Twitter

Follow Ep_Meijer on Twitter
Posts tonen met het label mijn geheim. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mijn geheim. Alle posts tonen

donderdag, september 20, 2012

What's Ep?

Toen de telefoon nog een bakelieten apparaat was dat in de gang hing, had je maar één zender op tv. Hoewel niemand nog wist wat die term betekende, zond Nederland 1 op prime time 'De kleine waarheid' uit, met Willeke Alberti in de rol van Marleen Spaargaren. In die serie was een bijrol weggelegd voor het debiele broertje Eppo.

Ik was dertien, had geen last van jeugdpuistjes maar des te meer van de onzekerheid die met puberteit gepaard gaat. Aan wie ik me ook voorstelde in die dagen, telkens werd ik getrakteerd op een bulderende lach. 'Hahaha, Eppo!' Mettertijd leerde ik ook om te gaan met de voorspelbare grappen over de getijdenwerking.

Toen het effect van 'De kleine waarheid' eenmaal weggeëbt was (ha, ha), fuseerden de stripbladen Pep en Sjors. De naam van de nieuwe periodiek – jawel: Eppo. Naamgever was – u raadt het al – een onverbeterlijke kluns, die wekelijks met zijn flaters acte de présence gaf op de achterpagina. Daar kwam later dan nog André van Duin overheen met diens Ep Oorklep. En bedankt nog.

Geen punt hoor. Ep is een geuzennaam geworden, ik ben er trots op hem te dragen. Da's maar goed ook, want het leed blijkt nog niet geleden. In het huidige tijdsgewricht is een telefoon geen bakelieten apparaat meer, maar een mobiele reden van bestaan. Applicaties zijn the name of the game. Omdat mensen lui zijn, worden ze afgekort en is mijn naam op ieders lippen tegenwoordig.

Dus wil ik het goed met u maken. Telkens als u mijn naam oneigenlijk gebruikt, maakt u ter compensatie een cent over op mijn bankrekening. Capisce?

vrijdag, september 07, 2012

In mijn stoutste dromen

Dat ding doet het niet.

– Welk ding doet het niet, meneer?

Dat eh, ding.

– Kunt u iets specifiekers zijn, meneer? Voor hetzelfde geld bedoelt u een tapijtreiniger. En daar ga ik niet over.

Wablief?

– Laat u maar. Zullen we het weer over het ding hebben? Het ging net zo lekker.

Ik versta u niet.

– Ik zal wat harder praten, meneer. Het ding doet het dus niet. Wat zou het ding volgens u moeten doen?

Eh...

– Meneer, bent u daar nog?

Ja, jammer genoeg wel.

– Goed meneer. U en ik hebben één ding gemeen. We willen beiden erachter komen wat het ding is en wat het geacht wordt te doen, Eens?

Eh...

– Meneer, ik wil dat we deze kwestie klip en klaar hebben voor we verder gaan. Want als niet duidelijk wordt wat het ding is, kunnen we dit gesprek net zo goed meteen beëindigen. Dan blijven we in misverstanden hangen en daar heeft niemand wat aan.

Ik wil verdomme naar huis!

– Meneer, als u begint te vloeken ben ik gerechtigd om de verbinding te verbreken. Dan staat u hier morgenochtend nog en laat ik u nog naar de kassa lopen om het verschil bij te betalen ook. Dus gaat u me nu antwoord geven op een heel eenvoudige vraag: wat hoort het ding te doen dat het in uw beperkte wereld niet doet?

Ik begrijp de vraag niet.

– Goed, meneer. Laat het me zo zeggen. U heeft het over een ding dat het niet doet. Dat kunnen duizenden dingen zijn, Uw pacemaker, de autoradio, het leeslampje in de zonneklep, uw vrouw zelfs , want die ziet er voorzover ik het het kan bekijken inderdaad best wel als een ding uit. Kortom meneer, wat is het ding en wat doet het niet?

Hij gaat niet open!

– Hij, zegt u?

Ja. Dat ding.

– Tja meneer. Da's nou vervelend. U hebt het eerst over een hij en vervolgens over een dat. Het ding is taalkundig gezien onzijdig, Als u zegt dat hij niet open gaat, zijn we dus op zoek naar iets mannelijks. Heeft u een signalement?'

Kunt u hem niet gewoon open doen?

– Hem open doen? Stel dat we het inderdaad over een man hebben. Wilt u werkelijk dat ik in hem ga snijden?!

Laat u me alstublieft naar buiten.

– Nee, meneer. Ik zit al ver over de gemiddeld toegestane gespreksduur heen. Dus ga ik een punt achter dit gesprek zetten. Ik stel voor dat u goed nadenkt over het ding. Pas als u weet wat het is, mag u weer op de knop drukken en mij of mijn collega's lastig vallen. Nog een prettige dag!

woensdag, augustus 29, 2012

Toeval bestaat (niet)

Om de laatste hand te leggen aan Geluk voor Gevorderden sloot ik mezelf een week op in een vakantiehuisje hoog boven de Moezel. Als het donker werd trokken de auto's morseseinen op de weg langs de rivier. Overdag verkende ik tussen het schrijven en schrappen door de omgeving, samen met Tim, mijn oude trouwe zwarte labrador. Hem heb ik trouwens vereeuwigd in het boek. Al na een paar hoofdstukken zwemt hij zijn dood tegemoet. De dood. Die is alomtegenwoordig in Geluk voor Gevorderden. Dat was al zo voor ik aan de Moezel arriveerde, laat dat duidelijk zijn. Maar die week was het alsof de werkelijkheid me nog even wilde inpeperen hoe het echt zat.

Eerst kon ik me nog in een boek wanen, want de bossen leverden fantastische decorstukken: een fort van de Kelten die het hier nog tegen de Romeinen hadden opgenomen, een gigantische muur rond het vakantiepark zelf, duizend jaar geleden aangelegd door duizenden dwangarbeiders en ambachtslieden. Honderden lieten het leven. Voor niets. Net voor de muur af was, werd een verdrag gesloten en was het ding nutteloos. Tweeduizend jaar geschiedenis. Daar zat ik bovenop en schaafde aan het boek tot ik een ons woog.

Toen ging de telefoon. Moep ofwel mijn moeder. Ze wilde me niet ongerust maken, maar ze had een TIA gehad, een soort kleine hersenbloeding. Natuurlijk was ik wel ongerust. We hebben ongeveer een half uur gepraat voor we op konden hangen. Synchroniciteit. Dat woord bleef de dag daarop maar opduiken tijdens de wandeling naar het Keltenfort. Het boek draaide juist om het gebrek daaraan, ik wilde duidelijk maken dat alles om toeval draaide, dat iedere poging om er zin in te ontdekken even futiel als ridicuul was. Het kon toch niet de bedoeling zijn dat ik uitgerekend op dat moment de samenhang ontdekte?

Die avond regent het pijpenstelen aan de Moezel en zit ik met Donald Manchester Washinton in het internaat en dat is geen pretje, want nergens is hij zo alleen als in het internaat. Ineens jankt Tim. Het is geen droomjank, dit is pijn. Ik kniel bij hem neer en zie hoe zijn ogen door de kassen rollen. Hij wil opstaan, maar hij lijkt verlamd en hij blijft janken, zachter nu, nog zieliger.

'Tim!' roep ik, 'Tim!'

Via zijn ogen heb ik contact met hem. Hij wil dat ik hem help, maar ik kan niets anders verzinnen dan hem aaien en hem roepen. Ik schud het hoofd en knijp een traan weg. Eerst mijn moeder, nu mijn hond.

De volgende dag is het blijven regenen. Tim leek blij dat ik hem telkens maar vijf minuten uit liet. Hij sliep het liefst, dartelde niet meer voor me uit, maar sukkelde als een oude man achter me aan. Het boek was van dertig pagina's dunner toch weer twintig pagina's dikker geworden. Een kwestie van balans.

De laatste dag was een cadeau. Zonovergoten kon ik langs nog lege cohorten wijnranken de meanderende Moezel in het dal zien, waar speelgoedbootjes een omgekeerde V in het water schreven. Tim liep zowaar weer achter stokken aan. Het was volbracht, mijn boek was af, na zeven jaar werk.

Tien jaar later. Tim is al heel lang dood en mijn moeder heeft Alzheimer. Via Google stuit ik op een lovende recensie van Geluk voor Gevorderden in de Standaard. De groei van de hoofdpersoon wordt indrukwekkend genoemd en de periode in het internaat 'een bijzonder grappige episode'. Tot slot voorziet de recensent geen kassucces, want 'te Angelsaksisch van inspiratie'. Ik glimlach. Om uit één van de bestsellers van Donald Manchester Washinton te citeren: 'Laat je niet uit het veld slaan door tegenslagen. Draai het om, maak er meevallers van!'

zondag, juli 29, 2012

Breaking nieuws uit Londen

Onze meiden dolven het onderspit. Een gedroomd goud werd zilver, een plak die we al geteld hadden, veranderde in een stukje blik dat niet eens meetelt in de medaillespiegel. Hoe kon het zover komen? Een analyse. 15 juni 2012. Ten huize van Bob Hoofdstra gaat de telefoon. Het is de bond. Of hij de Olympische equipe voor zijn rekening wil nemen? De ploeg is al compleet. Bob hoeft alleen maar de neuzen dezelfde kant op te krijgen, zeg maar. Natuurlijk sputtert Bob tegen. Hij heeft anderhalve maand! Bovendien staat hij onder contract in de Verenigde Arabische Emiraten. Enfin, de bond appelleert aan zijn chauvinistische gevoelens en de vorstelijke beloning doet de rest. 22 juni 2012. Je verhuist niet zomaar vanuit de Verenigde Arabische Emiraten naar het vaderland. Bovendien zijn er wat contractuele zaakjes te regelen. De sjeik is niet blij. Hij belooft Bob dat hij diens ballen 'for lunch' zal verorberen. Er is een week voorbij gegaan. Bob Hoofdstra heeft nog 36 dagen om de ploeg op de rails te krijgen. 24 juni 2012. Kennismaken op het kantoor hoort er ook bij. Bobs voorganger blijkt middenin een lachbui heen te zijn gegaan. Het zal niet lang duren of Bob ontdekt waarom de man zo vrolijk is geweest. 25 juni 2012. De bond is onverbiddelijk. Bob zit contractueel aan deze klus vast. 27 juni 2012. Bob Hoofdstra typt een afscheids-sms aan twee exvrouwen, maar drukt niet op de verzend-knop. Dezelfde avond staat hij bovenop een hoog gebouw en haalt hij een paar keer diep adem zonder dat de sprong ervan komt. 28 juli 2012. Het is zover, de wedstrijddag. Vandaag wordt de belofte ingelost, een zeker goud voor het vaderland moet behaald! Bob is het zwaar te moede. De erfenis van zijn voorganger is een team dat uit een verzorgingstehuis lijkt te zijn geplukt. De meiden blijven maar vergeten wat een keerpunt is. Hun hoofden zitten onder de builen. 29 juli 2012. Bob Hoofdstra maakt bekend dat hij om gezondheidsredenen opstapt als bondscoach Rollatorraspen.

woensdag, juli 25, 2012

Dringende oproep

Van de melk ben ik af. Nu moet ik planten leren eten. Mijn moeder doet me voor hoe. Ik probeer het. 'Bah!' roep ik en spuug een stengel uit. 'Je moet eten wat de pot schaft,' bromt moeder. 'Maar het is niet lekker,' protesteer ik. Onverstoorbaar de takken vermalend doet ze weer eens net of ze me niet hoort. Er ontsnapt een diepe zucht uit mijn longen. Voorzichtig neem ik nog een hapje. Het smaakt zuur. Ik kan me niet voorstellen dat ik daar een paar kilo per dag van naar binnen ga proppen, de rest van mijn leven. Gekkenwerk is het. Het enige wat we doen is verdomme eten. 'Mam?' Ze doet een stap opzij, maar ik ben slim, ik ga haar gewoon voor de voeten lopen. Yes, bijna struikelt ze. 'Rotjong!' moppert ze, maar gelukkig grijnst ze er een beetje bij. 'Kijk dan,' wijs ik, 'wat daar verderop staat. Dat is pas een delicatesse. Als we die op de menukaart zetten, zijn we in een uur klaar qua calorieën. Denk je eens in hoeveel vrije tijd we overhouden!' Ik kijk een tijdje naar het beest. Ook al bezig met grazen. Het water loopt me warempel in de mond. 'Dat is een antilope, 'zegt moeder. 'Daar jagen leeuwen op. Jij bent een olifant, jongen, vergeet dat nooit.' Oeps. Is er een zelfhulpgroep voor dieren die in het verkeerde lijf geboren zijn? RT graag.

vrijdag, april 13, 2012

Eerbied voor grijze haren



Ze is het mooiste meisje op het werk en tot nu toe heeft ze me geen blik waardig gekeurd.
'Je zei u tegen mij.'
Twee bruine ogen waarover je een sonnet zou kunnen schrijven, staren me aan.
'Deed ik dat?'
'Ja,' zeg ik, 'echt.'
'Als dat zo is, dan gebeurde het onbewust.'
Reeds trekt haar mobiele telefoon alweer de aandacht.
'Dat is eigenlijk nog erger,' stel ik vast.
Nog eens trakteert ze me op een blik die een vloot in beweging zou kunnen zetten. Zelfs ontbloot ze haar perfecte gebit een beetje.
'Ja, dat is zo,' lacht ze en draait zich om.
Au.
Hoe doet die gast uit de koffiereclame dat toch?

maandag, juli 25, 2011

High score!



Tristan 2.0 is opgestaan; een Noor schiet in anderhalf uur 68 mensen dood. Een weloverwogen daad die, volgens de dader zelf, gruwelijk maar noodzakelijk was.
We hebben te maken met een gymnasiast. Geen Tristan van der Vlist met zijn VMBO-diploma, maar iemand die de grote filosofen las. Wat bracht hem tot zijn daad?

Anders Breivik was ervan overtuigd dat hij zoveel mogelijk sociaaldemocraten in de dop moest vermoorden. Anders dan Tristan van der Vlist pleegde hij geen zelfmoord na 'de daad'. Integendeel, hij liet zich zonder verzet arresteren en verklaarde zelfs mee te willen werken aan het onderzoek. Gut, wat aardig nou.

Ieder zijn waarheid. Je hebt mensen die Guus Meeuwis van zangkwaliteiten betichten, je hebt er ook die er zeker van zijn dat de wereld op 31 oktober aanstaande (alweer) vergaat.

Anders Breivik heeft geen moment getwijfeld aan zijn missie. Alsof het een spelletje Call of Duty was, beroofde hij 86 jonge mensen van het leven. Het moest gewoon gebeuren, vond hij. High score!

Anders B. heeft iets gemeen met Karst T. en Tristan van der V. Ze besloten op eigen houtje in opstand te komen. Hun daden zijn niet goed te praten. Wel zijn ze een vingerwijzing. Een tragedie zoals op het eiland Utoya drukt ons met de neus op het feit dat we allen gegijzelden zijn van een dolgedraaid systeem. Hier en daar moet de druk wel ontsnappen.

Pang! Wat is het verschil tussen een muisklik en een rukje aan de trekker? In beide gevallen klinkt er een ijselijke kreet en valt er een soort van poppetje om.

De grenzen vervagen. Daar hadden de oude Grieken en Romeinen ook last van voor hun rijken als kaartenhuizen in elkaar stortten.

Gaat u voor mijn part iedere koopzondag naar Ikea en blijft u vooral uw hypotheek betalen, want dan groeit de economie. Maar weet dat u nergens meer veilig bent. Of u nu naar de supermarkt of naar de Efteling gaat, overal kunt u het slachtoffer worden van een 'lone wolf' die de revolutie predikt. Tristan 3.0 is waarschijnlijk al in de maak, nu al zit er ergens op een zolderkamertje een psychopaat een plannetje uit te broeden om Breiviks meesterstukje te overtreffen. Dankzij Internet is de dorpsgek ineens een mondiale bedreiging geworden.

vrijdag, april 22, 2011

Heet van de naald.



Leusdense wetenschapper verwacht Nobelprijs

'En niets minder'


LEUSDEN, vandaag – De vrij algemeen aanvaarde veronderstelling dat de mens van de aap afstamt, moet op de helling. Althans, volgens drs. Arend-Jan Seurniet, de geboren en getogen Leusdenaar die al eerder van zich liet spreken met de explosieve theemuts en de opvouwbare wasdroger. Tientallen jaren onderzoek en, zoals hij het zelf noemt, een neus voor complotten, zouden naar een heel andere voorvader wijzen. 'Geen speld tussen te krijgen,' aldus de wetenschapper, 'het rokkostuum hangt al klaar!'

Tot nu toe was het eenvoudig: ofwel was je van mening dat God de mensen heeft geschapen ofwel je dacht dat mensen van apen afstammen. Creatie of evolutie? We moeten naar het rustieke Leusden voor een verrassend antwoord. De enige verkeerslichten die het dorp rijk is, werpen hun scherpe schaduw op een leeg wegdek. Vroeger, ja vroeger was dat wel anders. Ooit was Leusden belangrijker dan het nabijgelegen Amersfoort, vanwege een kerk. Van heinde en verre kwamen de mensen in de prille middeleeuwen toegestroomd. En nu? Anno 2011 lopen er wat katten over straat, ergens in een voortuin slingert een fiets met zijwieltjes, de doorzonwoningen hebben de ogen dicht. Bijna alle inwoners lijken op vakantie deze paasdagen. Niets wijst erop dat we op het punt staan het naar eigen zeggen grootste genie sinds Albert Einstein te ontmoeten. Leusden? Nooit van gehoord.

Touringcars

Als het aan drs. Arend-Jan Seurniet ligt, gaat daar binnenkort verandering in komen. 'Denk je eens in,' roept hij, 'straks rijden hier aan de lopende band touringcars langs, Amerikanen, Japanners, Zweden, iedereen zal de plek willen zien waar het ontdekt is!'
De gedachte aan koffie komt kennelijk niet bij hem op. Nadat hij ons heeft binnengelaten, beduidde hij niet eens te gaan zitten. Toch doen we dat terwijl de wetenschapper maar blijft ijsberen.
'Ze houden ons voor het lapje,' oreert hij, 'en niet zo'n beetje ook. Omdat ze bang zijn dat we niet tegen de waarheid kunnen. Ze willen ons doen geloven dat onze betbetbetbetbetbetovergrootvaders apen waren. Het idee alleen al. Zijn die Darwinisten eigenlijk wel eens naar de Apenheul geweest?'
We lijken onzichtbaar voor Seurniet. Hij wacht niet op een antwoord.
'Vergeet het maar,' vervolgt hij, 'anders was ze ongetwijfeld opgevallen dat apen geen kleren aan hebben en mensen juist wel.'

Felle vlek

Er valt een stilte. Door een gat in de gordijnen snijbrandt de zon een felle vlek op het sleetse vloerkleed.
'Dus?' vraag ik.
Met beide handen trekt Seurniet aan de weinige haren die op zijn schedel resteren.
'Ziet u het dan niet?!' huilt hij bijna. 'De mens kan onmogelijk van de aap afstammen, anders had het beest wel een pak aan getrokken!'
De geluidsman en ik kijken elkaar aan. Beiden trekken we onze wenkbrauwen op. Hebben we iets gemist?
'Oké,' zeg ik, 'de mens stamt niet van de aap af.'
'Heel goed,' zucht Seurniet schijnbaar opgelucht. Hij is abrupt gestopt met ijsberen en heft de kin theatraal, alsof hij nadruk wil geven aan zijn woorden.
'Weekdieren,' zegt hij dan. Vervolgens kijkt hij me recht aan. 'Daar ligt onze oorsprong. En ik heb de bewijzen, de Nobelprijs kan me niet meer ontgaan!'
'Werkelijk?' zeg ik zo neutraal mogelijk.
'Ha!' lacht de wetenschapper. 'Ze doen het zo voorkomen alsof we net als apen een ruggengraat hebben. In de praktijk kun je dagelijks zien dat die theorie kolder is. Wij zijn allen slijmerds.'

Opvallend charmant

'Juist ja,' antwoord ik beduusd en zie dat ook de geluidsman ongemakkelijk op zijn stoel heen en weer schuift. 'We, eh, gaan maar eens gauw naar de redactie terug. Vanzelfsprekend moet dit op de voorpagina.'
drs. Arend-Jan Seurniet begeleidt ons, opvallend charmant ineens, naar de deur.
'Heeft uw krant er al gewag van gedaan dat de aarde een pannenkoek is?' informeert hij.
'Eh, nee,' beken ik.
Hij gebaart me dichterbij te komen en fluistert het in mijn oor. 'Waarom denkt u dat donker gekleurde mensen altijd zo aangebrand reageren? Berg u maar! Volgend jaar, in 2012, worden we omgedraaid en vliegen we met z'n allen de lucht in.'
Dan stappen we in de auto en verlaten we Leusden, nu nog een stipje aan de voet van de Utrechtse Heuvelrug, maar straks?

dinsdag, januari 11, 2011

Onbewoonbaar verklaard

.
Het is donker in het trappenhuis, erg donker. Een veel te smalle trap wentelt zich om een lichtvlek heen omhoog. Hoe krijg je hier in hemelsnaam een tweezitsbank omhoog?



Gelukkig, ik vind een lichtknopje. Alhoewel? Nu wordt zichtbaar wat ik liever niet had gezien: de driedubbele sloten op de deuren, de versleten deurmatjes, de afbladderende verf, het gebrek aan kleur, de algehele vaalheid. In dit trappenhuis zou zelfs Erica Terpstra depressief worden.

Phew, ik ben boven. Hijgend ontdek ik waar de lichtvlek beneden in het trappenhuis vandaan kwam: er ligt gegolfd glas op het dak. Zo te zien is het al jaren niet meer schoongemaakt. De zon wordt gefilterd door mos en verft de overloop van de vierde etage junglegroen. Waar is nummer 35-E, het appartement dat mij toegewezen is? Aha, links.

Er brandt licht achter het kijkgaatje, zodat ik besluit aan te bellen. Een schilder doet open. 'Geen fijne buurt hier', waarschuwt hij.
'Ik weet het', zeg ik en loop de woonkamer in. Mijn mond valt open. Het uitzicht – tussen de flats door - bestaat uit een klein stukje A-28. Het balkon meet nog geen zestig centimeter breed, tel uit je winst. De rest is al evenmin bemoedigend. Een grote scheur ontsiert het plafond en er zit schimmel op de muren.



Het geheel is voorzien van enkel glas. Ik zou er blij mee moeten zijn, want het is tenminste een dak boven mijn hoofd. Maar ik ben niet blij. Ik ben geschokt en verontwaardigd tegelijk.
'609 Euro per maand', zeg ik tegen de schilder. 'Exclusief service- en stookkosten. Dat zou ik hiervoor moeten betalen.'

De andere kamers bieden dezelfde uitgewoonde aanblik en het toilet trakteert me op een enorme putlucht. In de keuken lopen de leidingen open en bloot vuil te zijn.



'Een jaartje hooguit', zegt de schilder, 'dan gaat de zaak tegen de vlakte en moet je eruit.'
'609 Euro', herhaal ik. 'Voor een krot. Zulke woekerpraktijken zou je van een huisjesmelker verwachten, niet van de bekendste woningbouwvereniging in Amersfoort.'
De schilder pakt me bij een schouder. 'Ik mag alleen de muren witten. Van de rest moet ik afblijven. Serieus, ik doe dit werk voor Jan met de korte achternaam. Zeg dat je het voor de helft doet. Misschien trappen ze erin.'
Nog eenmaal laat ik mijn blik dwalen langs de melaatse muren.
'Al kreeg ik geld toe', besluit ik.




.

donderdag, december 02, 2010

Na ons de zondvloed



Tot voor kort begon mijn dag steevast met hetzelfde ritueel: met gevaar voor eigen leven klom ik op het aanrecht, ontkoppelde de afvoer van de combiketel en leegde die in een pan die speciaal voor dat doel klaar stond op het keukenkastje. Die pan moest ik vervolgens met één hand (met de andere hield ik me aan het keukenkastje vast) zien om te keren boven de gootsteen, zonder te morsen (wat maar zelden lukte). Als ik het ritueel achterwege liet dan dreigde lekkage, een koolmonoxidevergiftiging of een combinatie van beide. En dat dan tegen een prijskaartje van ruim 400 Euro in de maand, tel uit je winst.

Vandaag is het zover, 180 woningen die binnenkort gesloopt worden, waaronder de mijne, moeten leeg opgeleverd. Dat was de deal. We mochten er wonen tot ze tegen de vlakte zouden gaan. Daarna was het ieder voor zich en God voor ons allen. De gemeente is nog wel zo attent geweest om containers te plaatsen waarin de bewoners hun grof vuil kwijt kunnen. Maar waarom dat hele eind gesjouwd? Bij de flats aan de overkant zie ik het huisraad regenen. Driezitsbanken, koelkasten, door het raam ermee! En anders gewoon van het balkon! Er ontstaat een merkwaardig ritme wanneer eens in de minuut wel ergens meubilair te pletter stort. Na een paar uur biedt het gazon rond de acht flats de aanblik van een strand na een tsunami. De sneeuw die inmiddels is gaan vallen, bedekt het geheel vergeefs met een laagje poedersuiker. Want het blijft alsof er een neutronenbom is ontploft; de gebouwen staan nog overeind, maar de ingewanden zijn uitgespuugd.

Nee, ik zal de beschimmelde plafonds, de lekkages en het te lage aanrecht niet missen om nog maar te zwijgen over mijn ochtendritueel. Toch breng ik mijn spullen van de derde verdieping gewoon via de trap naar beneden. Als ik bijna klaar ben en voor de hopelijk op drie na laatste keer afdaal, kom ik mijn bovenbuurman tegen.
'Ik ga niet weg,' verklaart hij stellig, 'dan hadden ze maar vervangende woonruimte moeten regelen. We kunnen verdomme nergens anders heen.'
'Nou,' antwoord ik, 'volgens mij gaan ze vanmiddag de boel dicht timmeren. Heb je een goede touwladder?'
Mijn bovenbuurman verschiet van kleur en mompelt dat hij toch maar een aanhangwagen gaat regelen. Hem zal ik trouwens ook niet missen. Dankzij de gehorigheid kon ik intens meegenieten van de dagelijkse ruzies met zijn Spaanse vriendin. Meestal ging het over geld of over haar vier inwonende dochters. Het valt ook niet mee, met zijn zessen in een tweekamerwoning.

Als ik rond het middaguur mijn appartement nog eenmaal wil inspecteren, blijkt de ingang van de flat inderdaad al gebarricadeerd... door de inboedel van mijn bovenbuurman. Sommige vloerdelen onttrekken zelfs een geparkeerde auto gedeeltelijk aan het zicht.
De gemeente laat een shovel uitrukken, er komt een vrachtwagen met een grijper, maar omdat mijn bovenbuurman niet de enige was die de zwaartekracht te hulp heeft geroepen, is er haast geen beginnen aan. Terwijl een grote knuffelbeer langzaam met een laagje sneeuw bedekt raakt, veegt een gemeentewerker de ingang enigszins vrij. 'De dag wordt niet lang zo,' verzucht hij, 'maar het lijkt wel oorlog hier.'

donderdag, juni 10, 2010

Doorgestoken kaart


Nog belangrijker dan de Tour de France was de Toer-de-broer. Mijn broers en ik kozen van iedere ploeg één renner. Per etappe konden er punten verdiend worden. Het ging er eenvoudig om welke renners er bij de eerste tien zaten. Het eindklassement telde ook als etappe, maar dan dubbel.

In 1996 leken de ploegen van mijn broer Koen en mij als twee druppels water op elkaar. Maar er was een verschil. Bij Telekom had ik voor het zekerheidje Zabel gekozen, Koen had op Riis gegokt, een Deense knecht die het jaar daarvoor schijnbaar bij toeval op het podium was beland.

Het was stuivertje wisselen aan de kop van het klassement van de Toer-de-broer dat jaar. Iedere etappe weer zat ik op het puntje van mijn stoel. Erik Zabel was in een bloedvorm en leek de groene trui voor het grijpen te hebben. Wanneer de sprinters ook maar een klein kansje hadden, zat hij erbij. Bovendien won hij twee etappes, goed voor tweemaal de maximale score van 20 punten! Heerlijk was het dan om Koen een mailtje te sturen, met alleen maar letters z die samen een hele grote Z vormden. Intussen liet ook Bjarne Riis zich niet onbetuigd. In bergetappes stond er geen maat op hem. Al gauw zat het geel vast om zijn schouders. Koen nam wraak en stuurde me een gigantisch mailtje met ‘Riis is een reus!’

Dat was hij waarlijk. In de Alpen en de Pyreneeën geselde de Deen haast sereen een onmenselijk verzet. Hij keek niet eens naar zijn concurrenten, hij negeerde ze uit het wiel.

Al met al had de zege van de knecht Bjarne Riis in de Tour de France van 1996 iets van een jongensboek. Hoe een dubbeltje toch een kwartje werd.

Zabel won trouwens de groene trui. Met overmacht. Maar ja, daar krijg je geen punten voor in de Toer-de-broer. Koen schreef de editie van 1996 met afstand op zijn naam. Het eindklassement telde immers dubbel.

Eigenlijk had mijn jongste broer Lasse moeten winnen, want zijn keuze uit de Telekom-ploeg van 1996 was Jens Heppner en die heeft het gebruik van epo nog niet bekend, in tegenstelling tot Bjarne Riis en Erik Zabel. Gefeliciteerd, bro, met terugwerkende kracht.

In mijn wielerthriller De Vlucht is ook sprake van een wondermiddel, een vorm van doping die niet op te sporen valt. Er is alleen een probleem: dit wondermiddel zit letterlijk en figuurlijk tussen de oren.

Bestellen? Klik hier.


Laat een REACTIE achter.

zaterdag, juni 05, 2010

De vlucht is er!


Nog een paar weken en een kleine 200 coureurs beginnen in Rotterdam aan het hoogtepunt van wielrennen, de Tour de France. Zoals ieder jaar zal ik aan de buis geplakt zitten, zappend tussen de NOS en de BRT. Voorbeschouwingen, de livereportages, samenvattingen, nabeschouwingen, niets sla ik over.

Zijn het de kleuren van de koerstruien, tegen de adembenemende décors van de Pyreneeën, de Alpen en het Centraal Massief die mijn fascinatie veroorzaken? Is het de heroïek, zijn het de bezwete spieren die, om met wijlen Theo Koomen te spreken, als staalkabels gespannen staan tijdens schier onmenselijke beklimmingen? Is het de flirt met de dood in de afdalingen? Zijn het de voorbereidingen op de massasprint, de kwakken die worden uitgedeeld als het peloton met zeventig kilometer per uur en masse op de meet af raast?
Ook. Maar vooral ben ik een Tourjunk vanwege wat niet zichtbaar is, namelijk dat wielrennen de oneerlijkste sport ter wereld is. Doorgaans wint niet de beste, maar degene die het beste vals speelt. Wil je winnen dan moet je, in de woorden van wielerlegende Hennie Kuiper, eerst het bordje van de tegenstander leeg eten.

Stefan van Aert, de hoofdpersoon in mijn wielerthriller De vlucht, is een doorgewinterde knecht. Hij kent alle geschreven en vooral ongeschreven regels van het wielermetier. Tijdens zijn waarschijnlijk laatste Tour bindt hij nog één keer de strijd aan met de demonen in en rond het peloton. Hij zet alles op alles om de Koninginnerit solo te winnen. Zelfs ondergaat hij in het diepste geheim een aantal even mysterieuze als angstaanjagende behandelingen van een Waalse veearts. De muren hebben echter oren en al gauw dreigt Stefan, nog voor er een meter in Frankrijk gefietst is, een pion te worden in een spel tussen hogere machten. Tegen beter weten in zet hij zijn plan door.

Hoe het verhaal afloopt? De vlucht is vanaf nu verkrijgbaar in boekhandels en op Internet. Volgens mijn vader is het mijn beste boek.

dinsdag, juni 01, 2010

Lenteherfst


Er is iets. Ik voel het zodra ik uit bed kom. Er gaat vandaag iets leuks gebeuren.
Maar wat? Vandaag kan helemaal niet leuk worden. Het is ineens herfst, middenin de lente. Bovendien moet ik mijn zoons naar mijn ex brengen, wat neerkomt op vijf-en-een-half uur reizen.

In de trein mopperen Sietse en Bart weer eens dat ik zover weg woon. De wolken kleuren het groen grijs, zie ik door het mitrailleurvuur van druppels heen Wat ben ik voor een vader die dit zijn kinderen aan doet, iedere twee weken? Ik steek het bekende verhaal af – dat ik waar ze wonen geen passend werk kon vinden, dat ik me er ongelukkig voelde. Het maakt geen indruk. Voorbij Eindhoven slaat de verveling om in geklier en moet ik een paar keer politieagent spelen, waar ik een bloedhekel aan heb. Ik begrijp werkelijk niet waar het gevoel vandaan komt dat er vandaag iets leuks te gebeuren staat.

Bij het afscheid, terwijl de regen ons om de oren slaat, komt mijn jongste zoon tot drie keer toe de auto uit om zich aan me vast te klampen. Hij wil dat ik meega. Tenslotte pelt mijn ex hem van me af.
'Ach, jochie,' stamel ik. Dan moet ik heel even heel hard op mijn tanden bijten. Zie je wel? Dit is een kutdag.

Op de terugweg begraaf ik me in het debuut van een vriendin. Het gaat over een mooie vrouw die pal voor haar bruiloft zo'n beetje de liefde van haar leven tegenkomt. Chicklit met een bite. Als die vriendin en ik elkaar spreken, hebben we het vaak over synchroniciteit en de gedachtenvelden van Rupert Sheldrake.
1 + 1 = 3. Zou dat het zijn, zou me een ontmoeting wachten?

De matrone die in Weert schuin tegenover me komt zitten, kan het onmogelijk zijn. Haar tenen lijken op knakworstjes met vuurrode nagellak op de stompjes. Telkens als ze gaat verzitten, laat ze het stof op de vloer met zo'n geweld knarsetanden dat ik opschrik uit mijn boek. Mijn kaartje wordt op de terugweg trouwens nog eens drie keer gecontroleerd. Er staan nu vijf fucking stempels op. Zelfs rustig lezen is me vandaag niet vergund.

Ja hoor, de bus naar huis is twee minuten geleden vertrokken. Met de zondagse dienstregeling betekent dat 28 minuten wachten op een winderig perron. Ik ga nu zelfs het begin van Studio Sport missen. Dat heb ik weer, denk ik huiverend. Er gaat helemaal niets leuks gebeuren vandaag. Sterker nog, deze dag gaat de geschiedenis in als één van de treurigste ooit.

Toch is het gevoel niet weg, eenmaal thuis. Alleen geloof ik er niet meer in. Ik registreer nog slechts. Hoe Basso de Giro wint, hoe fractieleiders alvast willen weten wie het eventueel met wie doet. De wereld is een schouwtoneel, schreef Vondel al, elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel. Niets kan mij nog raken.

Tot de klok tien voor twaalf slaat en het alsnog lente wordt, net zo plotseling als het vandaag ineens herfst was. Dankzij een klik. Uren later ga ik met een vette grijns naar bed. V-day, after all.

zondag, februari 07, 2010

Being Nils Holgersson


De winter was lang geweest, alle kleur was uit de wereld gezogen. Het gras lag er zo vaalgroen bij dat het grijs was. Hier en daar restten nog wat plakken sneeuw die meer zwart dan wit waren. Dof ijs bedekte nog steeds het grootste gedeelte van de vijver, terwijl in een wak met gekarteld water meerkoeten en ganzen als schaakstukken dreven.

Toen betrad ik het toneel. Als op commando zwenkten de ganzen hun koppen in mijn richting. Meteen ook lieten ze van zich horen. 'Gak? Gak!' En dat dan dertigvoudig en net niet helemaal in koor. Naarmate ik naderde, legden de uitroeptekens de vraagtekens het zwijgen op. Zestig ogen waren op mij gericht. Ik meende zelfs dat het voelbaar was, als een trilling in de overigens loden lucht. Honger, dacht ik, die arme beesten verrekken natuurlijk van de honger.

Reeds waren de ganzen zich naar de waterkant aan het begeven. Intussen stond ik op een splitsing. Het pad omhoog leidde naar een bankje. Het perfecte rekwisiet voor een sjekkie, besloot ik.

Eenmaal gezeten, waren de ganzen tot het onderste pad gevorderd. Nog steeds adresseerden ze hun 'gaks' aan mij en de vraagtekens hadden alle verloren terrein heroverd.

'Mueslirepen!' schoot me te binnen, 'in mijn rugzak heb ik er een paar.' Toch wachtte ik nog even met de voedseldistributie. Hoever zouden de beesten gaan? Er was nog steeds een meter of vijf vrij steile helling te overbruggen om bij mij te geraken.
Ze zetten door, leken oogcontact met me te zoeken, zachter gakkend met iedere waggel. Ik vergat warempel een sjekkie te draaien.

Daar zit ik dan, op een bankje in een park en mijn blikveld is geheel gevuld met witte ganzen.
'Jullie zijn wel heel brutaal, hè?' stel ik vast.
'Gak', zeggen de ganzen. Geen vraag- of uitroeptekens te bespeuren.
'Hebben jullie zo'n honger?' vraag ik.
'Gak!' zegt de gans die het dichtste bij staat.
'Aha', zeg ik, 'haantje de voorste. Weet je wat? Ik heb iets voor jullie.'
Ik begin in mijn rugzak te woelen en een zacht gakken gaat op. De ganzen dringen op. Er zit nu nog maar dertig centimeter tussen de voorste en mij.
'Hoho', zeg ik. 'Als ware cinefiel heb ik natuurlijk The Birds gezien, van Hitchcock. Dus we gedragen ons wel een beetje, hè?'
'Gak', prevelt haantje de voorste, waarna de anderen haast gedwee volgen, net niet helemaal in koor.

En zo geschiedde dat op een grijze middag in het Sportpark te Hilversum een schrijver dertig witte ganzen uit zijn hand liet eten, ieder keurig op de beurt. Toen naderde een hond en trokken ze zich, na heel gewichtig te hebben gedaan met hun vleugels, terug naar de waterkant.

Ik liep naar het station en herinnerde me wat ik onlangs ergens gelezen had: er was bewezen dat mieren- en bijenvolken één organisme vormen. Zonder dat ze met draadjes aan elkaar vast zitten, maakt het individu gebruik van de intelligentie van het collectief. Dat kon alleen maar betekenen dat er meer was tussen hemel en aarde. Want we kunnen het weliswaar niet zien, maar de bijen en de mieren zijn wel degelijk met elkaar verbonden. Ik grinnikte. 'Gans?' dacht ik, 'dat is gewoon een ander woord voor geheel.'


Meer van mij over ganzen: klik hier.

vrijdag, januari 29, 2010

Writer's block


Als biddende roofvogels zweven mijn vingers boven het toetsenbord. Mijn hoofd is een spinnenweb. Overal kleverige verbindingen waartussen vonken springen. Chemie, kettingreacties. Iedere gedachte ontpopt zich als een andere. Bij tientallen dienen ze zich aan, schreeuwen schril om voorrang. Ik sluit de ogen terwijl ik al niets zag, probeer me te concentreren. Structuur, ik moet er structuur in aanbrengen. Blijft de vraag in wat. Het nog niet geschreven verhaal, waar is het dan? Ik zucht. Het witte beeldscherm is een poolvlakte. De cursor wenkt uitdagend. Zal ik? Amundsen, waan ik me. Schrijven is een expeditie door het ongerepte. Helaas is de uitrusting zoek. Er is slechts taal.

Ik leun achterover, draai een sigaret, tuur naar die witte einder, denk aan een gedicht van Bernlef. ‘Duizend dorre herfstbladeren voor mijn deur brengen mij op geen enkele gedachte.’ Bernlef is een leugenaar. Want hij vertrouwde die zin toch mooi aan het papier toe. Ik ben nog niet zover. Het verhaal wil nog niet komen. Ik weet niet waar ik het moet zoeken. Pythia. In de Oudheid gingen ze met hun snufferd boven een spleet hangen en snoven giftige dampen in. Vanzelf volgde wartaal die door tolken in verstaanbaar Grieks werd vertaald. Ik moet het, vrees ik, met de sigaret doen die ik net heb aangestoken. Ook giftig, maar niet zo inspirerend.

Waarom wanhopen? Het is eerder gebeurd. Hoe vaak heb ik niet zo voor het beeldscherm gezeten, haast apathisch starend naar die beledigende leegte? Ineens kwam het dan. Mitrailleursalvo’s van het toetsenbord. De verwondering daarna. De blik op het horloge. Was er werkelijk zoveel tijd verstreken? Schrijven, bedacht ik dan, stelt niets voor. Je opent een ader. Meer niet. Maar hier, nu, wil het niet. Geen inspiratie die volgens sommigen transpiratie is. Of zou moeten zijn. Ik draai nog maar een sigaret en ontdek dat er nog één in de asbak ligt te branden. Zielig. Wat ik aan het doen ben, is hoogstens goed voor de tabaksindustrie. Bah. Waarom komt er nou niets?

Ik fluit tussen de tanden. Tenminste iets geproduceerd. Een geluidje. Nee, dames en heren, daar moeten we niet te licht over denken, over zo’n geluidje. Want de volgende stap is een woord. En als je die aaneenrijgt, nou dan is het spel op de wagen, hoor! Voor je het weet heb je een verhaal. Tenminste, als het meezit. Ik blaas rook tegen het lege beeldscherm. Lekker puh.

Shit, driewerf shit. Ik sta op, ga voor het raam staan. Ik zie bomen hun kale armen als in wanhoop naar de grijze hemel uitstrekken. In de negentiende eeuw had ik kunnen volstaan met een naturalistische beschrijving van dit uitzicht. Ik zou kunnen schetsen welk een dans de wind met de takken danst. Een wals, nee toch een tango. Lof zou in de rederijkerskamer mijn deel zijn. In de 21-ste eeuw kan ik daarmee niet meer aankomen. Iedereen weet inmiddels hoe een boom eruit ziet. Nogmaals lopen mijn longen vanzelf leeg. Zo kom ik niet verder. Ik ga me weer voor het beeldscherm zitten vervelen. Ledigheid is des duivels oorkussen, wat u zegt. Ik haal diep adem en rek me uit. Het volgende moment typ ik het. Zomaar. Als biddende roofvogels zweven mijn vingers boven het toetsenbord.

woensdag, december 16, 2009

I have a dream


Kim Jong-il. Nee, niet nummer 472 op het menu van de afhaalchinees, maar de baas van Noord-Korea. Zijn volk lijdt al jaren honger, maar dat mag de dictatoriale pret niet drukken. Wel meedoen aan het WK voetbal, maar verder lekker leninistisch bezig blijven, wie doet je wat? Obama niet, want die heeft net de Nobelprijs voor de Vrede gekregen. Het corrupte westerse gedoe is Kim Jong-il een doorn in het oog. Hij wil zijn volk behoeden voor het gif van de hebzucht. Vandaar dat hij deze week in al zijn wijsheid besloten heeft rare kapsels te verbieden. Het zal mij benieuwen hoe het voetbalteam van Noord-Korea er straks in Zuid-Afrika bij loopt. Coupe bloempot?

Eigenlijk ben ik best jaloers op Kim Jong-il. Ik zou graag even in zijn schoenen staan, maar dan met ons kikkerlandje in de rol van Noord-Korea. Doe-het-zelven zou verboden zijn, net als scooters, en op het stelen van iPhones stond standrechtelijke executie. Alle volwassenen moesten verplicht wiet roken of xtc slikken, want we namen onszelf anders veel te serieus. Iedere ochtend zou ik mijn onderdanen samentrommelen op grote pleinen. Ik zou ze duidelijk maken dat we een ingewikkeld gezelschapsspel van het leven hebben gemaakt, met tal van geschreven en nog meer ongeschreven regels. Ik zou ze vertellen dat we gegijzelden zijn van een meedogenloos systeem. Ik zou ze op het hart drukken dat geluk in andere dingen zit dan materie. Ik zou eenieder uitnodigen om vandaag goed te doen, al was het maar in de vorm van een vriendelijke lach of een praatje met de conducteur. Ik zou mijn onderdanen vragen, nee, smeken, de schellen te laten vallen en voortaan gewoon en eerlijk zichzelf te zijn.
'We zijn aangeklede apen,' zou ik besluiten, 'die doen alsof het niet zo is. Dan maar terug de bomen in!'

Alle gekheid op een stokje. Ik ben helemaal niet geschikt voor dictator. Toch kan ik het niet laten te fantaseren. Ik zie een zee van mensen voor me die op mijn commando hun vinger op hun hoofd plaatsen en drie keer 'oelk' roepen, zo massaal en hard dat seismografen over de hele wereld het geluid als een aardbeving met een kracht van 2.6 op de schaal van Richter registreren.

Eat that, Kim Jong-il!


Ep Meijer 2009

dinsdag, december 01, 2009

Doe maar gek, dan doe je al gewoon genoeg


'Welkom bij Studio Sport, dames en heren. Heeft u het bord op schoot? Vooraleer we naar het vaderlandse neusschuiven gaan, eerst even live naar Astana, waar zojuist de even bloedstollende als verrassende finale van het wereldkampioenschap persoonlijkheidsstoornissen heeft plaats gevonden. Tegen alle verwachtingen in is de Nederlandse delegatie op een teleurstellende elfde en laatste plek geëindigd. Het gekkengetal, maar dat is een schrale troost. Onze verslaggever Youp was getuige. Youp, wat is er in vredesnaam gebeurd?'
'Tja, Thom, daar vraag je me wat. Je zult maar als torenhoge favoriet starten, niets aan het toeval hebben overgelaten. AAHD, ADHD, NPS, PPS, SPS, afijn, noem de persoonlijkheidsstoornis maar op waarvoor er een afkorting bestaat, of Nederland had hem in huis. Het leek de perfecte strategie om de titel in de wacht te slepen.'
'Maar het liep anders.'
'Wat je zegt, Thom. In de eerste ronde leek het nog of de all round-vlieger van coach Sieldragher op zou gaan. Even, heel even lag Nederland zelfs op kop. Maar toen kwam het keerpunt en daar hebben onze gestoorden als vanouds moeite mee.'
'Wacht eens even, er was voor de keerpunten toch speciaal een Australische coach aangetrokken?'
'Klopt, Thom. Volgens insiders heeft Greg Almighty geweldig werk verricht. Maar uiteindelijk heeft hij het probleem niet tussen de oren vandaan kunnen krijgen.'
'Wat nu? Ik bedoel, onze deelname aan Vancouver komt in gevaar!'
'Inderdaad, Thom, de situatie is ernstig. Je moet er niet aan denken dat Nederland er straks niet bij zal zijn. Er is op bondsniveau dan ook al druk overleg gaande. Vast staat al wel dat het anders moet, minder complex.'
'Kan dat met Sieldragher?'
'Ik ben bang dat we geen keuze hebben, Thom. De tijd tot Vancouver is te kort. Bovendien zit de concurrentie natuurlijk ook niet stil, alle topcoaches zijn bezet.'
'Enig idee hoe we het moeten gaan redden?'
'Ik heb het er met collega's van andere toplanden uitgebreid over gehad, Thom. De algemene mening is toch wel dat Nederland zich moet focussen op gewoon doen, dan doe je immers al gek genoeg.'
'En gaat dat lukken?'
'Laat ik het zo zeggen, het wordt spannend.'
'Dank je wel, Youp in Astana. Voor de volledigheid, dames en heren, het wereldkampioenschap persoonlijkheidsstoornissen werd dit jaar gewonnen door België dat zijn eveneens gebrekkige keerpunt wist te compenseren doordat de teamleden een vinger op hun hoofd plaatsten en drie keer heel hard 'oelk' riepen. Tweede werd Kirgizië met de man die zeker wist dat hij een fietsventiel was en het brons ging traditioneel naar de VS met George W. Bush. Dan nu zoals beloofd naar het neusschuiven. Zal NSCVV* zijn zegereeks voortzetten?'


* Neus Schuif Club Verstopte Voorhoofdsholtes

woensdag, november 11, 2009

Ook uw mening telt!


Ze zeggen dat ik gek ben. Of ik niets beters te doen heb, vragen ze.
Toevallig niet, nee. Ik zal het u nog sterker vertellen: dit is het enige wat me nog rest.

Een wanhoopsdaad? Ach, geldt dat niet ook voor de beklimming van de hoogste berg ter wereld? Iedere recordpoging zou je zo kunnen zien. Wist u dat het wereldrecord kakkerlakken eten op 36 staat? Let wel, binnen een minuut. In dat licht bezien zou je de hele mensheid als een wanhoopsdaad kunnen beschouwen. Wat stellen we nou helemaal voor, op dat speldenprikje in een eindeloos heelal?

Een heldendaad. Dat wel. Er zullen maar weinigen zijn die het pad in durven te slaan dat ik ga bewandelen en nog minder die het lef hebben er publiekelijk van te getuigen. Daarbij doe ik het nog voor een goed doel ook. En niet het minste. Van de ervaring en de wijsheid die ik opdoe kan iedereen die de Nederlandse taal machtig is profiteren.

Aan de voorbereiding zal het niet liggen. Mijn conditie is op peil en de reflexen gescherpt. Aan manuscripten heb ik inmiddels een meter boekenkast volgeschreven. Vingeroefeningen, zo blijkt nu, voor wat me te wachten staat. Het zoeken blijkt maar weer eens de weg.

Zo. Ik heb de vingers gestrekt, in de koelkast ligt koud bier en ik heb REM opstaan. Gaan met die banaan!

Rara, wat ga ik doen?

Ik...
A. houd een vinger op mijn hoofd en roep heel hard 'oelk, oelk!';
B. ga achteruitlopend van hier naar de hoek van de straat, maar dan wel met mijn schoenen verkeerd om aan;
C: verplaats me langs telepatische weg helemaal naar de keuken en pak een biertje;
D: ga het celibaat in;
E: ga, slechts gebruik makend van anderhalve vinger, een blogje schrijven over het maken van keuzes.

F: Een combinatie van A, B, C, D en E;
G: Geen mening, die zou toch in dit stukje staan?
H: Anders, namelijk...

Goede oplossingen worden beloond met een collector's item. Over de uitslag wordt niet gecorrespondeerd (tenzij u uitermate langbenig bent).

dinsdag, oktober 20, 2009

'Sorry dames, het jachtseizoen is voorbij!'


September 1987. Ik sta op de top van Alpe d'Huez en hoest mijn longen over het asfalt terwijl mijn voorhoofd telkens onzacht in aanraking komt met het fietsstuur. Ik ben te kapot om voorlopig ook maar iets aan mijn lichaamshouding te veranderen. Zestien minuten heb ik er langer over gedaan dan Erik Breukink, maar toch. Ik had de bus bijna kunnen bijhouden!

Na ik weet niet hoe lang is het tijd voor het traditionele sjekkie. Het inhaleren doet zeer en mijn longen zijn het er duidelijk niet mee eens dat ik rook. What the heck? Ik ben er een kei in om me doof te houden voor wat er werkelijk aan de hand is.

Ik begin het koud te krijgen. Al te lang kan ik hier niet meer blijven. Na het feest van de afdaling is het nog ruim ruim honderd kilometer naar huis over heuvelachtig terrein. Alhoewel, huis? Ik leef in een hotelkamer.

Als ik straks, wanneer het donker zal zijn, volkomen uitgepierd bij het hotel aankom, is de kans groot dat Jean-Pierre, de receptionist van dienst, me grijnzend mijn post overhandigt: briefjes met spannende voorstellen van Anne, Natalie en Nataly, maar als ik pech heb echtscheidingspapieren die ondertekend moeten worden.

In gedachten schreeuw ik het uit en hoor de echo van haar naam van alle kanten uit de bergen terug als straf. In het echt durf ik niet. Wat zou men wel niet van me denken? Alsof de omstanders zouden snappen dat ik het mooiste cadeau dat ik ooit van het leven kreeg, verspeeld heb.

Het sjekkie trap ik half opgerookt uit, ik prop wat bosbessentaartjes naar binnen en drink mijn bidon half leeg. Mijn longen luisteren inmiddels weer een beetje naar me. Ik span ze tot het uiterste, een paar keer, tot ik ze weer helemaal in het gareel heb. Mijn polsslag is ook aardig tot bedaren gekomen, voel ik. We kunnen weer. Ik wil hier niet blijven staan en beseffen dat ik drie vrouwen tegelijk nodig heb om de pijn over die ene te verzachten. Wat Anne, Natalie en Nathaly ook doen, het zal nooit genoeg zijn. Ik ga met ze kappen ook. Het leven is lijden? Kom maar op dan, desnoods als monnik, het kan nooit zwaarder zijn dan de Alpe d'Huez op fietsen in 55 minuten. Met ware doodsverachting stort ik me naar beneden.


Ep Meijer 2009

maandag, oktober 05, 2009

De kille stilte van het gemis


'We moeten een teleporteermachine uitvinden,' verzucht ik. 'Net als in Star Trek. Beam me up, Sietse!'
Mijn oudste zoon haalt de schouders op. 'Dat zou miljoenen kosten. Dat kunnen we nooit betalen.'

Als gedachtestreepjes vegen blaadjes over het perron. De toch al lange tweewekelijkse reis duurt vandaag wegens werkzaamheden aan het spoor extra lang. Tussen Eindhoven en Weert zijn bussen ingezet. Nog wacht ons de laatste etappe. Net, in de bus, hebben we erg gelachen. Om de zittingen die los zaten, om zo ongeveer alles van de aftandse stadsbus waarmee de NS ons bedacht had, inclusief de chauffeur die de hele rit lang met steeds weer een nieuwe sigaret uit het zijraampje hing. Maar nu is de herfst ingetreden. Wachten, we staan alweer te wachten.

'Ik wou dat we al thuis waren,' klaagt mijn jongste zoon. Hij ziet er moe uit. Natuurlijk heb ik hem en zijn broer weer veel te laat naar bed laten gaan. Het is ook zo gezellig om ze over de vloer te hebben.
'Als de trein er is, duurt het nog maar tien minuten,' stel ik Bart gerust.

We staan alledrie naar de stoeptegels op het perron te staren, merk ik. Een eenzaam grassprietje trotseert de grijze woestenij alom. Ik krijg slechts één mondhoek iets opgetild. Tien minuten verdorie. Dan moet ik mijn mannetjes weer inleveren en ga ik terug de stilte in. Ik kijk omhoog. Onderweg is het alleen maar grijzer geworden. Nu is de zon helemaal verdwenen. Straks gaat het nog regenen ook. Wat ben ik voor een vader die zijn kinderen dit aandoet?

'Ik baal hier ook van, jongens,' beken ik, 'liever zou ik veel dichter bij jullie in de buurt wonen. Maar ja, ik heb nu eenmaal die baan.'
'Wij hebben ook parkeergarages in de buurt, hoor!' roepen Sietse en Bart bijna in koor. Ik ga door de knieën en trek ze tegen me aan.

We zien de trein aan komen, van de verkeerde kant en met een baard van opwaaiende blaadjes. Ik leg uit dat dit treinstel nu pendelt tussen Weert en Maastricht. Even breekt gesteggel uit over de vraag wie er mag kiezen of we boven of onder gaan zitten. Mijn zoons vinden beiden dat ze aan de beurt zijn. Ik schud het hoofd. Boven, onder, wat doet het ertoe? Die koleretrein betekent afscheid nemen. Krijsend komt het gevaarte tot stilstand.

Vlak voor we instappen, trekt Bart me nog snel aan mijn jas en gunt me een blik diep in zijn blauwe poppenogen.
'Je kunt toch ook met ons meegaan?' stelt hij voor. 'Je mag bij mij onder in het stapelbed.'
Ik bijt zo hard op mijn lip dat het zeer doet.