Mijn jongste zoon is over de vloer. Het weerbericht belooft de hele middag regen, dus dat wordt binnen zitten. Ik wil niet dat we alleen maar tijd voor een beeldscherm doorbrengen. Hoe dan ook heb ik zin om hem te verwennen. Dus gaat het met Bart op mijn nek en daar weer boven een paraplu door winkelstraten vol plassen naar de Intertoys.
Bart en ik scoren een Transformer, een vechtmachine die in iets anders kan veranderen, in dit geval een stoomlocomotief. Op de verpakking staat een gebruiksaanwijzing die qua onbegrijpelijkheid wedijvert met die waarmee Ikea zijn klanten het bos in stuurt. Als kind heb ik jarenlang met Lego en Meccano gespeeld. Ook zonder instructies moet ik deze klus kunnen rooien. Nee dus. De armen van de vechtmachine bestaan uit zoveel ledematen en zijn op zoveel manieren te knikken, te buigen en te draaien dat ik de weg kwijt raak. Bart geeft het echter niet op. Na tal van pogingen vouwt hij een arm op zo’n manier dat ik denk dat die wel eens zou kunnen passen.
En inderdaad, de vechtmachine wordt een stoomlocomotief. Niets herinnert aan zijn vorige bestaan. Ik ben onder de indruk van het vernuft van de Japanners die dit speelgoed hebben bedacht.
‘Goh Bart,’ zeg ik, ‘we hadden toch een robot gekocht? Dit lijkt me eerder een locomotief.’
Met een grijns klapt mijn jongste zoon de schoorsteen weg en tovert de kop van de vechtmachine tevoorschijn. Ik doe net alsof ik heel erg schrik.
Wat later zitten we te computeren. Bart is pas vier. Het is niet dat hij kan lezen, maar sommige woorden herkent hij feilloos. ‘Play,’ bijvoorbeeld, ‘try again’ of ‘continue’. Dat zijn de iconen waarop hij geleerd heeft te klikken, al de uren dat hij over de schouder van zijn oudere broer Sietse heeft meegekeken.
Nu kijk ik over Barts schouder mee en tot mijn verbazing verplaatst hij de cursor van ‘play’ naar ‘download’.
‘Nee!’ roep ik nog, maar mijn jongste zoon heeft al geklikt.
Bart schrikt van het volume van mijn stem, slaat de armen over elkaar en verklaart met gevoel voor drama dat hij mij nooit meer lief zal vinden.
‘Ik ben helemaal niet boos,’ zeg ik en probeer het met een knuffel. Bart heeft het even helemaal met me gehad. Ik kondig aan dat ik me met het eten ga bezig houden, terwijl hij mag afkoelen. ‘Nee betekent nee,’ geef ik hem mee.
Nog geen twee minuten later meldt meneer zich in de keuken. Hij laat me de Transformer zien.
‘Denk jij,’ vraagt Bart parmantig, ‘dat dit een mocolotief is?’
woensdag, februari 28, 2007
dinsdag, februari 27, 2007
Losse eindjes
Uit het geopende luik zie ik twee mannen tevoorschijn komen. Heftig gesticulerend gaan ze een discussie aan. Ze praten het pidgintaaltje dat ik nog uit de taxi ken: Marokkaans vergeven van Nederlandse krachttermen en stopwoordjes.
‘Ik zeg je toch, man,’ versta ik en ‘verdomme’.
Waar hebben ze het over en vooral, hoe lang gaat dit nog duren? Ik voel mijn tenen niet meer en mijn spijkerbroek is doorweekt. Straks loop ik nog een longontsteking op.
‘Chillen, man!’
Er flikkert iets. Het lemmet van een mes! De man met het wapen klinkt ineens resoluut. De man zonder maakt bezwerende gebaren en werpt zich op de knieën.
‘Sorry man,’ zegt de ene met het mes en pakt de ander bij de haren met zijn vrije linkerhand.
Wacht even, denk ik en knijp de ogen dicht. Ik sta op het punt om getuige te zijn van een executie. In een flits schieten de varianten voorbij. Ik kan de held spelen, tevoorschijn springen en de handeling stilzetten, maar dan? Ik heb geen mes, die ene wel. Als ik niets doe en gewoon blijf kijken, zal ik me verplicht voelen om het misdrijf bij de politie te melden. Ik heb geen zin in de formaliteiten die dan volgen. Of wacht, ik weet iets beters. Ik slaak gewoon een kreet, breng ze zo in verwarring en kies dan het hazenpad. Ik visualiseer wat me te doen staat. De route naar mijn fiets, voldoende voorsprong zien te houden om hem van het slot te halen, kalm blijven, gewoon de sleutel erin en een kwartslag naar rechts. Oké, denk ik, zo gaan we het doen.
De man op de knieën jammert er de hele Koran bij. Misschien is het trouwens wel een gebed. Ik zie hoe de man met het mes zijn rug recht. Hij staat op het punt om de ander de keel door te snijden. Nu! Ik zuig juist mijn longen vol als de grond begint te dreunen. Er stuift een Intercity voorbij. Alledrie schrikken we ervan, maar de man op de knieën reageert het snelste en maakt zich uit de voeten.
‘Mister Browne!’ roept de man met het mes hem na, ‘je bent dood, man!’
Dan haalt hij de schouders op en verdwijnt weer ondergronds.
‘Phew,’ komt vanzelf uit mijn longen. Wat dit ook voorstelt, het heeft geen gevolgen voor mij, tenminste, dat denk ik.
Als een verzopen kat bestijg ik een half uur later de trappen naar mijn slagzij makende zolderetage, terwijl de geur van parfum me tegemoet golft. Vreemd, bedenk ik me, zonder water of enige andere zorg is de geheimzinnige plant weer tot leven gekomen. Wat staat me nog te wachten?
‘Ik zeg je toch, man,’ versta ik en ‘verdomme’.
Waar hebben ze het over en vooral, hoe lang gaat dit nog duren? Ik voel mijn tenen niet meer en mijn spijkerbroek is doorweekt. Straks loop ik nog een longontsteking op.
‘Chillen, man!’
Er flikkert iets. Het lemmet van een mes! De man met het wapen klinkt ineens resoluut. De man zonder maakt bezwerende gebaren en werpt zich op de knieën.
‘Sorry man,’ zegt de ene met het mes en pakt de ander bij de haren met zijn vrije linkerhand.
Wacht even, denk ik en knijp de ogen dicht. Ik sta op het punt om getuige te zijn van een executie. In een flits schieten de varianten voorbij. Ik kan de held spelen, tevoorschijn springen en de handeling stilzetten, maar dan? Ik heb geen mes, die ene wel. Als ik niets doe en gewoon blijf kijken, zal ik me verplicht voelen om het misdrijf bij de politie te melden. Ik heb geen zin in de formaliteiten die dan volgen. Of wacht, ik weet iets beters. Ik slaak gewoon een kreet, breng ze zo in verwarring en kies dan het hazenpad. Ik visualiseer wat me te doen staat. De route naar mijn fiets, voldoende voorsprong zien te houden om hem van het slot te halen, kalm blijven, gewoon de sleutel erin en een kwartslag naar rechts. Oké, denk ik, zo gaan we het doen.
De man op de knieën jammert er de hele Koran bij. Misschien is het trouwens wel een gebed. Ik zie hoe de man met het mes zijn rug recht. Hij staat op het punt om de ander de keel door te snijden. Nu! Ik zuig juist mijn longen vol als de grond begint te dreunen. Er stuift een Intercity voorbij. Alledrie schrikken we ervan, maar de man op de knieën reageert het snelste en maakt zich uit de voeten.
‘Mister Browne!’ roept de man met het mes hem na, ‘je bent dood, man!’
Dan haalt hij de schouders op en verdwijnt weer ondergronds.
‘Phew,’ komt vanzelf uit mijn longen. Wat dit ook voorstelt, het heeft geen gevolgen voor mij, tenminste, dat denk ik.
Als een verzopen kat bestijg ik een half uur later de trappen naar mijn slagzij makende zolderetage, terwijl de geur van parfum me tegemoet golft. Vreemd, bedenk ik me, zonder water of enige andere zorg is de geheimzinnige plant weer tot leven gekomen. Wat staat me nog te wachten?
maandag, februari 26, 2007
Mevrouw Esders
Aan dingen die moeten heb ik altijd al een broertje dood gehad. Vijftien was ik en ik moest een werkstuk over Saoedi-Arabië schrijven. Dat bleef ik echter maar uitstellen. Zo werd ik door mijn vader opgesloten op zolder en mocht ik er pas weer af komen als het werkstuk af was.
Op zolder was er niets te beleven. Dat werkstuk kwam dus af. Daar werd ik zo overmoedig van dat ik er een dankwoord aan toevoegde. Ik bedankte zo ongeveer iedereen die er te bedanken viel, van vader Abraham tot en met Zeus. Speciale dank was ik Billeke van Zwammelrooij verschuldigd en tal van andere dames die me zogenaamd van het werk hadden gehouden. ‘Mevrouw Esders’, schreef ik tot slot, ‘onze klassenlerares, tevens docent aardrijkskunde en daarmee in strikte zin de opdrachtgeefster van dit werkstuk, behoort als ongetrouwde zuurpruim op middelbare leeftijd duidelijk niet tot de categorie van vrouwen die in staat moet worden geacht een man in fysieke zin af te leiden. Toch ben ik, wat zeg ik, is de wereld haar erkentelijkheid verschuldigd. Zij immers is er, ondanks de vele lagen make-up waarmee zij het verstrijken van de tijd vergeefs tracht tegen te houden, verantwoordelijk voor dat het meesterwerk dat mijn werkstuk is, geboren kon worden.’
Het toeval wil dat ik dat jaar klassenvertegenwoordiger was en daar maakte ik op gepaste wijze een potje van. Het klassenboek stond vol met vunzige grappen en tekeningen over leraren. Soms schreef ik gewoon een verhaaltje op de pagina’s, waar eigenlijk de absenties genoteerd dienden te worden. Over een andere wereld, waar er geen school bestond.
Woest was mevrouw Esders, toen ze het klassenboek eens onder ogen kreeg.
‘Jij als klassenvertegenwoordiger,’ beet ze me toe, ‘hebt een plicht!’
Fragmenten van haar speeksel belandden op mijn wangen.
‘Dat mens spuugt me in het gezicht,’ riep ik uit, ‘hé, dat rijmt!’
Om me heen lag de klas dubbel van het lachen.
Met andere woorden, dat dankwoord was geen goed idee. Mevrouw Esders besloot het integraal voor te lezen. Mijn klasgenoten schaterden het uit en ik voelde me zo ongemakkelijk dat ik het liefst ter plekke in de aardbodem verzonken was.
Nu, pakweg 33 jaar later, zie ik pas echt in wat mevrouw Esders toen aan het doen was. Ik had haar met mijn puberale gedrag tot op het bot beledigd, als vrouw vooral, maar in tegenstelling tot wat ik al die tijd gedacht heb, was ze niet op wraak uit. Ze wilde me helemaal niet belachelijk maken, ze gaf mijn woorden juist de ruimte.
Alsnog bedankt, mevrouw Esders, ditmaal oprecht.
Op zolder was er niets te beleven. Dat werkstuk kwam dus af. Daar werd ik zo overmoedig van dat ik er een dankwoord aan toevoegde. Ik bedankte zo ongeveer iedereen die er te bedanken viel, van vader Abraham tot en met Zeus. Speciale dank was ik Billeke van Zwammelrooij verschuldigd en tal van andere dames die me zogenaamd van het werk hadden gehouden. ‘Mevrouw Esders’, schreef ik tot slot, ‘onze klassenlerares, tevens docent aardrijkskunde en daarmee in strikte zin de opdrachtgeefster van dit werkstuk, behoort als ongetrouwde zuurpruim op middelbare leeftijd duidelijk niet tot de categorie van vrouwen die in staat moet worden geacht een man in fysieke zin af te leiden. Toch ben ik, wat zeg ik, is de wereld haar erkentelijkheid verschuldigd. Zij immers is er, ondanks de vele lagen make-up waarmee zij het verstrijken van de tijd vergeefs tracht tegen te houden, verantwoordelijk voor dat het meesterwerk dat mijn werkstuk is, geboren kon worden.’
Het toeval wil dat ik dat jaar klassenvertegenwoordiger was en daar maakte ik op gepaste wijze een potje van. Het klassenboek stond vol met vunzige grappen en tekeningen over leraren. Soms schreef ik gewoon een verhaaltje op de pagina’s, waar eigenlijk de absenties genoteerd dienden te worden. Over een andere wereld, waar er geen school bestond.
Woest was mevrouw Esders, toen ze het klassenboek eens onder ogen kreeg.
‘Jij als klassenvertegenwoordiger,’ beet ze me toe, ‘hebt een plicht!’
Fragmenten van haar speeksel belandden op mijn wangen.
‘Dat mens spuugt me in het gezicht,’ riep ik uit, ‘hé, dat rijmt!’
Om me heen lag de klas dubbel van het lachen.
Met andere woorden, dat dankwoord was geen goed idee. Mevrouw Esders besloot het integraal voor te lezen. Mijn klasgenoten schaterden het uit en ik voelde me zo ongemakkelijk dat ik het liefst ter plekke in de aardbodem verzonken was.
Nu, pakweg 33 jaar later, zie ik pas echt in wat mevrouw Esders toen aan het doen was. Ik had haar met mijn puberale gedrag tot op het bot beledigd, als vrouw vooral, maar in tegenstelling tot wat ik al die tijd gedacht heb, was ze niet op wraak uit. Ze wilde me helemaal niet belachelijk maken, ze gaf mijn woorden juist de ruimte.
Alsnog bedankt, mevrouw Esders, ditmaal oprecht.
zondag, februari 25, 2007
Open brief aan Geert Wilders
Beste Geert,
Logisch dat je uit Venlo weg wilde, maar om het nou zo bont te maken? Partij Voor de Vrijheid heet je politieke vehikel. Mooie vrijheid. Als het aan jou ligt, mag ik niet eens een hoofddoekje dragen als ik dat wil.
Laten we wel wezen, jouw ‘gedachtegoed’ en vrijheid verhouden zich als een pik tot slagroom. In werkelijkheid heb je het gewoon op fundamentalisme voorzien. Ook niet mijn liefhebberij, maar ja, in onze grondwet ligt het recht om je eigen godsdienst te kiezen nu eenmaal verankerd. Van dat recht wordt al sinds het bestaan van de grondwet dankbaar gebruik gemaakt in dit land. En wel door de zogenaamde gereformeerden. Volgens Wikipedia bestaan ze in 857 smaken en ze terroriseren het leven vooral op het platteland boven de grote rivieren. Vorig jaar nog mocht een middelbare school in Amersfoort een leerling weigeren, omdat bij hem thuis een PC stond en diens zus wel eens in een spijkerbroek gesignaleerd was. Als je over de Veluwe rijdt en een invalide tegenkomt, is de kans groot dat het een polioslachtoffer is, omdat de ouders de zuigeling uit geloofsoverwegingen niet wilden laten inenten. Binnen kringen van de SGP wordt stemrecht voor vrouwen onder protest gedoogd, want die horen eigenlijk kinderen te baren en moeten verder niet zeuren. De islam is er niets bij.
Overigens Geert, vergis je niet in de dreiging van het Christenfundamentalisme. De aanhangers planten zich, bij gebrek aan tv en voorbehoedsmiddelen, voort als konijnen. Kijk in de Kamer maar eens goed om je heen. De refo’s zijn al jaren aan een gestage opmars bezig. Ze hebben nu zelfs al een minister van Defensie! De volgende keer pikken ze misschien Sociale Zaken mee en als jij, Geert Wilders, ze laat begaan, leveren ze over dertig jaar wellicht de minister-president.
Dus doe me een lol, Geert, kijk eens verder dan je neus lang is.
Hartelijks,
Ep
Logisch dat je uit Venlo weg wilde, maar om het nou zo bont te maken? Partij Voor de Vrijheid heet je politieke vehikel. Mooie vrijheid. Als het aan jou ligt, mag ik niet eens een hoofddoekje dragen als ik dat wil.
Laten we wel wezen, jouw ‘gedachtegoed’ en vrijheid verhouden zich als een pik tot slagroom. In werkelijkheid heb je het gewoon op fundamentalisme voorzien. Ook niet mijn liefhebberij, maar ja, in onze grondwet ligt het recht om je eigen godsdienst te kiezen nu eenmaal verankerd. Van dat recht wordt al sinds het bestaan van de grondwet dankbaar gebruik gemaakt in dit land. En wel door de zogenaamde gereformeerden. Volgens Wikipedia bestaan ze in 857 smaken en ze terroriseren het leven vooral op het platteland boven de grote rivieren. Vorig jaar nog mocht een middelbare school in Amersfoort een leerling weigeren, omdat bij hem thuis een PC stond en diens zus wel eens in een spijkerbroek gesignaleerd was. Als je over de Veluwe rijdt en een invalide tegenkomt, is de kans groot dat het een polioslachtoffer is, omdat de ouders de zuigeling uit geloofsoverwegingen niet wilden laten inenten. Binnen kringen van de SGP wordt stemrecht voor vrouwen onder protest gedoogd, want die horen eigenlijk kinderen te baren en moeten verder niet zeuren. De islam is er niets bij.
Overigens Geert, vergis je niet in de dreiging van het Christenfundamentalisme. De aanhangers planten zich, bij gebrek aan tv en voorbehoedsmiddelen, voort als konijnen. Kijk in de Kamer maar eens goed om je heen. De refo’s zijn al jaren aan een gestage opmars bezig. Ze hebben nu zelfs al een minister van Defensie! De volgende keer pikken ze misschien Sociale Zaken mee en als jij, Geert Wilders, ze laat begaan, leveren ze over dertig jaar wellicht de minister-president.
Dus doe me een lol, Geert, kijk eens verder dan je neus lang is.
Hartelijks,
Ep
vrijdag, februari 23, 2007
De nood van Osama Bin Laden
Wist u dat Osama Bin Laden vier vrouwen heeft? Ikzelf heb het in Frankrijk eens met drie tegelijk geprobeerd en gelooft u mij, behalve in bed was het geen pretje. Waarschijnlijk had ik het gewoon in de groep moeten gooien, zoals Bin dat ongetwijfeld heeft gedaan. Geen kunst, polygamie is normaal in sommige culturen. In mijn geval lag het wat ingewikkelder. De westerse samenleving schrijft de monogame relatie voor, opdat er ordelijk voortgeplant wordt en de handen uit de mouwen blijven. Dus wisten de drie Françaises niet van elkaars bestaan, voor hun eigen bestwil. In de praktijk kreeg het leven daardoor iets van schaken. Ik moest meerdere zetten vooruit denken, wilde ik niet als polygamist ontmaskerd worden.
Die zorg heeft Bin Laden alvast niet. Aan huisvesting heeft hij evenmin gebrek. Wel zal hij zijn vier vrouwen missen, dunkt me zo. Lijkt me stug dat hij ze heeft meegenomen naar zijn onderduikadres in Pakistan, want die sliert burka’s zou maar opvallen. Zou hij wel eens masturberen? En waar denkt Bin dan aan?
In slow motion zakken de twin towers, de peniskokers van de westerse samenleving, in elkaar.
Nee, dat lijkt me nu typisch een beeld dat synoniem is met impotentie. Trouwens, volgens de Koran is masturberen haram, verboden dus, al zijn er schriftgeleerden die in het geval van vrijgezelle mannen in nood een oogje toeknijpen. Islamina’s hebben kennelijk geen lustgevoelens en worden nergens genoemd, ja als meewerkend voorwerp, de akker namelijk waarin de man dient te zaaien. Maar goed, er zitten mazen in het net. Vrijgezelle mannen mogen in noodgevallen onaneren.
Bin Laden heeft duidelijk met zo’n noodgeval te kampen. Jarenlang lekker de akkertjes inzaaien en het dan ineens zonder zijn harem moeten stellen. Hij is in overtreding wanneer hij als getrouwde moslim zijn werkloze roede beroert. Dan namelijk eert hij zijn vrouwen niet. Maar dat is juist het punt: waar zijn ze? Technisch gesproken is onze vriend Bin Laden dus opnieuw vrijgezel en durf ik te wedden dat hij af en toe stiekem het plafond van zijn grot wit. Nogmaals, waar fantaseert hij dan over? Ik bedoel, van een vrouw in een burka krijg je hem niet omhoog, daar zijn die soepjurken voor bedacht. Zou het dan toch waar zijn wat ze over moslimmannen zeggen, ziet Osama Bin Laden al masturberend een kinderboerderij voor zich, met allemaal schattige geitjes?
Die zorg heeft Bin Laden alvast niet. Aan huisvesting heeft hij evenmin gebrek. Wel zal hij zijn vier vrouwen missen, dunkt me zo. Lijkt me stug dat hij ze heeft meegenomen naar zijn onderduikadres in Pakistan, want die sliert burka’s zou maar opvallen. Zou hij wel eens masturberen? En waar denkt Bin dan aan?
In slow motion zakken de twin towers, de peniskokers van de westerse samenleving, in elkaar.
Nee, dat lijkt me nu typisch een beeld dat synoniem is met impotentie. Trouwens, volgens de Koran is masturberen haram, verboden dus, al zijn er schriftgeleerden die in het geval van vrijgezelle mannen in nood een oogje toeknijpen. Islamina’s hebben kennelijk geen lustgevoelens en worden nergens genoemd, ja als meewerkend voorwerp, de akker namelijk waarin de man dient te zaaien. Maar goed, er zitten mazen in het net. Vrijgezelle mannen mogen in noodgevallen onaneren.
Bin Laden heeft duidelijk met zo’n noodgeval te kampen. Jarenlang lekker de akkertjes inzaaien en het dan ineens zonder zijn harem moeten stellen. Hij is in overtreding wanneer hij als getrouwde moslim zijn werkloze roede beroert. Dan namelijk eert hij zijn vrouwen niet. Maar dat is juist het punt: waar zijn ze? Technisch gesproken is onze vriend Bin Laden dus opnieuw vrijgezel en durf ik te wedden dat hij af en toe stiekem het plafond van zijn grot wit. Nogmaals, waar fantaseert hij dan over? Ik bedoel, van een vrouw in een burka krijg je hem niet omhoog, daar zijn die soepjurken voor bedacht. Zou het dan toch waar zijn wat ze over moslimmannen zeggen, ziet Osama Bin Laden al masturberend een kinderboerderij voor zich, met allemaal schattige geitjes?
donderdag, februari 22, 2007
Carnaval? Calvinisme!
Slierten serpentine slingeren op straat en voor de afwisseling liggen er glasscherven tussen de hondendrollen op de stoepen van Roermond. Bijna alle winkels zijn tot woensdag dicht, waardoor het maar zondag blijft. ’s Nachts trekken, naast hoerensloepen met de volumeknop op tien, dweilorkesten aan mijn slagzij makende zolderetage voorbij.
Het is maandagmiddag en ik sta met Sietse en Bart te wachten op de grote optocht. Uit balorigheid spreekt mijn oudste zoon verklede voorbijgangers aan.
‘Hallo soldaat,’ zegt hij tegen een man in een camouflage-uniform, ‘hoe is het in het leger?’
Sietse is acht, gaandeweg wordt hij overmoedig. Er nadert een vrouw in een gifgroene jurk, met een rood geschminkt gezicht en een even schreeuwend kapsel. ‘Halt,’ roept hij, ‘duivels komen er niet in!’
‘Wat zeg je?’ vraagt de vrouw in het Limburgs.
Mijn oudste zoon herhaalt het verbod.
‘Ich kan dich net verstjehen,’ bijt ze hem toe en werpt mij in het voorbijgaan een blik toe alsof ik blij mag zijn dat er hier überhaupt Hollanders worden toegelaten met carnaval (spreek uit carna-vál).
Wat later kronkelt zich de optocht als een bont gekleurde reuzenslang door het centrum van de stad. Voor mijn zoons Sietse en Bart is het al de derde in drie dagen. In hun ogen betekent de stoet maar één ding: snoep scoren. Voorwaarde is dat je oogcontact afdwingt met de prins in kwestie. Mijn mannetjes zijn daar al heel bedreven in. Ze hebben zelfs een vakjargon ontwikkeld. ‘Kijk Bart,’ hoor ik Sietse zeggen, ‘daar komt weer een strooier aan.’
Beiden posteren zich strategisch aan de stoeprand en zetten het, zodra de praalwagen met het prinselijke gezelschap passeert, op een zwaaien en zwieren van jewelste. Ja hoor, weer daalt een regen van popcorn en snoep over ons neer.
Na anderhalf uur, als onze grote plastic boodschappentas voor driekwart vol zit, vinden mijn zoons het genoeg. Bart van vier beklaagt zich over het lawaai. ‘Kunnen ze niet gewoon allemaal hetzelfde liedje spelen?’ vraagt hij zich boos af. Voor ik van de verbazing kan bekomen, vraagt hij in één adem door of er genintentood mag worden.
Dat mag. Terwijl mijn zoons Hamka’s naar binnen werken en zich met de joystick vermaken, pendel ik op en neer naar de rommelkamer op de tweede etage, want mijn huisbaas verblijft toch in Italië. Op de vensterbank, hoog boven het gebeuren, zit ik de optocht bij stukjes en beetjes uit en geniet ik van de kakofonie van drumkorpsen, schlagers en hun echo’s die schetterend tegen de gevels van de Zwartbroekstraat ketsen. De chaos heerst, niets gaat meer in de maat. Dan pas valt het me echt op: het kleurverschil. Vier dagen per jaar mag het fel. De rest van de tijd blijft het grijs. Carnaval, denk ik, is eigenlijk een heel Calvinistisch feest.
Het is maandagmiddag en ik sta met Sietse en Bart te wachten op de grote optocht. Uit balorigheid spreekt mijn oudste zoon verklede voorbijgangers aan.
‘Hallo soldaat,’ zegt hij tegen een man in een camouflage-uniform, ‘hoe is het in het leger?’
Sietse is acht, gaandeweg wordt hij overmoedig. Er nadert een vrouw in een gifgroene jurk, met een rood geschminkt gezicht en een even schreeuwend kapsel. ‘Halt,’ roept hij, ‘duivels komen er niet in!’
‘Wat zeg je?’ vraagt de vrouw in het Limburgs.
Mijn oudste zoon herhaalt het verbod.
‘Ich kan dich net verstjehen,’ bijt ze hem toe en werpt mij in het voorbijgaan een blik toe alsof ik blij mag zijn dat er hier überhaupt Hollanders worden toegelaten met carnaval (spreek uit carna-vál).
Wat later kronkelt zich de optocht als een bont gekleurde reuzenslang door het centrum van de stad. Voor mijn zoons Sietse en Bart is het al de derde in drie dagen. In hun ogen betekent de stoet maar één ding: snoep scoren. Voorwaarde is dat je oogcontact afdwingt met de prins in kwestie. Mijn mannetjes zijn daar al heel bedreven in. Ze hebben zelfs een vakjargon ontwikkeld. ‘Kijk Bart,’ hoor ik Sietse zeggen, ‘daar komt weer een strooier aan.’
Beiden posteren zich strategisch aan de stoeprand en zetten het, zodra de praalwagen met het prinselijke gezelschap passeert, op een zwaaien en zwieren van jewelste. Ja hoor, weer daalt een regen van popcorn en snoep over ons neer.
Na anderhalf uur, als onze grote plastic boodschappentas voor driekwart vol zit, vinden mijn zoons het genoeg. Bart van vier beklaagt zich over het lawaai. ‘Kunnen ze niet gewoon allemaal hetzelfde liedje spelen?’ vraagt hij zich boos af. Voor ik van de verbazing kan bekomen, vraagt hij in één adem door of er genintentood mag worden.
Dat mag. Terwijl mijn zoons Hamka’s naar binnen werken en zich met de joystick vermaken, pendel ik op en neer naar de rommelkamer op de tweede etage, want mijn huisbaas verblijft toch in Italië. Op de vensterbank, hoog boven het gebeuren, zit ik de optocht bij stukjes en beetjes uit en geniet ik van de kakofonie van drumkorpsen, schlagers en hun echo’s die schetterend tegen de gevels van de Zwartbroekstraat ketsen. De chaos heerst, niets gaat meer in de maat. Dan pas valt het me echt op: het kleurverschil. Vier dagen per jaar mag het fel. De rest van de tijd blijft het grijs. Carnaval, denk ik, is eigenlijk een heel Calvinistisch feest.
Labels:
actueel,
kleine potjes grote oren,
raar maar waar
dinsdag, februari 20, 2007
Kreunende freules zijn ondeugend
Bij het licht van tientallen kaarsen in haar boudoir legde de freule zoals iedere avond haar Tarot-kaarten. Haar plan was mislukt. Misschien, overwoog ze, waren twee tripels niet voldoende geweest. Vast en zeker was haar prooi ergens van wakker geschrokken en had hij de caravan verlaten. Dat of hij was niet eens in slaap gevallen. Jammer, ook voor hem. Ze had hem de hemel willen laten zien. Ze staarde naar de rozenblaadjes die ze op het bed gestrooid had. Voor niets? Nee, besloot de freule, ze liet het er niet bij zitten. Als bij toverslag trok ze de kaart van de gerechtigheid, net als gisteren en eergisteren. Toeval bestond niet. Zie je wel, ze was op de goede weg.
Ze stond op, liet de zijden kimono van haar lijf glijden en vlijde zich ruggelings bij de rozenblaadjes op de satijnen lakens. Ze stelde zich voor wat er zou gebeuren. Het stond al vast dat ze het met slaapmiddel zou doen. Ze moest hem het liefst zonder getuigen in haar boudoir zien te krijgen. Kortom, het lokspoor moest hem rechtstreeks naar haar slottoren leiden. Dan was het zaak om hem binnen te houden. Ze zou hem champagne aanbieden en daar wat fijngestampte slaappillen doorheen roeren. Hij zou onder zeil gaan en ze zou hem op het bed leggen en uitkleden. Dan zou ze de handboeien aanbrengen en hem vastketenen. Vervolgens hoefde ze alleen maar te wachten tot hij weer ontwaakte.
Met haar handen strijkt ze over haar buik, steeds lager. Ze ziet voor zich hoe ze op zijn gezicht gaat zitten en dan over zijn tong rijdt. Ze spreidt de benen, neemt twee vingers in haar mond en haalt ze ritmisch langs haar geheim. Ze draait zich om, neemt zijn reeds gezwollen roede in haar mond en keert hem haar kwispelende billen toe. Hij steekt het puntje van zijn tong in haar kerker. Nu is het nog haar middelvinger, maar straks… De freule kreunt. Ze gaat op haar hurken zitten en neemt schrijlings op hem plaats, met de rug naar hem toe. Ze pakt een dildo, spuit er wat glijmiddel op en doet hunkerend alsof het zijn degen is die diep in haar schede doordringt. Ze kronkelt als een slang en haar oog valt op de bidsprinkhaan in het terrarium. Het beest peuzelt juist de resten van alweer een minnaar op.
‘Kill!’ gilt ze, ‘kiiiiiiiiiiiiiiillll!’
Als een lawine raast het orgasme door haar lijf.
Ze stond op, liet de zijden kimono van haar lijf glijden en vlijde zich ruggelings bij de rozenblaadjes op de satijnen lakens. Ze stelde zich voor wat er zou gebeuren. Het stond al vast dat ze het met slaapmiddel zou doen. Ze moest hem het liefst zonder getuigen in haar boudoir zien te krijgen. Kortom, het lokspoor moest hem rechtstreeks naar haar slottoren leiden. Dan was het zaak om hem binnen te houden. Ze zou hem champagne aanbieden en daar wat fijngestampte slaappillen doorheen roeren. Hij zou onder zeil gaan en ze zou hem op het bed leggen en uitkleden. Dan zou ze de handboeien aanbrengen en hem vastketenen. Vervolgens hoefde ze alleen maar te wachten tot hij weer ontwaakte.
Met haar handen strijkt ze over haar buik, steeds lager. Ze ziet voor zich hoe ze op zijn gezicht gaat zitten en dan over zijn tong rijdt. Ze spreidt de benen, neemt twee vingers in haar mond en haalt ze ritmisch langs haar geheim. Ze draait zich om, neemt zijn reeds gezwollen roede in haar mond en keert hem haar kwispelende billen toe. Hij steekt het puntje van zijn tong in haar kerker. Nu is het nog haar middelvinger, maar straks… De freule kreunt. Ze gaat op haar hurken zitten en neemt schrijlings op hem plaats, met de rug naar hem toe. Ze pakt een dildo, spuit er wat glijmiddel op en doet hunkerend alsof het zijn degen is die diep in haar schede doordringt. Ze kronkelt als een slang en haar oog valt op de bidsprinkhaan in het terrarium. Het beest peuzelt juist de resten van alweer een minnaar op.
‘Kill!’ gilt ze, ‘kiiiiiiiiiiiiiiillll!’
Als een lawine raast het orgasme door haar lijf.
Abonneren op:
Posts (Atom)