Twitter

Follow Ep_Meijer on Twitter
Posts tonen met het label romanfragmenten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label romanfragmenten. Alle posts tonen

zaterdag, oktober 06, 2012

Truth or dare, Cuzco

Zodra we in het dal waren en bereik hadden, heb ik het opgezocht op Internet. De vrucht in Laura's buik heeft op dit moment de afmetingen van een garnaal. Toch staat ons leven op het punt om radicaal te veranderen. Ik kijk naar de liefde van mijn leven, de vrouw met wie ik de afgelopen twee jaar alle continenten behalve Antarctica heb bezocht. Ze zit op de rand van het bed heel bevallig te wezen met een handdoek om haar lijf en één om haar hoofd, Die om het haar lijkt op een torentje. Hoe doen vrouwen dat toch?

'Ik dacht trouwens dat je de pil slikte.'

'Dat deed ik ook. Deze is er kennelijk tussendoor geglipt.'

De balkondeuren staan wijd open en de ventilator aan het plafond hakt loom wiebelend de warme lucht aan mootjes.Van buiten dringen het geluid van toeterende auto's en een enkel 'caramba' door. Mijn bovenlijf glanst van het zweet. Ik zie een heldhaftige spermacel voor me, die, alsof het een computerspelletje is, monstrueuze hindernissen moet zien te overwinnen. Tot slot wacht de eindbaas: de pil met al zijn giftige hormonen.

'Een wonder,' concludeer ik.

'Precies,' knikt Laura.

'Zeg nou eerlijk, schatje. Dit heb je gepland. Waar of niet?'

Ze schudt heftig van nee, maar de toren op haar hoofd houdt het glansrijk. 'Ik ga je kietelen, hoor. Tot je het toegeeft.'

'Dat durf je niet,' giechelt ze.

Wel dus. Maar ik vraag eerst netjes of het geen kwaad kan voor de garnaal als het niet bij kietelen blijft. Laura verzekert dat ik me te buiten mag gaan.

Pas daarna werd het praktisch. Het sprak vanzelf dat we onze levensstijl niet konden volhouden. Rond de wereld reizen met een rugzak om was leuk, maar niet met een zuigeling erbij. We moesten ons kind een veilige basis geven. Zo erg was dat idee trouwens niet. Om eerlijk te zijn snakten we na al dat reizen naar een thuis, het liefst met een open haard en een tuin, zodat Laura kruiden kon gaan verbouwen. We fantaseerden erover, die avond in Cuzco, hoe het eruit zou kunnen zien, ons paradijsje voor drie en misschien wel meer.

Tot het over de hamvraag ging. Ik stelde hem nota bene zelf.

'Terug naar Nederland dus?'

Het leek alsof de woorden nog even rond zweefden voor ze een zin vormden, omdat ze zelf ook nog niet echt durfden. Buiten schreeuwde weer eens iemand 'caramba' en ik meende de trein naar Lima te horen vertrekken. Ik stond op van het bed en liep naar het balkon om mijn longen vol te zuigen. Alle Zuidamerikaanse steden roken naar uitlaatgassen, alleen het gehalte aan lamamest varieerde. Een windvlaag veegde mijn tors kortstondig koel. Het leek of de flats in mijn blikveld de mazelen hadden, zoveel schotelantennes plakten er aan de flanken. Op de daken tastten werkloze antennes als een woud van voelsprieten naar de al roze kleurende hemel boven Cuzco. Boven de contouren van de bergen in de verte kwam juist de net niet volle maan op. Kon het mooier? Ik wilde niet terug naar Nederland, als ik iets niet wilde was het terug naar Nederland! Ze zagen me aankomen, zeg. Mijn leven lang zou ik er herinnerd worden aan die ene etappe, de koninginnerit van de 97-ste Tour de France. Ik had hem eigenlijk al gewonnen, maar om redenen die alleen mij op dat moment duidelijk waren, keerde ik een halve meter voor de finish om en ging ik mijn kopman halen, zoals het een knecht betaamt. Mijn uitleg – dat iedereen toch zou denken dat ik het op doping had gedaan – vond maar weinig gehoor. Hoewel ik net als Vince Powers nooit betrapt ben, werd mij wegens het gebruik van ongeoorloofde middelen de deelname aan wielerwedstrijden verboden gedurende twee jaar.

Ik draaide me om, liep naar het bed en omhelsde Laura van achteren.

'Nou?'

'Dat lijkt me de meest reële optie,' vond ze. 'Nederland is toch ons geboorteland. Bovendien kunnen mijn ouders en misschien die van jou helpen met oppassen.'

Ik knikte maar, hoewel ik in gedachten nog lang zo ver niet was. Ik zat in een gemeentehuis met een frommeltje papier in mijn hand waarop een letter en een nummer stonden, te wachten op mijn beurt om me als ingezetene in te mogen schrijven zonder een inburgeringscursus te hoeven doen. Meneer van Aert was immers twee jaar lang zonder vaste woon- of verblijfplaats geweest. Ik werd bij voorbaat gek van de regeltjes in het vaderland.

We deden het nog een keer die avond, Laura en ik, bedaard haast, tot we het beiden niet meer hielden. Nog een keer vroeg ik of de garnaal veilig was voor ik versnelde en haar antwoord verloren ging in ons gezamenlijke orgasme.

Toen vielen we in slaap. Ik droomde dat ik in een wielerkoers zat. Ik reed op kop, maar de weg verwarde zich tot een Gordiaans knooppunt. Ik zette telkens weer aan zonder dat er iets veranderde aan de kluwen. Ik keek opzij. Laura reed naast me, zonder handen aan het stuur en schilde een appel voor me. Ze gaf partjes aan die met chirurgische precisie van ieder restje klokhuis ontdaan waren. 'Hier schat,' zei ze, 'je doping.'

Het volgende moment schrok ik wakker. De Mariaprenten op de muur waren al niet meer zichtbaar. Boven het balkon knipoogden drie sterren naar me en er werd veel minder getoeterd. Ik voelde Laura's haren over mijn wangen strijken, telkens als ze ademhaalde, maar meer nog werd ik me van een been van haar bewust, dat één van mij in slaap had doen vallen. Voorzichtig tilde ik het opzij, maar niet voorzichtig genoeg. Er ging een rukje door haar hoofd en ze zocht met haar lippen tot ze de mijne vond voor de lekkerste kus ooit.

'Ik hou van je,' zei ze, nee, kreunde ze, al klinkt dat veel te ordinair. We waren één op dat moment, zo één als je met twee mensen ook kunt zijn. Ik was nog nooit zo gelukkig geweest.

'Ik ook van jou,' stamelde ik.

Toen vroeg ze het. Een ongeluk komt zelden alleen? Het omgekeerde is ook waar. Sinds mijn ontboezeming op Machu Piccu was bijna een dag verstreken. We hadden het alleen maar over de garnaal in haar buik gehad. Maar Laura had me wel degelijk gehoord. Ze had zelfs vooruit gedacht, de schat.

'Er zijn toch drie Nederlandse ploegen? Het lukt je vast om een contract te krijgen als je dicht bij het vuur zit.'

Juist niet, dacht ik. Volgend jaar, als de honderdste Tour de France verreden werd, was ik 39, een grijsaard in wielerland. Daarbij was ik ruim twee jaar geschorst geweest. Wattages, de kracht die je met je spieren opwekte, dat is waar het tegenwoordig in het peloton om draait. Daar ging ik dan met mijn indrukwekkende trainingsritten in het Andes-gebergte; er stond niets op papier. Geen profploeg ter wereld zou me inlijven, laat staan dat ik in de Tourselectie werd opgenomen. Er was een wonder voor nodig, bijna net zo'n groot wonder als een spermacel die de pil versloeg, om me een startplaats te bezorgen. Toch drukte ik een kus op Laura's voorhoofd. Het pleit was beslecht.

'Oké, terug naar de wal,' zei ik.

donderdag, januari 19, 2012

Fragment uit 'Katja's Plan'


Als ik wakker schrik, staat de meter al op 85 Euro. De bossen hebben ons ingekapseld en de weg is smal geworden. Tot mijn opluchting herken ik de aanblik. Het lijkt gisteren dat ik hier met Katja en de kinderen reed. Toen maakte ik me zorgen of de overname wel door zou gaan, nu is die ineens een voldongen feit. Dat zit me niet lekker. Lief dat ze mijn hersens niet wilde overbelasten, maar Katja had best wat zaken kunnen overleggen. Zo zijn we toch niet getrouwd?
Voor het eerst kijk ik echt naar de chauffeur. Hij lijkt een beetje op een acteur uit oude Franse misdaadfilms wiens achternaam me niet te binnen wil schieten, want mijn geheugen blijft een zeef. Jean nog wat. Prop een sigaar in zijn mond en de gelijkenis is compleet.
'Excuseert u mij,' probeer ik in mijn beste Frans, 'waarom vroeg u me straks of ik wel zeker wist dat ik naar Merlin wilde?'
'Weet u wel zeker dat u dat wilt weten?' vraagt hij en hij lacht er niet bij.
'C'est tellement terrible?'
De chauffeur knikt gewichtig en begint te vertellen. Voor het stadje Merlin-sûr-Mordogne heette, had het een andere naam, begrijp ik: Merlin-le-Diable, genoemd naar een tovenaar die volgens de legende op een dag in de Middeleeuwen verrezen was uit de rivier. Het waren donkere tijden geweest. De inquisitie had nog maar net afgerekend met de katharen in de buurt en door heel Europa zaaide de pest dood en verderf. De inwoners konden wel een mascotte gebruiken en namen de tovenaar liefdevol in hun midden op. In ruil voor zijn bescherming gaven ze hem onderdak en voorzagen ze hem rijkelijk van voedsel en drank. Maar tegen welke prijs kwam de toverkracht? Merlin eiste mensenoffers, ieder jaar twee. Na verloop van jaren groeide het ongenoegen onder de bevolking, mede ook omdat de stad nog steeds door plagen geteisterd werd. De Mordogne bleef overstromingen veroorzaken en de ene na de andere oogst mislukte. Het zou uiteindelijk de liefde zijn die Merlins lot bezegelde. Toen de molenaarsdochter aan de beurt was, pikte de zoon van de schepen het niet langer, want hij was tot over zijn oren verliefd op het meisje. Samen met wat vrienden besloot hij de tovenaar te vermoorden door diens hart met een houten staak te doorboren. De lichtflitsen die met het gevecht gepaard gingen, schijnen tot in de verre omtrek waargenomen te zijn. Voor hij de laatste adem uitblies, had Merlin nog net de tijd om het stadje voor eeuwig te vervloeken. Voor de zekerheid werd het toch maar naar hem vernoemd, maar dat hielp niet.
'Sindsdien,' verhaalt de taxichauffeur, 'raken er ieder jaar opnieuw twee personen vermist, je kunt er de klok bijna op gelijk zetten. Soms door een overstroming maar soms ook gewoon op klaarlichte dag. Er wordt nooit iets van hen teruggevonden, nog geen haar.'
De afdaling naar het dal is begonnen. Hier was dat prachtige herfstpanorama te zien, maar nu bestaat de wereld uit vage vlakken die wel heuvels in de verte zullen zijn.
'Mooi verhaal,' zeg ik, 'maar is het ook waar?'
'Eh bien, de stad hangt het niet aan de grote klok natuurlijk, zeker nu het toerisme zo'n grote rol speelt. Kijkt u het maar na op Internet. In 1972 werd het ineens sûr Mordogne in plaats van le Diable. In datzelfde jaar werd de camping geopend. Toeval bestaat niet, monsieur, want geld regeert de wereld. Ze hebben weliswaar hun best gedaan om de naamsverandering in de doofpot te stoppen, maar af en toe verspreekt een oudere inwoner zich nog wel eens. Als u me niet gelooft, moet u maar eens dat kapelletje bij de markt bezoeken. Op het altaar is het bloed van Merlin de duivel nog steeds te zien, als een schaduw op het graniet.'
We zijn beneden. Zelfs in het donker licht het water in de stroomversnelling op en lijkt de Mordogne me likkebaardend opgewacht te hebben. Zou Katja weet hebben van deze geschiedenis? Vast niet, denk ik. Als ze al ervan gehoord heeft zal ze het haar kennende als visserslatijn af doen. Net als ik trouwens. Een stad die vervloekt is? Kom nou. Dat van die vermissingen heeft waarschijnlijk een geheel andere, plausibeler verklaring. Vloeken bestaan alleen tussen de oren. Wanneer de bewoners zo nodig willen denken dat er ieder jaar twee mensen verdwijnen, nemen ze het vast niet zo nauw met de gemeentegrenzen. Frankrijk is groot, het aantal mensen dat jaarlijks vermist raakt is vanzelfsprekend navenant hoog. Om dat te relateren aan de wandaden van een Middeleeuwse tovenaar getuigt van bijgeloof. Een paar honderd jaar geleden waren mensen misschien naïef genoeg geweest om in bakerpraatjes te trappen, maar ik leef in de 21-ste eeuw, waar rook zonder vuur hoogst zeldzaam is.

In het licht van de koplampen van de taxi doemt eindelijk de ingang van de camping op. Ervoor is een parkeerplaats aangelegd die zelfs op dit late uur nog met antiek aandoende lantaarnpalen verlicht is. Er staan vier, nee vijf auto's op met louter Nederlandse kentekenplaten. Een hemelsblauwe Porsche trekt de aandacht. Verder valt me alleen op dat onze stationcar er niet tussen staat. Zeker ingeruild tegen dat elektrische brik. Ik wist verdorie niet eens dat we al open zijn. Een groot paars bord met opnieuw die zwierige oranje letters verwelkomt me op 'Le Camping, l'endroit le plus swinging en Europe'. Over een huisstijl en een slogan hoef ik me alvast geen zorgen te maken. Swinging? Misschien zit er een disco met house parties in de planning, denk ik, het moet niet gekker worden.
Als we dichterbij komen zakt voor de zoveelste keer die dag mijn mond open. Een metershoge heg begint mijn blikveld te vullen, zodat het kampeerterrein zelf verscholen ligt. Alleen waar vroeger de slagboom stond, maar nu een manshoog hek met tanden, wordt me een inkijkje gegund. Hoewel, al wat ik zie is nog meer heg. Ik begrijp het. De gasten moeten een soort fuik door voor ze het wereldwonder mogen aanschouwen. Katja wil kennelijk geen pottenkijkers. Waar is ze toch mee bezig?
'Dat is dan 132 Euro en 40 cent,' zegt de taxichauffeur.
'Voor de rit of voor het verhaal?' grap ik en betaal met drie biljetten van vijftig Euro. 'C'est bon comme ça.'
'Merci monsieur. Et bonne chance.'
De taxichauffeur grijnst erbij als Jean de acteur in zijn meest vileine rol. Ineens herinner ik me diens achternaam weer: Gabin.

Ik sla het portier dicht en de taxi verdwijnt met een pluim aan de uitlaat. Het knerpen van de steentjes sterft uit en het is stil. Tenminste, ik heb verwacht dat het zo zou zijn, dus duurt het even voor mijn oren het geluid registreren. Het vergt nog langer tot ik me realiseer wat ik hoor, want het lijkt vanwege de afstand met golven en dalen te komen. Dit kan niet waar zijn, ik moet per ongeluk toch door een poortje naar een andere wereld geglipt zijn. Nee, achter de heg krioelt het niet van de krolse katten. Evenmin zijn er op een tennisbaan een paar gemengd dubbelwedstrijden aan de gang. Wat ik hoor is het onmiskenbare, amper gesmoorde kreunen van mensen die een seksueel hoogtepunt naderen, niet één stel, maar misschien wel vijf. Le plus swinging endroit en Europe. Aha, denk ik, op die fiets. Katja heeft me heel wat uit te leggen.

dinsdag, december 15, 2009

De beschutting van mijn hut


Patrijspoorten zijn schaars op een vrachtschip. Logisch, er moet gewerkt worden. Wat zul je naar buiten kijken, waar toch niets te zien is behalve zee en lucht? Concentratie, daar gaat het om. Een ongeluk zit in een klein hoekje als je een oceaan bevaart die zo groot is dat zelfs het grootste schip ter wereld er met gemak een paar triljard keer in kan verdwijnen. Met man en muis vergaan, heet het dan.
Mijn hut heeft dan ook geen venster. Wel een deur (die niet helemaal dicht gaat), een kast (die ik niet echt nodig heb) en een gloeilamp aan een koordje die bij zeegang vervaarlijk met mijn schaduw strooit op de vloer die bedekt is met de herinnering van een strooien karpet. Wat aan rafels overgebleven is, resoneert op de gekmakende hartslag van de Acaso; de machinekamer ligt pal onder mijn hut. Als je goed kijkt, zie je hoe de desintegratie in zijn werk gaat. Bij iedere omwenteling van de zuigers danst het textiel als uitzinnig. Omdat er nog samenhang is, worden de vezels iedere seconde opnieuw aan, naar verhouding, enorme trillingen en G-krachten blootgesteld. Vanzelf worden ze uitgerekt, iedere tel weer, tot de grenzen bereikt zijn. Het stro wordt langzaam maar zeker aan stukken gereten. Dan is er geen redden meer aan. Alle verbindingen laten los.
Voor het resultaat bestaat de verzamelnaam stof. Dat doet de situatie onrecht. Sommige fragmenten van het karpet zijn inderdaad vergaan tot het formaat van zandkorrels. Weer andere meten nog enkele vierkante millimeters en lijken, als miniatuur tumbleweeds dansend op de maat van de scheepsmotoren, wanhopig op zoek naar het voormalige geheel. Soms krijgen ze contact met hun pluizige soortgenoten, maar de illusie is een kort leven beschoren. Bij de volgende dreun van de dieselmotoren ontstaat alweer een geheel andere, even hopeloze realiteit.

Het is niet veel, mijn hut, maar het is mijn huis, de enige plek aan boord waar ik iets van privacy heb en waar ik, ondanks het feit dat de deur niet helemaal dicht kan, veilig ben voor de kapitein. Hier heeft hij me vreemd genoeg nog nooit lastig gevallen. Ik vraag me af hoe lang dat nog gaat duren.

Van de weeromstuit schrijf ik lange brieven aan Sophie, ongemakkelijk in mijn kooi liggend of zittend. Kramp in spieren waar ik me niet bewust van was, noopt me af en toe tot pauzes. Die duren nooit lang, want ik heb veel te veel op mijn lever. Ik probeer Sophie uit te leggen dat het onvergeeflijk is wat ik heb gedaan, maar dat het een gedwongen zet was; ik kon echt niet anders. Ik druk haar op het hart dat – hoe gek dat ook klinkt uit de mond van een man die de liefde van zijn leven op zo'n weerzinwekkende manier in de steek heeft gelaten – ik me zorgen om haar maak, dat ze vooral structuur moet zoeken om het gekkenhuis te overleven. Ook biecht ik op hoe moeilijk ik het had toen ze voorstelde er samen uit te stappen. Dat ik daarom haar iPhone in de Taag had gegooid. Ik smeek haar geen poging te doen om me achterna te komen. Ze moet door, omdat ik al voor haar sterf.
Nooit vergeet ik aan het eind van de brieven te beschrijven hoeveel ik van haar houd, in steeds wisselende bewoordingen, want dat is zo. Ik heb de ware gevonden en liet haar vallen. Vanwege een groter plan.

Het verdriet is machtiger dan de pen, want als er tranen op het papier vallen – en dat gebeurt vaak – verkleurt eerst de inkt en dan verliezen de letters traag hun vorm, alsof ze smelten. Niet dat iemand ooit proberen zal ze te ontcijferen. Er is vast nog wel een postkantoor op Montserrat, alleen is het bij gebrek aan bevolking waarschijnlijk verlaten. Met geen mogelijkheid ter wereld zal ik de brieven ooit kunnen posten.
Nee, het heeft geen zin om aan Sophie te schrijven, tenzij het waar is wat ze beweert over de gedachtevelden: mensen kunnen langs telepatische wegen met elkaar in verbinding staan. Hoe vaak hebben we niet na soms dagen van radiostilte op exact hetzelfde moment op de verzendknop geklikt om elkaar een mailtje te sturen? Dat bewijst echter niets. Vanaf het moment dat ik Sophie leerde kennen, is ze nog geen tel uit mijn bewustzijn geweest. Als het bij haar ook zo was, is toeval automatisch tot een natuurwet gepromoveerd, ware het niet dat ik me aan boord bevind van een aftandse, onder Panamese vlag varende, slome Portugese stomer. Het is onmogelijk de bewijzen te overleggen en wederom is de kwestie academisch. Als mijn hut een patrijspoort had – wat dus niet het geval is – zou ik kunnen zien hoe de werkelijkheid aan de buitenkant van de Acaso slechts uit onmetelijke, verschillend getinte vlakken blauw bestaat. Nooit heeft mijn gezichtsveld een grotere werkelijkheid omvat als oog in oog met de zee. Toch is mijn wereld ongelooflijk gekrompen sinds het vertrek uit Porto. Geen Internet hier en evenmin bereik voor mijn mobiele telefoon die ik louter vanwege de sms-jes van Sophie heb bewaard.
Alle 16 strooien ze zout in de wonden, zelfs de eerste, ook al bevat die slechts een enkele X en de mededeling 'de Wit', in antwoord op mijn eveneens per sms gestelde, niet bijster originele vraag waar ze zich bevond.

Hoewel ik haar verlaten heb, weigert Sophie te vertrekken. Ze is bij me. Nog steeds. Omdat ik haar blijkbaar nodig heb om aan de beschutting van mijn hut te ontsnappen. Daarbij blijven haar borsten en billen door mijn bewustzijn tuimelen, wat me weer van pas komt als mijn ogen niet dicht willen vallen en ik masturbeer bij wijze van probaat slaapmiddel. Liefde is egoïsme ten top.


(Uit de Verboden Woorden)

dinsdag, december 08, 2009

Op weg naar Montserrat (de voorlopige proloog van de Verboden Woorden)


De mens is terminaal vanaf zijn geboorte, de dood sluipt iedere seconde dichterbij. Maar als de dagen die nog resten op je vingers te tellen zijn, krijg je een heel ander verhaal.

Het opspattende water bijt in de talrijke wondjes op mijn handen. Hoewel ik aan de schaduwkant van de boot bungel, is het zo heet dat het zweet in straaltjes van mijn lijf loopt. Kostbaar zout verlaat als ratten het zinkende schip. Hoe zinloos. In een halve cirkel ontvouwt zich zo ver als het oog reikt alleen maar oceaan. Het moet hier ongeveer vier kilometer diep zijn. Gegeven de twee meter die ik me op het hoogste punt van de golven boven het wateroppervlak bevind en – voor de volledigheid, want de invloed is marginaal – de kromming van de aarde, is mijn blikveld beperkt tot een kilometer of twee van alleen maar zout water. Hoeveel miljoenen hectoliters zijn dat? Eens kijken. De inhoud van een cirkel bereken je door de straal met de straal en pi te vermenigvuldigen, gedeeld door twee want ik zie maar de helft. En dat dan maal vier kilometer diep. Mijn hersens koken, ik krijg de som niet opgelost. Alsof het antwoord ertoe doet. Er is geen druppel drinkbaar van. De veldfles die hinderlijk om mijn nek hangt, is al lang leeg. Regenen gaat het ook niet. Alleen op de horizon is een plukje engelenhaar geplakt, de hele dag al. Verder is de lucht een stolp van staal. Natuurlijk heb ik kramp in mijn darmen, maar de dorst is erger.
'Agua!' roep ik naar boven.
De kapitein – laat ik hem maar zo noemen, dan word ik minder kwaad – ligt natuurlijk ergens zijn roes uit te slapen. Trouwens, als hij wakker is, zou hij waarschijnlijk doen alsof hij me niet hoorde, want de klootzak laat geen gelegenheid onbenut om me het leven zo zuur mogelijk te maken. Helaas bestaat de rest van de bemanning uit Chinezen en weet ik wel hoe je iemand een goede dag wenst, maar ben ik vergeten te vragen wat ze tegen 'water' zeggen.
'Hé!' schreeuw ik daarom maar, tot mijn luchtpijp begint te schrijnen. Slikken gaat nu haast niet meer. Nog even en ik ga van mijn stokje. Ik ben niet eens gezekerd. Ik kijk naar de restanten van de boeggolf die met een snelheid van niet meer dan acht knopen onder mijn voeten voorbij bruisen, schat ik, want de Acaso is een oud beestje. Hoe helder de zee hier ook is, door de schaduw lijkt er op de rest van het water een vlies inktzwarte olie te drijven. Het is onmogelijk door het oppervlak de diepte in te kijken. Er staat niet veel golfslag. Toch deint het schip en kan ik met mijn tenen soms bijna de olie aanraken. Bijna. Ik stel me voor hoe het vlies zich niet laat penetreren en meegeeft. De gedachte aan Sophie is onvermijdelijk. Zij is waarschijnlijk weer terug in Amsterdam, waar de minnaars in de rij staan. Zou ze me missen, lijdt ze net zoals ik nu we elkaar nooit meer kunnen aanraken, elkaar zelfs niet meer kunnen mailen? Er bestaat geen definitiever afscheid dan dat wat ik op mijn geweten heb. Ik span mijn kaakspieren zo hard dat mijn tandvlees zeer doet. Ondanks de hitte raast er een ijsklontje door mijn ruggengraat. Laten we bij de les blijven. Wie weet wat er pal onder me zwemt. Haaien zijn in staat om bloed op kilometers afstand waar te nemen. Als ze er zijn, kunnen ze mij waarschijnlijk wel zien. Dat daar, was dat geen vin? Voor de zekerheid trek ik mijn benen ietsje hoger op, draai een kwartslag en laat mijn voeten steunen op de pokdalige huid van de Acaso, de huid die ik op last van de kapitein van schelpen, wier en algen moet ontdoen, wat onbegonnen werk is. Misschien een halve vierkante meter ben ik gevorderd in al de uren dat ik op deze kolereschommel zit, bewapend met een uit de kluiten gewassen, maar veel te bot soort plamuurmes, waardoor ik om de haverklap de rug en de knokkels van mijn beide handen openhaal, want vanwege de vermoeidheid ben ik gedwongen rechts met links af te wisselen. Soms gebruik ik ze zelfs samen om hardnekkige schelpen te verwijderen. Het touwtje waarmee het werktuig om mijn pols zit, irriteert, telkens als het over mijn vel schuurt en dat gebeurt vaak, heel vaak. Ik had Sophies iphone niet in de Taag moeten gooien, schiet me te binnen, ik had het ding in mijn zak moeten steken. Dan had ik tenminste muziek gehad. Ik zou een moord doen voor Bach. En nog één om Sophie een laatste maal te mogen kussen trouwens.

Pauze, denk ik. Geen vin verroer ik meer tot er water komt. Met mijn voeten tegen de Acaso leunen, veroorzaakt pijn in de bovenbenen. Ik laat me weer met de rechterschouder tegen het schip aan zakken, maar ook dan resoneren de dieselmotoren op den duur tot in mijn vullingen.
'Ni Hao,' krijs ik naar boven, 'me need drink!'
De dieselmotoren stampen, golven in mijn blikveld bewegen, maar het geheel staat onverminderd stil. Waarom laat ik me niet gewoon vallen? Vermoeid als ik ben, zouden mijn spieren al snel verkrampen. Ik zie het voor me: ik watertrappelend terwijl de Acaso snel kleiner wordt. Op het laatst zou je alleen nog wat rook zien kringelen, bij voorkeur in de vorm van een vraagteken. Het summum van pleinvrees zou ik beleven, want daarna zou er alleen nog maar water en lucht zijn om me heen. Maak er trouwens maar het summum van claustrofobie van, want de ruimte is bedrieglijk. In de praktijk zou ik namelijk geen kant op kunnen. Binnen een half uur zou het afgelopen zijn, als een haai me tenminste niet eerder te pakken kreeg.
Nee, denk ik, niet zo, dat is mijn eer te na. Er is maar één mogelijk einde: ik moet en zal naar Montserrat.


Ep Meijer 2009

maandag, mei 25, 2009

Als het jeukt, moet je krabben




Het begon allemaal met een krantenberichtje. Bij de verbouw van een muurhuis was een belangrijke archeologische vondst gedaan. Ik weet nog dat ik het dacht: niets nieuws onder de zon. Hier in Amersfoort hoef je praktisch maar een schop in de grond te steken of je doet een belangrijke archeologische vondst. Wat wil je ook, in een stad die 750 jaar oud is? Toen begonnen er doden te vallen.

De aannemer heeft zich vast en zeker veilig gevoeld in zijn dikke Mercedes. Overal airbags, wat kon hem gebeuren? Nou, een spookrijder dus, met, zoals uit het sporenonderzoek van de politie bleek, een snelheid van 160 kilometer per uur op de A-27, ter hoogte van de afslag Leusden. Voor de airbags van zijn dikke Mercedes zich konden opblazen, was de aannemer al zo plat als een dubbeltje.
Alles wees op een ongeluk. Tot de week daarop ook de archeoloog en de betrokken ambtenaar eraan moesten geloven.
De archeoloog had eens verkondigd dat hij ervan droomde om net zoals zijn idool Howard Carter een soort Toetanchamon te ontdekken, zonder de gevolgen dan, in de vorm van een dodelijke, mysterieuze griep. Hij zal misschien nog heel even gedacht hebben dat hij door een vloek getroffen werd. In werkelijkheid was het de Intercity naar Schiphol Airport. Getuigen zagen hoe een jonge vrouw de archeoloog mee het perron van station Baarn af trok, juist voordat de trein aan kwam stormen.
De betrokken ambtenaar kwam om het leven toen zich, tijdens een feestelijk bezoek aan een heropend plaatselijk historisch museum, een suppoost op hem wierp en een handgranaat tot ontploffing bracht. Behalve de ambtenaar en de dader stierf ook een bezoeker en raakte de museumdirecteur een arm en diverse historische voorwerpen van onschatbare waarde kwijt. De nabestaanden van de suppoost begrepen er niets van. Henk M. was altijd de minzaamheid zelve geweest, niemand had dit achter hem gezocht.

Drie incidenten, zeven doden, drie zelfmoordaanslagen. De grote archeologische vondst werd duur betaald. Niemand nam de verantwoordelijkheid op zich, ook Al Q'Aida niet. Er was iets aan dat muurhuis dat kennelijk geheim moest blijven, zo geheim dat drie mensen bereid waren geweest hun leven te geven. Heel onverstandig misschien, maar ik besloot op onderzoek uit te gaan. Dat klinkt trouwens dapperder dan het is, hoor, want in het begin beperkte ik me tot Internet.

Het was nog betrekkelijk eenvoudig. Door gegevens van Hyves en FaceBook te combineren en door veel, heel veel te googlen, ontdekte ik datHenk M, de jonge vrouw en de spookrijder iets gemeen hadden gehad, met name op zondag. Alledrie waren ze gelovig geweest, zo gelovig dat ze behoorden tot 'De Heilige Zaak', een van de oudste van de ruim veertig kerkgenootschappen die Amersfoort telt.

Daar hield het spoor op, tenminste in de virtuele wereld. Op Internet kwam ik niet verder dan dat het genootschap 'Dhe Heylighe Saeck' met zijn tijd was meegegaan en de spelling inmiddels had aangepast. Opgericht in 1444, een jaartal dat opgeteld weinig goeds voorspelde, tenminste, als je iets met numerologie hebt. Verdere informatie ontbrak.

Dat was het moment van de waarheid. Als ik meer wilde weten, moest ik de echte wereld in. De vraag was of ik daar wel behoefte aan had. Eigenlijk had ik het prima naar mijn zin. 32 uur per week zat ik betaald uit mijn neus te peuteren in de meldkamer van een aantal parkeergarages. Heel af en toe ging de telefoon en doorgaans drukte ik dan op een knopje, zodat er ergens in den lande een deur openging voor iemand die zijn kaartje in de auto had laten liggen. Wie deed me wat?

Het jeukte.
Anders kan ik het niet uitleggen. Dus ging ik op een vrije ochtend een wandeling maken langs de muurhuizen van Amersfoort. Ik kende hun geschiedenis: ze werden gebouwd op de restanten van de eerste stadsmuur, vanaf het jaar 1450, toen de tweede muur eenmaal compleet was. Zeventig jaar deden ze erover, over de bouw van de tweede muur. Degenen die hem bedachten, waren al lang dood voor hij klaar was. Als je zijn bouw naar het heden vertaalt, moet je het qua omvang en gedurfdheid vergelijken met de Kanaaltunnel. Die tweede muur moet een fortuin hebben gekost, eigenlijk was het gekkenwerk. In die dagen, bedacht ik me, zat de angst voor de vijand er kennelijk goed in.

Voor nummer 58, het pand waar de belangrijke archeologische vondst was gedaan, gebeurde helemaal niets. Ja, er kwam een fietser voorbij die als een stripfiguur een spoor van balloons trok met zijn adem. Oké, er stak ook een zwarte kat over, maar dat deed me glimlachen. In de Middeleeuwen geloofden ze misschien dat het ongeluk bracht als je zo'n beest tegenkwam. Ik wist wel beter en scande nogmaals de omgeving. Nergens geheime agenten op de loer, geen camera's te zien die het gebeuren genadeloos vastlegden, laat staan kamikazepiloten. Ik betreurde mijn zoek geraakte handschoenen, haalde de schouders op en belde bibberend aan.

Als er een hemelpoort bestaat en er wordt me gevraagd waar ik het meeste spijt van heb, dan is het wel van dat aanbellen. Ik durf te zweren dat er een soort van elektrisch schokje door me heen raasde op het moment dat ik op het knopje drukte. Dat was juist het rare. Het huis was ruim zeshonderd jaar oud, zo'n moderne bel was ongepast, er klopte iets niet, dat wist ik meteen, alleen deed ik niet wat al mijn genen me ingaven. Ik rende niet weg, maar ik wachtte geduldig tot er werd opengedaan.

Het volgende moment...
Nee, wacht.
Heb je wel eens naar onweer gekeken, vanuit je slaapkamerraam? Zoja, heb je wel eens het gevoel gehad dat er iets raars gebeurde als de bliksem ergens vlakbij insloeg, alsof de tijd ineens andersom ging? Er veranderde iets toen ik had aangebeld. Een vroege zonnestraal streelde de zolders van de muurhuizen, als bij toverslag kraste ergens een kraai. Daarna werd stilte ineens een geluid. Zelfs het verkeer op de Stadsring zweeg. Ik hoorde slechts het ruisen van mijn bloed. Een tel lang, beslist niet langer, sloot ik de ogen. Toen ik ze weer opendeed, was alles anders.


Dit zou zomaar de proloog van mijn volgende project kunnen worden, een jongens(en -meisjes)boek dat zich afspeelt in het Amersfoort van 1444.
Ep Meijer 2009. Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd.

dinsdag, december 09, 2008

De honger van de wolven



'Woesj,' zeggen de glazen deuren achter me. Niet te geloven, ik ben ontsnapt! Meteen kruipt de kou als een wurgslang langs mijn benen omhoog. Door de sneeuwjacht zie ik geen hand voor ogen, behalve als het flitst. Dan is alles verlicht, maar zo kort dat de werkelijkheid een stroboscoop lijkt. Het beeld beweegt gestreept, er is nergens houvast. Na een paar passen stelt het sanatorium niets meer voor behalve een slechte herinnering. Ik kijk achterom en zie woedend wit. Is dat de wind die zo huilt of is het een roedel wolven? De besneeuwde dennenbomen duiken steeds op het laatste moment op. Ze slaan me in het gezicht met hun takken. Schreeuwend vecht ik me een weg, geholpen door de zwaartekracht, want het gaat almaar omlaag. Ik glijd, struikel, val, terwijl de vlokken naalden in mijn ogen steken. Telkens sta ik weer op, waarna alles weer van voren af aan begint. Ik heb doorlopend ruzie met de ochtendjas en de pantoffels ben ik al kwijt geraakt. Mijn voetzolen, mijn tenen, ze zijn gevoelloos. Ik heb wondjes op mijn benen en mijn armen. Bloed boort gaatjes in de sneeuw, waar ik ga.

Ik zoek troost bij een boomstam, hijg uit. Nu weet ik zeker dat ik door de donderslagen heen wolvengehuil hoor en het komt dichterbij. Ik zie vlijmscherpe tanden voor me, blinkend in het licht van een bliksemschicht. Als de wolven mijn bloed ruiken, ben ik er geweest. Ze zullen me aan stukken rijten.
Peper! Ik moet mijn sporen uitwissen, de wolven voor de gek houden. De bus is warm. Ik heb hem al die tijd in mijn linkerhand gehouden. Toch krijg ik de deksel moeilijk afgeschroefd. Schiet op, Bronstein, het gaat om je dochter! Katja, denk ik, het is onbestaanbaar dat ze niet echt is. Ik doe dit voor haar. Trouwens, die energierekeningen heb ik me toch niet verbeeld? Heel duidelijk hoor ik hoe het huilen overgaat in grommen. De wolven zijn vlakbij. Ik draai me na iedere paar stappen om en strooi wat peper. In films snuiven ze de korrels op en zetten ze het op een janken, omdat ze ineens niets meer kunnen ruiken. In het echt blijven ze me op de hielen zitten. Rennen is zinloos. Wolven zijn sneller dan een mens. Misschien moet ik in een boom klimmen. Laten ze me desnoods omsingelen. Ik zie het tafereel voor me: zeven, acht wolven in een kring om de boom waarin ik gevlucht ben. Wie houdt het langste vol?
Nee, het gaat om actie, anders wordt de film saai. Ik strompel voort. Hoe het kan, weet ik niet, maar ik ben ook de ceintuur van mijn ochtendjas verloren. Het is onmogelijk om tegelijk peper te strooien, in beweging te blijven en mijn ochtendjas dicht te houden.
'Lose the gown,' zegt Bruce Willis, de pijn verbijtend.
Nu ben ik een naakte man met een bijna lege peperbus. Rillingen razen door mijn lijf. Rennen, ik moet rennen. Dan krijg ik het misschien weer warm. Alsjeblieft, laat dit een droom zijn, laat me wakker worden op mijn gewone stoel in de derde rij van de bioscoop.
Ik hol, ik struikel en sla over de kop. Maar ik blijf met mijn benen malen, terwijl ik sneeuw doe opwolken. Ergens daar beneden is de bewoonde wereld, waar Katja gewoon bestaat. Laat het niet waar zijn, ik hoor hijgen, pal achter me. Ik kijk om. Recht in het huig van een wolf. Hij hapt toe en ik hoor zijn kaken op elkaar klappen. Het is niet de enige. Links van me doorkruist een zwarte schim het beeld tussen een paar bomen door. Ze omsingelen me. Plotseling zwenk ik naar rechts. De wolven lijken verrast.
'Yes!' denk ik, maar dan ontdek ik dat ik op een rotsblok terecht ben gekomen. Ik kan geen kant uit behalve naar beneden. Het ziet er diep uit zonder bril, met waarschijnlijk ook. Binnen een paar seconden hebben zich vijf, nee, zes wolven aan mijn voeten verzameld. Twee of drie zetten het op een huilen, bij alle beesten druipt het kwijl uit de bek.
'Af!' roep ik, 'koest!'
Ik mik op wat ik denk dat de alfawolf is met de lege peperbus, maar ik mis. De beesten ontbloten grommend hun gebit. Ready for the kill. Ik moet wel. Met een schreeuw stort ik me in het zwarte gat. Zeker anderhalve tel zweef ik, terwijl de wind om mijn oren huilt. Een klap. Eindeloos rol ik tot ik ergens tot stilstand kom. Sneeuw in mijn mond, mijn neus en mijn oren. Even doet alles zeer, maar ik heb niets gebroken, geloof ik. Het is een hek, zie ik nu, dat mijn val gebroken heeft. Zeker drie meter hoog en stevig. De gaten zijn te klein. Bovendien lopen er boven, als in een waaier, twee rijen prikkeldraad. Alleen een circusartiest komt hier overheen. Het blaffen wordt luider. Daar zijn de wolven en het zijn er meer geworden. Ergens dichtbij slaat de bliksem in. Als de donderslag volgt, trilt de grond en mijn oren suizen. De wolven schrikken ook. Ze zakken een fractie lang door de knieën en zwenken hun koppen als op commando naar achteren. God grijpt in, denk ik. Hij heeft het al eens gedaan, op een dak in Rome en misschien al eerder. Wat als ik Abels mijn Amazon niet had uitgeleend? Van alle kanten sterft de echo van de donderslag uit als de wolven zich hun honger herinneren. Ze beginnen zo laag te grommen dat ik het in mijn buik voel, hun tanden lichten op in het donker.
Ik sta kreunend op en spreid mijn armen en benen als een gekruisigde tegen het metalen vlechtwerk. Weer slaat de bliksem vlakbij in. De ogen van de wolven, hun gebitten, alles is gillend wit. De donderslag smoort het geluid van kaken die op elkaar klappen.
'Cut,' denk ik, 'cut!'

©Ep Meijer 2008

(Dit is een fragment uit mijn volgende thriller.)

dinsdag, april 22, 2008

Zeekoeien neuk je niet en champagne drink je koud

Is het mogelijk verliefd te worden op een stem? Hij kent op zijn minst één film waarin dat gebeurt, een Duitse film, ver uit de vorige eeuw, in zwartwit zelfs nog, hij is de titel vergeten. Een graaf valt als een blok voor de stem van een zangeres op een grammofoonplaat en jaagt het hele familiekapitaal erdoor om haar te zoeken. Als hij de zangeres eindelijk gevonden heeft, blijkt ze inderdaad beeldschoon, maar natuurlijk is ze een kreng en wil ze niets van de graaf weten. Zou er een hersenkwab bestaan die gevoelig is voor timbre? Geuren, die spelen een bewezen rol als lokstof, maar geluid? In ieder geval weet hij sinds vijf minuten dat het tegendeel van verliefdheid ook kan optreden bij het horen van een stem. Die van Sara lijkt op een cirkelzaag.

Hij kent Sara via gezellie, een gratis dating site. Hoewel hij haar in de chatbox op het hart heeft gedrukt dat hij absoluut geen amoureuze bedoelingen koestert, was ze niet te houden. Ze wilde persé een blind date en ze zou hem mee uit eten nemen. Dat trok hem over de streep. Eens wat anders dan noedelsoep. Hij had met haar afgesproken dat ze hem moest bellen als ze bij de afslag Ruislo was. Dan kon hij alvast naar de parkeerplaats lopen waarheen hij haar gedirigeerd had. Inmiddels is hij onderweg en kan hij duizend dingen verzinnen die hij liever zou doen. Hij kijkt omhoog. De contouren van de gevels happen gaten in een oneindige rijstebrij. Er zal vermoedelijk geen hulp van boven komen.

Hij is net op tijd bij de parkeerplaats om te zien dat de Japanse auto waarin ze rijdt, een beetje scheef hangt. Hij hoopt nog dat het de vering is, maar dan stapt ze uit en komt ze op hem af waggelen, wat ongetwijfeld seismografen tot in de verre omgeving op tilt doet slaan. O my God, denkt hij. Op haar profiel op gezellie staat dat ze een normaal postuur heeft. Als dit normaal is, was Hitler een overtuigde pacifist. De hielen lichten moet hij. En wel onmiddellijk. Maar dat kan hij niet maken. Ze is helemaal voor hem uit de provincie Krenthe gekomen.

‘Geloof jij in liefde op het eerste gezicht?’ vraagt hij als ze net plaats hebben genomen hebben in het restaurant.
Bliksemsnel legt ze haar linkerhand op zijn rechter. Haar vingers lijken op worstjes. Ze komt met haar gezicht dichterbij en kijkt hem doordringend aan. Zelfs aan haar ogen kan hij niets moois ontdekken.
‘Oh ja!’ zaagt haar stem.
Alsof er een ratelslang in het spel is, zo fluks trekt hij zijn hand terug.
‘Sorry,’ mompelt hij, ‘even een sjekkie draaien.’
Terwijl hij de daad bij het woord voegt, schuift hij zijn stoel steels stukjes van haar vandaan. Hij steekt de sigaret aan en gaat zover mogelijk achterover zitten.
‘Liefde op het eerste gezicht is een mythe,’ liegt hij, rook uitblazend. ‘Je kunt alleen spreken van aantrekkingskracht. Met heel veel geluk is die aantrekkingskracht wederzijds. In de praktijk schijnt op ieder potje een dekseltje te passen, maar dat moet ik in mijn geval nog zien gebeuren, want ik ben verschrikkelijk kritisch.’
Sara schuift haar stoel dichterbij en kijkt nog steeds naar hem alsof ze ieder moment een huwelijksaanzoek verwacht.
‘Met andere woorden,’ vervolgt hij, ‘ik ben schuldig. Ja, ik let op uiterlijkheden. Volgens mij is het lichaam namelijk de spiegel van iemands ziel.’
Sara’s blik blijft schaapachtig.
‘Op mijn profiel op gezelli staat heel duidelijk te lezen waaraan mijn ideale vrouw moet voldoen. Sprankelend, slim en slank.’
De laatste vier woorden heeft hij met gevoel voor drama uitgesproken, met net iets meer stilte tussendoor en met de nadruk op ‘slank’. Hoewel ze in alledrie categorieën een vette onvoldoende scoort, vertoont Sara’s gezicht geen enkele emotie.
Eindelijk verschijnt de serveerster om te vragen wat ze willen drinken. Zij een advocaat met slagroom, hij een biertje graag. De niet onaanzienlijke billen van de serveerster zouden een keer of vijf in die van Sara passen, schat hij zo. Wie niet horen wil, die moet maar voelen. Hij heeft het lef om haar recht aan te kijken, want het gaat om de liefde.
‘Beste Sara,’ verzucht hij, ‘het gaat niets worden tussen ons.’
Sara’s gezicht plooit zich tot een vage glimlach. ‘Hoezo dan niet?’ vraagt ze.
Hij haalt de schouders op om tijd te winnen. De ware verhoudt zich niet tot advocaat met slagroom, denkt hij. Hoe zeg je zoiets op een aardige manier? ‘Gewoon,’ antwoordt hij, ‘ik voel geen chemie.’
‘Ik wel,’ zegt Sara terwijl ze haar ogen net iets verder open doet. Heel even raast er een diepvriestrein door zijn ruggengraat.
‘Het zal toch op zijn minst wederzijds moeten zijn, denk je niet?’
‘Wat niet is, kan nog komen,’ stelt Sara, ‘liefde is iets dat moet groeien.’
‘Zonder voedingsbodem?’ lacht hij, want het moet vooral een grapje lijken als je de waarheid zegt. Dit is zielig, denkt hij dan. Eens een ridder, altijd een ridder. Een Bomelprijswinnaar heeft eens gezegd dat medelijden de hoogste vorm van liefde is. Hij pakt Sara’s hand. ‘Maar ik vind het wel hartstikke gezellig dat je helemaal voor mij uit Mekkel gekomen bent.’

Hij heeft alles geprobeerd, maar daar zit ze nog steeds, tegenover hem op zijn sleetse tweezitsbank: Sara, de anti-ware. Hij vond het zo lullig om haar direct na het eten helemaal terug naar Krenthe te sturen. Bijna 200 kilometer rijden. Daarom mocht ze voor een kopje koffie mee naar zijn slagzij makende zolderetage. Hij is blijven herhalen dat ze niet lang kan blijven, omdat hij vroeg naar bed moet. Maar Sara heeft de moed blijkbaar nog steeds niet opgegeven. Af en toe staat ze op, niet zoals hij vurig hoopt, om haar jas te pakken, maar om met een hand achterin een broek te verdwijnen die veel weg heeft van een tent. Dan wordt er iets omhoog gehesen. Haar string, Godbetert? Het is zulk zwaar werk dat ze erbij puft. In haar gezicht ontstaan voren die de kanalen op Mars naar de kroon steken. Als ze weer gaat zitten, duurt het een paar seconden tot de naschokken verstomd zijn.
‘Ga je me de slaapkamer niet laten zien, hihi?’ giechelt ze.
‘Nee, die is gereserveerd voor de ware.’
‘Ik heb een joint meegenomen,’ zegt ze, ‘zullen we die oproken? Misschien krijg je dan wel zin om me rond te leiden, hihi.’
Daar zegt hij geen nee tegen, behalve tegen die rondleiding dan.
‘Oh!’ roept Sara na twee trekjes amechtig uit, ‘ik ben zo stoned, ik geloof niet dat ik nog kan rijden.’
‘Dat zal toch echt moeten,’ reageert hij kortaf en neemt nog een hijs.

Zwijgen, denkt hij, ik moet zwijgen. Als hij haar negeert, snapt ze misschien eindelijk dat hij onder geen beding met haar tussen de lakens wil belanden. ‘Als er maar een gat in zit,’ zeggen mannen onder elkaar dan, ‘en anders leg je toch een handdoek over het hoofd?’ Zo wanhopig is hij niet. Bovendien valt Sara in de categorie die mannen onder elkaar met ‘honderd pond zout en nog geen dorst’ betitelen. Hij ziet voor zich hoe hij haar vulva moet zoeken tussen al die speklagen. De Odyssee is er niets bij. Walgelijk trouwens om jezelf op een presenteerblaadje aan te bieden, zoals Sara dat doet. Liefde, ware liefde heeft veel meer om het lijf dan jeuk in het onderlichaam. Even krabben, klaar. Ware liefde is iets heiligs.
‘Ik heb in de auto nog een fles champagne liggen,’ steunt ze, nadat ze nogmaals achterin haar broek heeft gegraaid. ‘Zullen we die samen soldaat maken?’
‘Champagne drink je koud,’ antwoordt hij koeltjes.
‘Dan leggen we de fles toch even in de vriezer?’ suggereert ze.
Hij mag onder invloed van geestverruimende middelen zijn, maar er bestaan grenzen.
‘Nee,’ zegt hij kil. ‘Nogmaals, ik moet morgen vroeg op. Kom, ik breng je even naar de auto.’

De klokken van de kathedraal kondigen net de volgende dag aan. Het is opgeklaard. Op het parkeerterrein kijken miljarden sterren op hen neer als hij met neutrale zoenen op haar wang afscheid wil nemen. Niets wat zich hier op aarde afspeelt heeft ook maar enige betekenis, realiseert hij zich. Maar Sara grijpt zijn hoofd en drukt haar lippen op de zijne, die hij stijf gesloten houdt. Zij omhelst hem en drukt zijn lijf in het hare. Hij is stoned. Een moment lang lijkt het alsof hij van heel hoog uit een vliegtuig gesprongen is, zonder parachute. Nu wordt zijn val gebroken door een gigantisch matras. Er komt geen einde aan. Hij zwemt in vet, het heeft geen zin zijn ledematen te bewegen, want hij komt er voor- noch achteruit mee. Intussen krijgt hij geen lucht. Sara heeft hem gevangen en zuigt hem als een bidsprinkhaan helemaal leeg.
‘Dit is voor herhaling vatbaar,’ komt uit zijn mond wanneer hij zich met de laatste krachten los heeft weten te worstelen. ‘Plop!’ zegt het, zoals wanneer je een beugelfles van Krolsch ontkurkt, maar dat komt waarschijnlijk door de wiet. ‘De volgende keer kom ik naar Mekkel en dan trakteer ik,’ komt uit zijn mond. Vuige leugens, maar ze sorteren effect. Sara vertrekt. De Heere zij geprezen. Arm asfalt, denkt hij en wuift de scheefhangende Missan heel hypocriet na tot die uit het zicht verdwenen is. De uitlaatgassen hangen als een omgekeerd vraagteken aan de bumper.

maandag, januari 14, 2008

Blijmegenaar vestigt wereldrecord!

‘Vandaag is in Blijmegen het ongelooflijke gebeurd: het wereldrecord verliefdheid is verbeterd. Onze verslaggever was erbij toen de nieuwe kampioen de bijbehorende versierselen, een lauwerkrans alsmede een verguld stuk boomschors met pijl-door-hartvormige incisie, van de hand van plaatsgenoot en part-time beeldend kunstenaar Waltraut van Wolzooij, in ontvangst mocht nemen. Natuurlijk stelde hij de vraag die je een topsporter altijd stelt. En natuurlijk antwoordde de kersverse wereldrecordhouder in de jij-vorm, zoals het een rechtgeaarde topsporter betaamt.’

‘Egbert, wat gaat er door je heen?’
‘Dat zo’n lauwerkrans jeukt aan je nek.’
‘Serieus?’
‘Ja, duh. Wat er door je heen gaat? Zij! Je kunt de hele dag aan niets anders denken dan aan haar. Zij is het mooiste dat ooit bestaan heeft. Als je nu begint heb je nog minstens 956 jaar nodig om haar schoonheid te bezingen. Zij is het soort vrouw waarvoor je een oorlog begint. Je staat met haar op en je gaat met haar naar bed. Figuurlijk gesproken dan, hè? Want ze is er niet echt. Dat is het hem nou juist. Je hoeft de radio maar aan te zetten. Ja, hoor. Een liedje met het refrein ‘You are always on my mind.’ Het is om gek van te worden. Ze zit in je hoofd en ze gaat er niet meer uit. Maar ja, dan zet je door, hè. Daar ben je topsporter voor. Hier heb je heel je leven lang voor getraind. Om door die zoete pijn heen te gaan.’
‘Is dat de reden dat je helemaal niet blij kijkt?’
‘Inderdaad. Het is wel zoet, maar het blijft pijn. Het is iedere dag weer afzien. Het wordt erger naarmate je langer niets hoort. Een week duurt de radiostilte nu al. Je krijgt er hoofdpijn en hartkloppingen van. En maar denken dat je iets verkeerds geschreven hebt. Dat ze daarom niet terug mailt. Je wordt er zo onzeker van, maar je gaat door. Dan had je maar een vak moeten leren. Iemand moet dit namens de mensheid doen.’
‘Wat denk je, zal dit record ooit sneuvelen?’
‘Lijkt me stug, maar als iemand het breekt, dan ben ik het. Morgen of zo.’
‘Succes!’
‘Dank je, ik kan het gebruiken.’

‘We zijn terug in de studio, waar we napraten met professor Wladimir Watenstof, vermaard ex-Kremlinoloog. Professor, wat moeten we nu hiervan denken?’
‘Een doidelijk geval von liebesziekte. Laat uns hopen dat zij elkaar aan het ainde kraigen.’
‘Mooie woorden, professor. Over naar het weer. Edwin, blijft het zo onstuimig?’

(Uit: Liefde is een ziekte)

donderdag, januari 10, 2008

Fragment uit 'Liefde is een ziekte'

Lieve X,

Geloof je in toeval? Vanavond ging het op tv onder andere om een deeltjesversneller. 27 kilometer lang is het ding, er gaan miljarden Euro’s aan belastinggeld in om en waarvoor? Om het bestaan van een deeltje aan te tonen dat materie gewicht geeft. Volgens de theorie moet het deeltje er zijn, maar niemand heeft het ooit gezien.

Zo bestaat er wel meer waar we nu nog geen weet van hebben. Als ik jou honderd jaar geleden verteld had dat we vandaag de dag via doosjes communiceren, zou je naar je voorhoofd hebben gewezen. Nog langer geleden werd Galileï voor gek verklaard toen hij bewees dat de aarde om de zon draaide in plaats van andersom. Wat ik bedoel is dat bepaalde inzichten tijd kosten. De waarheid bevindt zich misschien pal onder onze ogen, maar waarschijnlijk duurt het nog een paar eeuwen om te bewijzen dat er verbindingen bestaan die het oog niet kan waarnemen.

Er bestaat een schaal voor verliefdheid, wist je dat? Hij werkt net zo als de schaal van Richter. Een aardbeving met een kracht van 3 is drie keer zo zwaar als een aardbeving met de kracht van 2. Zo is het ook met verliefdheid. Om eerlijk te zijn ben ik de ware tweemaal eerder tegen het lijf gelopen. Toch scoorden beide dames achteraf beschouwd niet hoger dan een 6. Driemaal is scheepsrecht. Jij deed een 8, met uitschieters naar 9. Tot op heden kan ik dat gevoel niet vergeten. Het is bijna magisch.

Vanavond heb ik, zittend op mijn favoriete stek, de trap naar de tuin om precies te zijn, een sigaret gerookt en naar de sterren gekeken. De hemel boven Blijmegen was helder. Heel duidelijk waren ettelijke sterrenbeelden te zien. Als jij naast me had gezeten, had ik je op Cassiopeia gewezen, een ster driehonderd keer groter dan onze zon. Ik had een denkbeeldige lijn getrokken van het sterrenbeeld Pegasus in de richting tien over half tien. Ergens blonk er iets opvallend helder. ‘Kijk,’ zou ik je hebben verteld, ‘je ziet een felle lichtstip. Dus je denkt dat het een ster is. Maar in werkelijkheid is het een melkwegstelsel. Dat ene stipje zijn miljarden sterren, meer dan er zandkorrels zijn op alle stranden en in alle woestijnen van onze aarde.’

Je bent nergens. Ik kan het je niet vertellen. En ook weer wel. Plotseling begrijp ik het. Alles is het resultaat van de Big Bang. We zijn sterrenstof. Miljarden jaren geleden heeft er een gigantische explosie plaats gevonden. Wat ooit één was, is in triljarden en nog eens triljarden stukjes uiteen gereten. Jij en ik herkennen elkaar op moleculair niveau. We hebben in den beginne aan elkaar vastgezeten, zoiets moet het zijn. Anders kan ik de heftigheid van mijn verliefdheid niet verklaren. Het is een wonder, niet eens alleen op statistisch gebied.

Intussen heb ik al vijf dagen niets van je gehoord.

Zucht.

Egbert

dinsdag, maart 27, 2007

Fragment uit 'De Vlucht'

De bocht snijd ik precies zo aan in als ik van plan was. Het lijkt een achtbaanrit, maar dan zonder veiligheidsbeugel. Soms scheert mijn linkerschouder rakelings langs puntige stenen en scheiden me centimeters van een wisse dood in de afgrond. 90 op de teller. Niemand durft deze lijn te volgen.

Op driekwart van de bocht, ongeveer op het punt waar ik vrij scherp moet insturen en met mijn linkerknie bijna het asfalt ga raken, spuit een rots een bruisende baard van water. Op het wegdek zijn er schaapjeswolken gespiegeld, zie ik in een flits. Aquaplaning!

Van schrik tip ik de rem aan. Voor, heel zachtjes. Ik voel hoe het voorwiel begint te slippen, stuur nog lichtjes tegen, maar dat maakt het alleen maar erger. De volgende tel stuiter ik, nog half verstrengeld met de fiets, over het asfalt, dat uit razende strepen bestaat. Het lullige betonnen randje komt erg snel dichterbij en ik ben er al overheen. De fiets zie ik een meter of 80 dieper in losse onderdelen eindigen, mijn val wordt gebroken door de takken van een dennenboom, die me dan haast voorzichtig op een hellend stukje met mos neervlijen.

Ik heb een blauwe heup, zie ik dankzij de beschadigde koersbroek, een paar flinke japen op mijn armen en benen en schrammen in het gezicht, zo te voelen. Niets gebroken, geluk gehad. Ik klauter naar boven, geef een schop tegen het betonnen randje en vloek in het microfoontje om een fiets. Er lijken minuten voorbij te gaan. Ieder moment verwacht ik de achtervolgers om de bocht op te zien duiken. Gelukkig, daar komt Jelle aangereden, de assistentploegleider. Hij stapt bezorgd uit.
‘Wat sta je daar nou?!’ schreeuw ik, bloedend als een rund. ‘Geef me een fiets, verdomme!’

donderdag, december 07, 2006

Fragment uit 'Alles Nu'

Geheel in tegenstelling tot mijn gewoonte zet ik de champagnefles zo aan de lippen. Ik hoor uit een glas te drinken. Niet zomaar een glas: een hoog, vliesdun, licht taps toelopend kristallen exemplaar, zodat zowel smaakpapillen als neus optimaal aan hun trekken komen. Mensen die vloeistof, welke dan ook, rechtstreeks uit een fles tot zich nemen, behoren tot een andere soort. Ze missen beschaving, omdat ze niet willen inzien dat je er meer van geniet als je wijn, whisky of cognac uit het juiste glas drinkt. Toch sta ik hier in mijn blote kont, ongeschoren, lurkend aan een dikke flessenhals, naar buiten te staren. Aan mijn voeten staan meest gele Dinky Toys elkaar te verdringen. Voor mij strekt zich Central Park in herfsttooi uit. Rood, bruin en allerlei tinten daartussen. Wolken grazen als reuzenschapen op de horizon. De wereld is zo’n legpuzzel, een triljard en nog wat stukjes.

Als ik me omdraai, wat ik nog niet doe, zal ik een slapende naakte vrouw zien. Zij en ik hebben de tijd teruggedraaid, het nu uitgemolken, ontrafeld en verlengd. Het was een hele heksentoer, maar het is weer ochtend, onbelangrijk van welke dag. Die naakte vrouw, wier vader ik met gemak zou kunnen zijn, weet iets wat ik niet weet. Dat heeft me hier gebracht. Het congres was slechts de aanleiding en is waarschijnlijk door hogere machten in scène gezet opdat ik dit zou meemaken. Dat is natuurlijk niet zo, maar een moment lang ben ik ervan overtuigd, hetgeen precies is wat Nathalie met me heeft gedaan.

Slaap ik, ben ik wakker? Via haar ogen vloei ik in haar over. Mijn lichaam glipt in het hare. We zijn één. Ik zuig haar longen vol, zij de mijne. ‘Alles nu,’ fluister ik met haar stem. Ze knikt met mijn hoofd.

Ik adem een halo tegen het glas. Een vliegtuig doorkruist het beeld diagonaal. Een ander daalt juist. Zo staat er een kruis van condens aan de hemel boven Central Park. Met een wijsvinger trek ik de lijnen na, zodat ik ze heb geschreven.