking & co, hoe kan ik u van dienst zijn?'
Ze begon over haar handtas te vertellen die zo'n onvoorstelbare puinhoop was dat je er een complete jungle-expeditie voor zou moeten uitrusten om het kaartje te vinden waarmee ze de garage was binnengekomen. 'Kan ik niet gewoon een paar euro in dit ding duwen en dan wegwezen?'
'Nee,' antwoordde hij, 'dat gaat niet, mevrouw. Maar ik kan u wel op een andere manier eruit helpen.'
'O ja?'
'Het klinkt misschien raar, zo uit een intercom, maar ik weet zeker dat u en ik voor elkaar geschapen zijn. Bent u vanavond nog vrij, als ik vragen mag?'
Met een rukje ging haar hoofd naar achteren. Ze draaide zich naar de camera om. Hij zag hoe haar lippen bewogen. God, wat was ze mooi.
'U moet met het apparaat praten,' zei hij, 'zo kan ik u niet verstaan.'
Ze deed een halve pirouette en vroeg of hij gek geworden was.
'Altijd al geweest. Alstublieft, neemt u de proef op de som en gaat u wat met me drinken. Ik ben om elf uur vrij. Geeft u toe aan een krankzinnige impuls. Als u het niet doet, houdt u uw leven lang spijt. En ik ook.'
Langzaam wipte ze van het ene been op het andere. 'Dat is nog maar een kwartier,' peinsde ze hardop, 'mag ik dan achteraf wel gratis uitrijden?'
Hij zag het al helemaal voor zich. Overmorgen hoefde hij pas weer te werken. Dan zou ze zo'n 30 euro moeten ophoesten. Dat was te gek voor een parkeerplaats, daar waren ze het roerend over eens. Er bestond geen andere optie dan tot die tijd bij elkaar te blijven. Hij moest gewoon een keer op het juiste knopje drukken, dat was alles.
'Natuurlijk, mevrouw!' zei hij op zijn klantvriendelijkst, pakte zijn agenda erbij en trok onder 'februari' een horizontaal streepje door de vier verticale die er al stonden.


Ep Meijer 2009
Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd

vrijdag, januari 30, 2009

De ontdekking van de Gamma



Vier dagen bivakkeerde hij alweer in de schuur. Alle lege verfblikken kende hij uit het hoofd, tot vervelens toe had hij schroefjes en plugjes gesorteerd. Was het nog niet genoeg geweest?

Om naar buiten te kijken, moest hij op de papierkliko klimmen. Sinds die ochtend wist hij wel beter dan de deur te gebruiken. Omdat hij zich eindelijk weer eens had willen douchen, had hij een witte vlag naar buiten gestoken, volgens het boekje aan een bezemsteel gestoken. Daar was op geschoten. Nou ja, ze had er een molotovcocktail naar gegooid. Of nou ja, een lege fles die in een gil van scherven was geëindigd. Dat deed er niets aan af. Het fatsoen was naar de haaien, de oorlog totaal.

Als hij zijn rechterwang tegen het glas van het bovenlicht drukte, kon hij met één oog net een glimp opvangen van de gesneuvelde pizzakoeriers, met op de achtergrond het huis. De gordijnen waren onveranderd dicht en er lagen nog steeds prikkeldraadversperringen in de weg. Zo te zien had ze ook een antitankgracht gegraven. Hij liet zich met een zucht zakken en ging op de kliko zitten, vingerde de trouwring. Is dat nou wat de dominee met tegenspoed had bedoeld?

Ledigheid is des duivels oorkussen, dacht hij, dit kan nog dagen gaan duren, laat ik tenminste iets zinnigs doen. Hij sorteerde nog meer schroefjes en pluggen, pakte ook de moeren, bouten en fietsonderdelen mee. Hij hing steunen op aan de blinde muur, pal onder het plafond, zodat het houtafval er precies in paste. Eronder bevestigde hij haken voor het handgereedschap. Voortaan zou niemand in het huishouden nog hoeven zoeken naar de hamer of de waterpomptang. Zodra je de schuur binnen kwam, zag je ze hangen, op ooghoogte!

Hij was er juist toe overgegaan om de spijkers te polijsten toen haar sms-je kwam, zonder opsmuk zoals gewoonlijk: 'ben ongesteld.' Hij sloot de ogen en verbeterde het wereldrecord opgelucht uitademen. Hij sprong van de kliko af en liep naar de deur. Buiten draaide hij zich nog één keer om. De schuur was een kluspaleisje geworden. Hij sloeg zich op het voorhoofd. Dit, dacht hij, is dus wat al die mannen te zoeken hebben in die vreselijke bouwmarkten.


Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd.