Mijn chauffeur is een boerenzoon uit Wyoming. Hij is de prairie gewend en toetert ongedurig, telkens als de Jeep moet slalommen om vrouwen met handkarren heen, de meeste beladen met huisraad en puin.
‘Rustig aan, soldaat,’ zeg ik, ‘deze mensen hebben een boel ellende doorstaan.’
‘Dat hebben ze verdiend,’ knauwt hij, een Lucky Strike tussen de volle lippen, ‘fucking Nazi’s.’
‘Enig idee wat een vuurstorm doet?’ vraag ik.
Hij bromt iets ontkennends. Het interesseert hem waarschijnlijk niet, maar toch vertel ik het hem. Hoe ze eerst explosieve bommen gooiden, zodat de daken van de huizen werden gereten. Vervolgens legden de bommenwerpers een tapijt van brandbommen over de stad, zodat her en der branden uitbraken, zo heftig dat ze zich aaneen sloten en er vuurstormen opstaken. Daarna ging er nogmaals explosieve bommen overheen, om het werk van de brandweer te bemoeilijken. Ongehinderd kon de temperatuur in zo’n vuurstorm namelijk oplopen tot 1500 graden Celsius. Ver om de brandhaarden heen kwam het voor dat mensen stikten, omdat alle beschikbare zuurstof in een fractie van een seconde verdween. De lucht werd soms met zo’n kracht aangezogen, dat mensen op honderden meters afstand de vuren in werden gesleurd.
‘Zoals ik al zei, kapitein,’ knauwt de boerenzoon, ‘those fucking Nazi’s had it coming to them.’
De propaganda heeft tenminste gewerkt, denk ik. Iedereen lijkt ervan overtuigd dat de bombardementen het moreel van de bevolking moesten ondermijnen. Was het verdomme maar zo! Ik ben hier om vast te stellen of het werkelijke doel is bereikt. 1500 graden Celcius zou genoeg moeten zijn geweest om het te elimineren.
‘Wat denk je, soldaat, is er iets in staat om zo’n hel te overleven?’
‘Weet u wat, kapitein? Het kan me niet schelen.’
‘Fijn voor je,’ verzucht ik.
‘Darned!’ vloekt de chauffeur en hij trapt bruusk op de rem. De weg blijkt versperd. Er is een gevel naar beneden gekomen. Een paar vrouwen zijn al zwijgend bezig puin te ruimen.
‘Laat maar,’ zeg ik. ‘Volgens de kaart zijn we er toch bijna. Ik loop de rest wel. Wacht hier op me.’
Er is een looppad vrij, in de vorm van een gespiegelde S. Als ik het betreed, doet iets me omkijken, net op tijd om een gestalte achter een puinhoop te zien wegduiken. Of was het een stuk doek? Ik spits de oren, vinger mijn schouderholster. Nu het geraas van de Jeep ontbreekt, lijkt Hamburg weer op een steengroeve. 'Klok, klok, klok,' klinkt het, op de voet gevolgd door echo's uit alle richtingen. Soms zit er ritme in. Ik hoop maar dat er echt zo weinig ingewijden zijn als me is verteld. Wat als ik niet de enige ben die het zoekt? Gestaag dalen stofdeeltjes als sneeuw neer. Verder bewegen alleen de vrouwen en de stenen. Vals alarm. Ik zuig de longen vol en vervolg mijn weg.
maandag, april 30, 2007
De bal is rond (3)
Normaal op zondagmiddag doe ik alles om te vermijden dat ik de uitslagen van de eredivisie verneem. Ik wil de wedstrijden zien om te weten hoe ze aflopen. Dat is nog een hele kunst. Zo moet ik weg blijven van Teletekst en ook sommige Internet-sites zijn taboe. Het vervelendste is nog de zogenaamde service van NOS Studio Sport. Zit je onbekommerd naar een wielerklassieker te kijken, lopen er onder in beeld doodleuk de tussen-, rust- en eindstanden van de vaderlandse voetbalcompetitie voorbij. Soms kan ik nog maar net op tijd wegzappen.
Zoniet gisteren. Drie ploegen maken kans op het kampioenschap. Het is zo spannend dat ik de strijd live wil meemaken; ik stem af op langs de lijn. De tijd vliegt voorbij. In een wip staat het in Eindhoven 2-1, terwijl AZ in Rotterdam met 1-0 achter komt en met tien tegen elf verder moet. Ook Ajax komt in Tilburg op voorsprong. Gelukkig komt AZ al snel gelijk, uit een vrije trap door Cziommer. Het kan nog steeds alle kanten op, houd ik me voor, als de eerste helft er in Rotterdam, Tilburg en Eindhoven op zit.
Toch is er iets. Misschien ligt het aan Evert ten Apel, de man die vanuit het Philips-stadion verslag doet. Iedere goal waarvan hij gewag maakt, lijkt de belofte van een volgende in te houden. Ik ken Evert ten Apel langer dan vandaag. Nog levendig herinner ik me zijn commentaar, toen voor de tv, van de halve finale van de EK van 1988, tussen Nederland en Duitsland. Chauvinisme was een eufemisme. En nu, pakweg twintig jaar later, orakelt Ten Apel het kampioenschap van PSV naderbij. Ik kan het niet uitstaan. Tegelijk realiseer ik me dat Ten Apel niet voor niets zo jubelt: PSV lijkt de enige ploeg te zijn die daadwerkelijk voor het landskampioenschap gaat.
Wacht. In Tilburg scoort Huntelaar de 0-2. Ik spring bijna tegen het plafond. Intussen reken ik ook nog op het collectief van AZ. Ook met tien man moet Excelsior een eitje zijn. En inderdaad. De Alkmaarders komen weliswaar met 2-1 achter, maar Koevermans scoort met een frommelgoal de gelijkmaker. Bovendien wordt er een Rotterdammer van het veld gestuurd en is het weer tien tegen tien op Woudestein.
De tweede helft gaat nog sneller dan de eerste. Voor ik het weet, is de naspeeltijd aangebroken. Ik hoop maar dat Ten Cate en Van Gaal hun keepers mee naar voren sturen. De titel ligt verdorie voor het grijpen!
De rest is geschiedenis. Excelsior wint om des keizers baard met 3-2 van AZ, Ajax blijft in Tilburg op 0-2 steken en in Eindhoven wordt Vitesse bij een stand van 5-1 een glaszuivere strafschop onthouden. Niets vermag het feestje van Evert ten Apel te verstoren: tegen alle verwachtingen in wordt PSV alsnog kampioen, voor de derde keer op rij.
Stomme, ronde bal.
Zoniet gisteren. Drie ploegen maken kans op het kampioenschap. Het is zo spannend dat ik de strijd live wil meemaken; ik stem af op langs de lijn. De tijd vliegt voorbij. In een wip staat het in Eindhoven 2-1, terwijl AZ in Rotterdam met 1-0 achter komt en met tien tegen elf verder moet. Ook Ajax komt in Tilburg op voorsprong. Gelukkig komt AZ al snel gelijk, uit een vrije trap door Cziommer. Het kan nog steeds alle kanten op, houd ik me voor, als de eerste helft er in Rotterdam, Tilburg en Eindhoven op zit.
Toch is er iets. Misschien ligt het aan Evert ten Apel, de man die vanuit het Philips-stadion verslag doet. Iedere goal waarvan hij gewag maakt, lijkt de belofte van een volgende in te houden. Ik ken Evert ten Apel langer dan vandaag. Nog levendig herinner ik me zijn commentaar, toen voor de tv, van de halve finale van de EK van 1988, tussen Nederland en Duitsland. Chauvinisme was een eufemisme. En nu, pakweg twintig jaar later, orakelt Ten Apel het kampioenschap van PSV naderbij. Ik kan het niet uitstaan. Tegelijk realiseer ik me dat Ten Apel niet voor niets zo jubelt: PSV lijkt de enige ploeg te zijn die daadwerkelijk voor het landskampioenschap gaat.
Wacht. In Tilburg scoort Huntelaar de 0-2. Ik spring bijna tegen het plafond. Intussen reken ik ook nog op het collectief van AZ. Ook met tien man moet Excelsior een eitje zijn. En inderdaad. De Alkmaarders komen weliswaar met 2-1 achter, maar Koevermans scoort met een frommelgoal de gelijkmaker. Bovendien wordt er een Rotterdammer van het veld gestuurd en is het weer tien tegen tien op Woudestein.
De tweede helft gaat nog sneller dan de eerste. Voor ik het weet, is de naspeeltijd aangebroken. Ik hoop maar dat Ten Cate en Van Gaal hun keepers mee naar voren sturen. De titel ligt verdorie voor het grijpen!
De rest is geschiedenis. Excelsior wint om des keizers baard met 3-2 van AZ, Ajax blijft in Tilburg op 0-2 steken en in Eindhoven wordt Vitesse bij een stand van 5-1 een glaszuivere strafschop onthouden. Niets vermag het feestje van Evert ten Apel te verstoren: tegen alle verwachtingen in wordt PSV alsnog kampioen, voor de derde keer op rij.
Stomme, ronde bal.
zondag, april 29, 2007
De zesde of zevende vrouw
De silhouetten van de raven steken als accolades af tegen de inmiddels mauve lucht. Er steekt een straffe wind op. Ik besluit de puinhoop die een paar weken geleden nog de Hamburger Dom vormde weer af te dalen.
Beneden zijn de ratten gelukkig verdwenen. Nu zijn de straten van vrouwen, sommige met een handkar, maar allen met voegen in hun gelaat. Ook over deze vrouwen heb ik gehoord. Als menselijke mieren zorgen ze voor de afvoer van het puin waarin de Geallieerde bommenwerpers de stad Hamburg hebben veranderd. Steen voor steen worden haast liefdevol verplaatst in de hoop nog iets van familie of waarde tegen te komen.
‘Entschuldigen Sie,’ spreek ik er één aan, ‘darf ich Ihnen etwas fragen?’
Ze kijkt door me heen, alsof ik er helemaal niet ben, en vervolgt stoïcijns haar weg. Ik weet niet waarom, maar ik moet ineens aan Fred Gates denken, de koelkastenverkoper. Ik krijg de kriebels van die man, temeer omdat hij juist in mijn gedachten opduikt als ik niet meer lijk te bestaan.
Pas de zesde of zevende vrouw die ik aanklamp, lijkt me daadwerkelijk waar te nemen en dat lucht me vreemd op.
‘Is u iets bijzonders opgevallen,’ vraag ik haar, ‘tijdens de bombardementen?’
Ze neemt me zwijgend op. ‘Jongeman,’ bijt ze me dan toe, ‘ik heb mijn vier kinderen, mijn moeder en twee zussen verloren door de bommen. Ikzelf heb nog eens een nacht in de Elbe doorgebracht om de vuurstorm te overleven. Om me heen werden er alleen maar namen van geliefden geschreeuwd, urenlang. Tot mensen schor werden of verdronken. Bijzonder genoeg voor u?’
‘Het spijt me,’ hakkel ik, ‘zo heb ik het niet bedoeld. Misschien zijn er dingen gebeurd die, die…’
‘Zegt u het zoals het is, jongeman. Zoals u ziet zijn we weer in het stenen tijdperk aangeland.’
‘Het,’ waag ik de gok, ‘het inderdaad. Ist es noch hier?’
Er schiet een blos over haar wangen en ze kijkt vluchtig om zich heen. Dan buigt ze zich naar me toe.
‘Kommissar Dornkreuz,’ fluistert ze. ‘Hij heeft het gezien, der arme Teufel. Mensen waren er getuige van hoe hij zijn assistent dood schoot. ‘Het,’ is het enige dat hij sindsdien gezegd schijnt te hebben.’
Bingo, denk ik, dit is mijn geluksdag. Nog maar amper ben ik in Hamburg of ik ben het al op het spoor.
‘Waar kan ik die Kommissar Dornkreuz vinden?’
‘In het Maria Genade-ziekenhuis,’ antwoordt de vrouw, ‘bij de je-weet-wel-gevallen.’ Ze laat haar rechterwijsvinger een paar rondjes beschrijven ter hoogte van haar slaap.
Beneden zijn de ratten gelukkig verdwenen. Nu zijn de straten van vrouwen, sommige met een handkar, maar allen met voegen in hun gelaat. Ook over deze vrouwen heb ik gehoord. Als menselijke mieren zorgen ze voor de afvoer van het puin waarin de Geallieerde bommenwerpers de stad Hamburg hebben veranderd. Steen voor steen worden haast liefdevol verplaatst in de hoop nog iets van familie of waarde tegen te komen.
‘Entschuldigen Sie,’ spreek ik er één aan, ‘darf ich Ihnen etwas fragen?’
Ze kijkt door me heen, alsof ik er helemaal niet ben, en vervolgt stoïcijns haar weg. Ik weet niet waarom, maar ik moet ineens aan Fred Gates denken, de koelkastenverkoper. Ik krijg de kriebels van die man, temeer omdat hij juist in mijn gedachten opduikt als ik niet meer lijk te bestaan.
Pas de zesde of zevende vrouw die ik aanklamp, lijkt me daadwerkelijk waar te nemen en dat lucht me vreemd op.
‘Is u iets bijzonders opgevallen,’ vraag ik haar, ‘tijdens de bombardementen?’
Ze neemt me zwijgend op. ‘Jongeman,’ bijt ze me dan toe, ‘ik heb mijn vier kinderen, mijn moeder en twee zussen verloren door de bommen. Ikzelf heb nog eens een nacht in de Elbe doorgebracht om de vuurstorm te overleven. Om me heen werden er alleen maar namen van geliefden geschreeuwd, urenlang. Tot mensen schor werden of verdronken. Bijzonder genoeg voor u?’
‘Het spijt me,’ hakkel ik, ‘zo heb ik het niet bedoeld. Misschien zijn er dingen gebeurd die, die…’
‘Zegt u het zoals het is, jongeman. Zoals u ziet zijn we weer in het stenen tijdperk aangeland.’
‘Het,’ waag ik de gok, ‘het inderdaad. Ist es noch hier?’
Er schiet een blos over haar wangen en ze kijkt vluchtig om zich heen. Dan buigt ze zich naar me toe.
‘Kommissar Dornkreuz,’ fluistert ze. ‘Hij heeft het gezien, der arme Teufel. Mensen waren er getuige van hoe hij zijn assistent dood schoot. ‘Het,’ is het enige dat hij sindsdien gezegd schijnt te hebben.’
Bingo, denk ik, dit is mijn geluksdag. Nog maar amper ben ik in Hamburg of ik ben het al op het spoor.
‘Waar kan ik die Kommissar Dornkreuz vinden?’
‘In het Maria Genade-ziekenhuis,’ antwoordt de vrouw, ‘bij de je-weet-wel-gevallen.’ Ze laat haar rechterwijsvinger een paar rondjes beschrijven ter hoogte van haar slaap.
vrijdag, april 27, 2007
De bal is rond (2)
Excelsior – AZ
Mede dankzij 2000 meegereisde supporters beleefden Van Gaal en zijn onervaren recruten hun mooiste uur op Woudestein. Met de titel voor het grijpen schoot aanvankelijk de kramp in het speeltje van Dirk Scheringa. Het vrijuit spelende Excelsior counterde voor rust freewheelend naar 2-0. In de tweede helft koos de Alkmaar-Zaanstreekcombinatie vol voor de aanval. Cziommer (vrije schop, 52-ste minuut) en Jenner (briljant stiftje, 74-ste minuut) trokken de stand gelijk. Toch duurde het tot de 2-de minuut van de naspeeltijd voor Koevermans met een frommelgoal aan alle spanning een einde maakte. Tien jaar geleden nog degradeerde AZ naar de eerste divisie. Nu haalt Van Gaal zijn gram op zijn (imaginaire) criticasters en mag zijn ploeg zich een welverdiende kampioen van Nederland noemen.
PSV – Vitesse
Het is Ronald Koeman dan toch nog gelukt om een lange neus te maken naar het pragmatische PSV-bestuur. Vooraf zullen er maar weinig bookmakers hun geld hebben gezet op een ruime overwinning van zijn geplaagde elftal op het in theorie nog volop voor een plaats in het linker rijtje vechtende keurkorps uit Arnhem. Afellay (2 x), Cocu (penalty) en Simons tekenden een ruststand van 4-0 aan. Wat Aad de Mos tijdens de thee ook gezegd heeft, in de tweede helft liet Vitesse zo mogelijk nog meer over zich heen lopen. Na 90 minuten en 3 minuten naspeeltijd blies scheidsrechter Jol het verlossende eindsignaal. 9-0 (nog eens Cocu, Alex – uit een hoekschop, Koné – 2x en Kluivert). Een korfbaluitslag van een wanvertoning, waarmee een titel behaald werd die al verloren was, een titel met een nasmaak. De blijdschap in Eindhoven en omstreken zal er niet minder om zijn.
Willem II – Ajax
Henk ten Cate had er geen geheim van gemaakt: zijn gevoel zei hem dat Ajax kampioen zou worden in Tilburg. Hij had het naar eigen zeggen al beweerd toen PSV nog 11 punten voor stond. Niet alleen omdat het waar was, voor zijn gevoel dan. Ook vanwege de psychologische oorlogsvoering, natuurlijk. Toen het erop aankwam in Tilburg legde de noodzaak om met grote cijfers te winnen de godenzonen van Ten Cate niet lam, integendeel. Met oogstrelend combinatievoetbal werd Willem II volledig van de mat gespeeld. Na de reglementaire 90 minuten tekenden Huntelaar en Perez ieder voor een hattrick. De rest van de Ajax-productie kwam voor rekening van Immanuelson en Heitinga. Bijzonderheid: in de 78-ste minuut stopte doelman Stekelenburg een penalty. Zo werd de 0 gehouden en kon het gevoel van trainer Ten Cate bewaarheid worden: op doelsaldo eiste lucky Ajax in Tilburg de landstitel op.
Mede dankzij 2000 meegereisde supporters beleefden Van Gaal en zijn onervaren recruten hun mooiste uur op Woudestein. Met de titel voor het grijpen schoot aanvankelijk de kramp in het speeltje van Dirk Scheringa. Het vrijuit spelende Excelsior counterde voor rust freewheelend naar 2-0. In de tweede helft koos de Alkmaar-Zaanstreekcombinatie vol voor de aanval. Cziommer (vrije schop, 52-ste minuut) en Jenner (briljant stiftje, 74-ste minuut) trokken de stand gelijk. Toch duurde het tot de 2-de minuut van de naspeeltijd voor Koevermans met een frommelgoal aan alle spanning een einde maakte. Tien jaar geleden nog degradeerde AZ naar de eerste divisie. Nu haalt Van Gaal zijn gram op zijn (imaginaire) criticasters en mag zijn ploeg zich een welverdiende kampioen van Nederland noemen.
PSV – Vitesse
Het is Ronald Koeman dan toch nog gelukt om een lange neus te maken naar het pragmatische PSV-bestuur. Vooraf zullen er maar weinig bookmakers hun geld hebben gezet op een ruime overwinning van zijn geplaagde elftal op het in theorie nog volop voor een plaats in het linker rijtje vechtende keurkorps uit Arnhem. Afellay (2 x), Cocu (penalty) en Simons tekenden een ruststand van 4-0 aan. Wat Aad de Mos tijdens de thee ook gezegd heeft, in de tweede helft liet Vitesse zo mogelijk nog meer over zich heen lopen. Na 90 minuten en 3 minuten naspeeltijd blies scheidsrechter Jol het verlossende eindsignaal. 9-0 (nog eens Cocu, Alex – uit een hoekschop, Koné – 2x en Kluivert). Een korfbaluitslag van een wanvertoning, waarmee een titel behaald werd die al verloren was, een titel met een nasmaak. De blijdschap in Eindhoven en omstreken zal er niet minder om zijn.
Willem II – Ajax
Henk ten Cate had er geen geheim van gemaakt: zijn gevoel zei hem dat Ajax kampioen zou worden in Tilburg. Hij had het naar eigen zeggen al beweerd toen PSV nog 11 punten voor stond. Niet alleen omdat het waar was, voor zijn gevoel dan. Ook vanwege de psychologische oorlogsvoering, natuurlijk. Toen het erop aankwam in Tilburg legde de noodzaak om met grote cijfers te winnen de godenzonen van Ten Cate niet lam, integendeel. Met oogstrelend combinatievoetbal werd Willem II volledig van de mat gespeeld. Na de reglementaire 90 minuten tekenden Huntelaar en Perez ieder voor een hattrick. De rest van de Ajax-productie kwam voor rekening van Immanuelson en Heitinga. Bijzonderheid: in de 78-ste minuut stopte doelman Stekelenburg een penalty. Zo werd de 0 gehouden en kon het gevoel van trainer Ten Cate bewaarheid worden: op doelsaldo eiste lucky Ajax in Tilburg de landstitel op.
donderdag, april 26, 2007
Stank en stof
‘Gates is de naam, Fred Gates.’
‘Thomas,’ zeg ik, ‘kapitein David Thomas.’
‘Grappig,’ giechelt hij, ‘twee Bijbelse namen. David, u weet wel, die ene die het tegen Goliath opneemt, en dat dan samen met de ongelovige Thomas. Een fatale combinatie, lijkt me zo.’
‘Inderdaad heel grappig,’ zeg ik, minzaam glimlachend, ‘jammer dat u de 666-ste bent, die meent mij erop te moeten attenderen.’
‘U weet niet wat u zegt,’ grijnst hij.
‘O, wel degelijk,’ zeg ik.
Fred Gates laat zich maar niet afschudden. Na het ontbijt, in een haastig opgezette messtent, stelt hij me voor om een jeep naar het centrum te delen.
‘Meneer de koelkastenverkoper,’ verzucht ik, ‘donder op, voor uw eigen bestwil.’
Beledigd keert hij zich van me af. ‘Weet u wat u zou moeten doen?’ smaalt hij over zijn schouder, ‘uzelf eens wat minder serieus nemen!’
Ik lach hardop. Hij moest eens weten.
Ongeveer een uur later. Het eerste daglicht kleurt de lucht oranje. Ik klim, met een zakdoek voor de neus en mond geklemd, moeizaam de restanten van de dom van Hamburg op. Eenmaal boven prikt het zweet me in de ogen. Ik ben archeoloog, op een geheime missie weliswaar, maar geen alpinist; mijn scheenbenen zitten onder de schaafwondjes en blauwe plekken. Ik ben nog steeds misselijk van wat ik beneden heb gezien. Hijgend ga ik zitten en laat het panorama op me inwerken. Hier en daar staan nog gevels als grafzerken overeind. Verder zie ik piramides van puin, keurig in carré’s en rechthoeken gesneden door straten, waarover een gelige nevel hangt. Stofdeeltjes zijn dat, opgewoeld door de bommen. Nu regenen ze weer neer, zo langzaam dat het lijkt alsof het sneeuwt.
‘Kra, kra!’
Vlakbij, op een brokstuk dat wel eens van een crucifix kan zijn geweest, is een kraai neergestreken. Hij blijkt de voorbode van een hele zwerm. Overal zie ik de vogels als inktvlekken in het beeld verschijnen. Als snel scheuren hun schreeuwen de stilte verder stuk.
De aflossing van de wacht, denk ik. Onwillekeurig herinner ik me wat me aan de voet van de dom overkwam. De rivier van ratten, waarmee ik plotseling oog in oog stond. Moddervette ratten. Hun duizendvoudig, haast triomfantelijke piepen dat door merg en been ging. Alsof ik in een nachtmerrie was beland.
Het is logisch, bedenk ik me. Hamburg is wekenlang iedere nacht gebombardeerd. De steenhopen zijn graftombes. Er moeten nog tienduizenden lijken onder het puin liggen. Dat is waarom je hier een zakdoek nodig hebt. Kraaien, ratten. Het ongedierte ziet zijn kans schoon. Waar moet ik mijn onderzoek in vredesnaam beginnen?
‘Thomas,’ zeg ik, ‘kapitein David Thomas.’
‘Grappig,’ giechelt hij, ‘twee Bijbelse namen. David, u weet wel, die ene die het tegen Goliath opneemt, en dat dan samen met de ongelovige Thomas. Een fatale combinatie, lijkt me zo.’
‘Inderdaad heel grappig,’ zeg ik, minzaam glimlachend, ‘jammer dat u de 666-ste bent, die meent mij erop te moeten attenderen.’
‘U weet niet wat u zegt,’ grijnst hij.
‘O, wel degelijk,’ zeg ik.
Fred Gates laat zich maar niet afschudden. Na het ontbijt, in een haastig opgezette messtent, stelt hij me voor om een jeep naar het centrum te delen.
‘Meneer de koelkastenverkoper,’ verzucht ik, ‘donder op, voor uw eigen bestwil.’
Beledigd keert hij zich van me af. ‘Weet u wat u zou moeten doen?’ smaalt hij over zijn schouder, ‘uzelf eens wat minder serieus nemen!’
Ik lach hardop. Hij moest eens weten.
Ongeveer een uur later. Het eerste daglicht kleurt de lucht oranje. Ik klim, met een zakdoek voor de neus en mond geklemd, moeizaam de restanten van de dom van Hamburg op. Eenmaal boven prikt het zweet me in de ogen. Ik ben archeoloog, op een geheime missie weliswaar, maar geen alpinist; mijn scheenbenen zitten onder de schaafwondjes en blauwe plekken. Ik ben nog steeds misselijk van wat ik beneden heb gezien. Hijgend ga ik zitten en laat het panorama op me inwerken. Hier en daar staan nog gevels als grafzerken overeind. Verder zie ik piramides van puin, keurig in carré’s en rechthoeken gesneden door straten, waarover een gelige nevel hangt. Stofdeeltjes zijn dat, opgewoeld door de bommen. Nu regenen ze weer neer, zo langzaam dat het lijkt alsof het sneeuwt.
‘Kra, kra!’
Vlakbij, op een brokstuk dat wel eens van een crucifix kan zijn geweest, is een kraai neergestreken. Hij blijkt de voorbode van een hele zwerm. Overal zie ik de vogels als inktvlekken in het beeld verschijnen. Als snel scheuren hun schreeuwen de stilte verder stuk.
De aflossing van de wacht, denk ik. Onwillekeurig herinner ik me wat me aan de voet van de dom overkwam. De rivier van ratten, waarmee ik plotseling oog in oog stond. Moddervette ratten. Hun duizendvoudig, haast triomfantelijke piepen dat door merg en been ging. Alsof ik in een nachtmerrie was beland.
Het is logisch, bedenk ik me. Hamburg is wekenlang iedere nacht gebombardeerd. De steenhopen zijn graftombes. Er moeten nog tienduizenden lijken onder het puin liggen. Dat is waarom je hier een zakdoek nodig hebt. Kraaien, ratten. Het ongedierte ziet zijn kans schoon. Waar moet ik mijn onderzoek in vredesnaam beginnen?
De koelkastenverkoper
Waar ben ik? Er flappert een tentzeil. Iemand snurkt sonoor. Ik ruik brand, vermengd met de geur van zweetvoeten. Dan weet ik het weer. Dit is Hamburg. Het is de ochtend van de 10-de mei 1945. De oorlog met Duitsland is nog maar net voorbij en ik moet zien vast te stellen of de maatregelen afdoende zijn geweest. Wakker worden, kapitein Thomas!
Ik sta op en rek me naast het veldbed uit, waarop ik ruim zes uur van de wereld ben geweest. Het is nog donker. Gisteravond heeft een inlichtingenofficier me verteld dat ik er vroeg bij moest zijn. ‘Wil je echt weten of de fosforbommen effectief zijn geweest?’ vroeg hij, ‘zorg dan dat je er bij de dageraad bent. Je zult je ogen niet geloven.’
Ik twijfel even hoe ik me zal vermommen. Ik laat de burgerkleren echter in de plunjezak en trek mijn uniform aan.
‘En hoezo mag jij hier wel zijn, soldaat?’ vraagt een stem.
Ik kijk geschrokken om. Uit het niets is een burger opgedoken. Keurig in het visgraatpak. Getrimd snorretje, kapsel vol met Brylcreem. Achter zijn oren krult het haar op, zodat het lijkt of hij hoorntjes heeft. Waar komt hij zo plotseling vandaan? Ik kijk om hem heen naar de rij van zeker twintig veldbedden. De meeste zijn beslapen.
‘Kapitein,’ zeg ik, ‘het is kapitein en ik volg orders op.’
‘Aha, een man die op zijn strepen staat.’
‘Als dat nodig is.’
‘Goed dan, kapitein,’ grinnikt de man, ‘wat brengt u hier?’
‘Zoals ik al zei,’ glimlach ik, ‘volg ik orders op, orders die u niets aan gaan. En u?’
‘Ik, eh, ik ben hier om koelkasten te verkopen,’ bloost hij, ‘de beschaving begint immers met de koeling van etenswaren.’
'U meent het,' zeg ik, 'wanneer bent u uit de States vertrokken, als ik vragen mag?’
‘Gisteren,’ antwoordt hij.
Ongelooflijk, denk ik. Dat hij in een platgebombardeerde stad is om koelkasten te verkopen is nog tot daaraan toe. Een burger heeft me met een dag verslagen, dat is pas echt vreemd.
‘Hoe?’
‘Gewoon, per Pan Am.’
Ik knipper met de ogen. ‘Zijn er al lijnvluchten dan?’
‘Hier ben ik,’ zegt hij met een verontschuldigend gebaar.
‘Inderdaad,’ zeg ik, ‘hier bent u. En ik ben ook hier en ik ga nu op jacht naar een kop koffie, als u het mij niet kwalijk neemt.’
Ik maak aanstalten om hem de rug toe te keren.
‘Wacht,’ roept hij uit, ‘we hebben ons nog niet eens netjes aan elkaar voorgesteld!’
Hij steekt zijn rechterhand op zo’n manier naar me uit, dat ik hem wel moet drukken.
Ik sta op en rek me naast het veldbed uit, waarop ik ruim zes uur van de wereld ben geweest. Het is nog donker. Gisteravond heeft een inlichtingenofficier me verteld dat ik er vroeg bij moest zijn. ‘Wil je echt weten of de fosforbommen effectief zijn geweest?’ vroeg hij, ‘zorg dan dat je er bij de dageraad bent. Je zult je ogen niet geloven.’
Ik twijfel even hoe ik me zal vermommen. Ik laat de burgerkleren echter in de plunjezak en trek mijn uniform aan.
‘En hoezo mag jij hier wel zijn, soldaat?’ vraagt een stem.
Ik kijk geschrokken om. Uit het niets is een burger opgedoken. Keurig in het visgraatpak. Getrimd snorretje, kapsel vol met Brylcreem. Achter zijn oren krult het haar op, zodat het lijkt of hij hoorntjes heeft. Waar komt hij zo plotseling vandaan? Ik kijk om hem heen naar de rij van zeker twintig veldbedden. De meeste zijn beslapen.
‘Kapitein,’ zeg ik, ‘het is kapitein en ik volg orders op.’
‘Aha, een man die op zijn strepen staat.’
‘Als dat nodig is.’
‘Goed dan, kapitein,’ grinnikt de man, ‘wat brengt u hier?’
‘Zoals ik al zei,’ glimlach ik, ‘volg ik orders op, orders die u niets aan gaan. En u?’
‘Ik, eh, ik ben hier om koelkasten te verkopen,’ bloost hij, ‘de beschaving begint immers met de koeling van etenswaren.’
'U meent het,' zeg ik, 'wanneer bent u uit de States vertrokken, als ik vragen mag?’
‘Gisteren,’ antwoordt hij.
Ongelooflijk, denk ik. Dat hij in een platgebombardeerde stad is om koelkasten te verkopen is nog tot daaraan toe. Een burger heeft me met een dag verslagen, dat is pas echt vreemd.
‘Hoe?’
‘Gewoon, per Pan Am.’
Ik knipper met de ogen. ‘Zijn er al lijnvluchten dan?’
‘Hier ben ik,’ zegt hij met een verontschuldigend gebaar.
‘Inderdaad,’ zeg ik, ‘hier bent u. En ik ben ook hier en ik ga nu op jacht naar een kop koffie, als u het mij niet kwalijk neemt.’
Ik maak aanstalten om hem de rug toe te keren.
‘Wacht,’ roept hij uit, ‘we hebben ons nog niet eens netjes aan elkaar voorgesteld!’
Hij steekt zijn rechterhand op zo’n manier naar me uit, dat ik hem wel moet drukken.
dinsdag, april 24, 2007
Voetbal = toeval + b
Voetbal is bijna een anagram van toeval.
Woensdag wordt Johan Cruijff 60. Als opmaat stond de programmering van Nederland 3 vanavond al in het teken van zijn carrière.
En terecht.
Voetbal is een allegorie op het menselijke leven. We hebben de kapriolen van de bal niet onder controle. Er zijn ook zoveel andere factoren die een rol spelen: de medespelers, de tegenstanders, de staat van het veld, de zij- en de achterlijnen, de scheidsrechter, de druk van de media, de verwachtingen van de achterban.
Voetbal is bijna een anagram van toeval.
In alle grote voetbalnaties van de wereld gaan de coaches ervan uit dat voetbal een opportunistisch spelletje is. Je profiteert van fouten van de tegenstander. Voetbal is vooral een kwestie van improviseren, al dan niet verhuld catanaccio spelen en de zaak achterin op slot houden. Wie dat het beste doet, wordt kampioen.
Zoniet Johan Cruijff. Voor hem is voetbal een optelsom van details. Hij is een tovenaar, hij heeft de bal aan een touwtje, leest het spel en legt de werkelijkheid zijn wil op. Als je de bal hep, kennen hun niet scoren.
Voetbal is bijna een anagram van toeval.
Het leven is een tombola. We weten niet wanneer ons uur slaat. Johan Cruijff logenstraft die wet. Hij leert ons dat een individu wel degelijk het verschil kan maken. Namens ons heeft hij zich onsterfelijk gemaakt. Hij is effectiever dan die andere JC qua hoop. Vraag het aan Catalanen.
Ik voor mij prijs me gelukkig dat ik de verlosser nog in het echt heb zien spelen, meermaals zelfs. De tweede keer springt eruit. Mei 1971 of daaromtrent. Een kaartje 'jongensrang' kostte 1 gulden. Ik sloeg geen thuiswedstrijd van Go Ahead Eagles over. Ajax stond vast op de tweede plaats, de laatste competitieronde in Deventer was een formaliteit. Vandaar waarschijnlijk dat Johan Cruijff niet met zijn vertrouwde nummer op de spelerslijst prijkte. Niet het nummer 9, niet het nummer 14, maar het nummer 1 sierde zijn rug. Geloof het of niet, maar Johan Cruijff stond die dag in de Adelaarshorst op doel. Hij zag er verdwaald uit, in het veel te grote gele keepersshirt en een hels fluitconcert werd zijn deel, telkens als hij de bal aanraakte. Wie dacht hij wel dat hij was om het spelletje zo op zijn kop te zetten?
Voetbal is op een b na het anagram van toeval.
Ajax verloor die dag in Deventer met 4-1.
Woensdag wordt Johan Cruijff 60. Als opmaat stond de programmering van Nederland 3 vanavond al in het teken van zijn carrière.
En terecht.
Voetbal is een allegorie op het menselijke leven. We hebben de kapriolen van de bal niet onder controle. Er zijn ook zoveel andere factoren die een rol spelen: de medespelers, de tegenstanders, de staat van het veld, de zij- en de achterlijnen, de scheidsrechter, de druk van de media, de verwachtingen van de achterban.
Voetbal is bijna een anagram van toeval.
In alle grote voetbalnaties van de wereld gaan de coaches ervan uit dat voetbal een opportunistisch spelletje is. Je profiteert van fouten van de tegenstander. Voetbal is vooral een kwestie van improviseren, al dan niet verhuld catanaccio spelen en de zaak achterin op slot houden. Wie dat het beste doet, wordt kampioen.
Zoniet Johan Cruijff. Voor hem is voetbal een optelsom van details. Hij is een tovenaar, hij heeft de bal aan een touwtje, leest het spel en legt de werkelijkheid zijn wil op. Als je de bal hep, kennen hun niet scoren.
Voetbal is bijna een anagram van toeval.
Het leven is een tombola. We weten niet wanneer ons uur slaat. Johan Cruijff logenstraft die wet. Hij leert ons dat een individu wel degelijk het verschil kan maken. Namens ons heeft hij zich onsterfelijk gemaakt. Hij is effectiever dan die andere JC qua hoop. Vraag het aan Catalanen.
Ik voor mij prijs me gelukkig dat ik de verlosser nog in het echt heb zien spelen, meermaals zelfs. De tweede keer springt eruit. Mei 1971 of daaromtrent. Een kaartje 'jongensrang' kostte 1 gulden. Ik sloeg geen thuiswedstrijd van Go Ahead Eagles over. Ajax stond vast op de tweede plaats, de laatste competitieronde in Deventer was een formaliteit. Vandaar waarschijnlijk dat Johan Cruijff niet met zijn vertrouwde nummer op de spelerslijst prijkte. Niet het nummer 9, niet het nummer 14, maar het nummer 1 sierde zijn rug. Geloof het of niet, maar Johan Cruijff stond die dag in de Adelaarshorst op doel. Hij zag er verdwaald uit, in het veel te grote gele keepersshirt en een hels fluitconcert werd zijn deel, telkens als hij de bal aanraakte. Wie dacht hij wel dat hij was om het spelletje zo op zijn kop te zetten?
Voetbal is op een b na het anagram van toeval.
Ajax verloor die dag in Deventer met 4-1.
Abonneren op:
Posts (Atom)