Twitter

Follow Ep_Meijer on Twitter
Posts tonen met het label het (een verontrustend feuilleton). Alle posts tonen
Posts tonen met het label het (een verontrustend feuilleton). Alle posts tonen

donderdag, juni 07, 2007

Vacuüm

Wat vooraf ging: kapitein David Thomas is pal na de oorlog in het gebombardeerde Hamburg om in het geheim te onderzoeken of ‘het’ vernietigd is. Hij is echter niet de enige…

Honderden vrouwen moet ik ondervraagd hebben. Uiteindelijk heb ik voldoende getuigenissen verzameld om de plaats te kunnen bepalen waar commissaris Dornkreuz zijn assistent heeft neergeschoten. Nu sta ik er. Tenminste, dat hoop ik. Nog meer hoop ik dat Fred Gates me niet voor is geweest.

De toegang tot de kelder lijkt op een grot: een gapend gat temidden van de brokstukken van wat eens een huis van vijf verdiepingen is geweest. Ik laat de lichtbundel van de zaklantaarn met het donker van de opening spelen. Ik buig me voorover, zie niets. Alhoewel, was dat geen bliksemschicht, in de diepte?
Nog een laatste keer kijk ik om me heen. Hier en daar staan nog muren overeind. Soms lijken ze ergens op. Een galg, een biddende monnik. Dan daal ik af.

Ik begin pas weer met ademen als mijn tenen de keldervloer voelen. De stank is niet te harden. Ik klem een zakdoek voor de neus. Met mijn andere hand knip ik de zaklantaarn weer aan.

Acht harige poten houd ik gevangen in de lichtstraal, als het silhouet van een bommenwerper in de bundel van een zoeklicht. Een spin. Barstensvol met bloed. Insecten zijn gek op lijken. Ik inspecteer de muren. Voorraadkasten. Leeg. Bestoft met de dikke laag stof waarmee alles in Hamburg bedekt is, het stof waarvan ze hier zeggen dat het door de muren kwam. Puingruis. Geen sporen van een worsteling. Alles is intact. Hout kan zonder zuurstof. Ik haal diep adem en beschijn de grond.

Voeten. Twee grote, meerdere kleine. Twaalf stuks. De verlichte cirkel kruipt omhoog. Miljarden stofdeeltjes dansen in de kegel tussen mij en dat wat ik zie. Een zweetdruppel daalt via mijn ruggengraat af.
Een moeder en vijf kinderen, driemaal jurkjes, tweemaal Lederhosen. De oudste was hooguit acht. De dood heeft hen verrast. In minder dan een seconde was de lucht die zij gewend waren in te ademen, verdwenen. Ze zitten als een wassenbeeldengroep op het bed. De ogen puilen licht uit en de tongen liggen als hamlappen in een slagersvitrine in de opengesperde monden. Dat kreeg je met fosforbommen. Door de hitte van de branden werd alles in de omgeving in een oogwenk vacuüm gezogen.

Dan zie ik de deken. Meteen besef ik het: eronder zit dat wat ik zoek. Mijn vingers trillen als ik mijn rechterarm uitstrek…

woensdag, mei 09, 2007

Het getal van het beest

Wat vooraf ging: kapitein David Thomas is pal na de oorlog in het gebombardeerde Hamburg om in het geheim te onderzoeken of ‘het’ vernietigd is. Hij blijkt echter niet de enige die naar ‘het’ op zoek is…

‘Terug naar de basis,’ gelast ik de boerenzoon uit Wyoming. ‘Eerst maar eens een hapje eten, wat jij?’
Yes Sir,’ zegt hij enthousiast en start de motor van de Jeep, die ook lijkt te juichen.

Aan weerszijden glijden als grote doodshoofden gevels voorbij. Als ik niets tegen mijn chauffeur zeg, zegt hij niets terug. Wel zo rustig. Ik kijk een tijdje naar zijn profiel, hoe het kauwt en rookt en alvast boos wordt op alles voorbij de volgende bocht. Stel, ik zou hem deelgenoot maken van mijn missie, snapte hij het dan? Waarschijnlijk zou hij de schouders ophalen en onverschillig een volgende Lucky Strike opsteken. Er is geen andere conclusie: ik sta er alleen voor, hier in Hamburg. Onwillekeurig denk ik terug aan die merkwaardige ontmoeting in de kelder van het Witte Huis.

‘U bent uitverkoren, kapitein Thomas.’ De president klonk haast zalvend. ‘Om een aantal redenen. In de eerste plaats omdat u archeoloog bent en al in dienst van Uncle Sam.’
De president deed een paar passen, verloor echter geen moment het oogcontact.
‘Mensen,’ vervolgde hij, ‘denken dat archeologen maar wat in de aarde graven. Ik weet beter. U, kapitein Thomas, pelt de waarheid, als een ui. Heb ik gelijk?’
Overdonderd was ik. De president van de Verenigde Staten complimenteerde me met mijn werk. Ik maakte een verontschuldigend gebaar. Ongetwijfeld zal ik erbij gebloosd hebben.
‘Maar ook en vooral bent u uitverkoren omdat u wees bent en vrouw noch kinderen heeft, kapitein Thomas.’
De president kwam op me af gelopen, legde zijn rechterhand op mijn linkerschouder.
‘Hoe minder bindingen des te beter,’ fluisterde hij. ‘De gevolgen zouden niet te overzien zijn als bekend werd dat het bestaat. Daarom ook mag u onder geen enkele voorwaarde contact opnemen met Washington. Pas als u het vindt of in staat bent bewijzen voor de vernietiging aan te dragen, mag u terug komen, om rapport uit te brengen aan mij, en aan mij alleen. Maak ik mijzelf duidelijk?’
Ik knikte, overbluft als ik was.

Sindsdien zijn er nog geen 48 uur voorbij gegaan. Er zijn verdorie geen procedures afgesproken voor noodgevallen. Terwijl we de basis bereiken, pers ik de tanden op elkaar. Jeeps rijden af en aan, terwijl om de minuut een landend vliegtuig de rest van de stilte vermorzelt. Zo op het oog hebben we Hamburg onder controle, maar wat sluimert er onderhuids?

De lunch sla ik over. In plaats daarvan zorg ik dat ik de lijst van aankomsten van gisteren onder ogen krijg; de ware reden dat ik naar de basis terug wilde.
‘Frederick Gates,’ lees ik. Hij is hier voor ‘handelsdoeleinden’. Niets wat ik al niet wist. Dan valt me het paspoortnummer op: 111622233332. 111 maal 6, 222 maal 3, 333 maal 2. De uitkomst is steeds dezelfde. Dit kan toeval zijn, maar het lijkt erop dat ik een tegenstander heb, een tegenstander die me wil doen geloven dat hij niet van deze wereld is, net als het. Er is geen tijd te verliezen.

zondag, mei 06, 2007

De ins en outs van het

Wat vooraf ging: Kapitein David Thomas is pal na de oorlog in Hamburg om in het geheim te onderzoeken of ‘het’ vernietigd is. De enige die ‘het’ wellicht met eigen ogen heeft aanschouwd, commissaris Dornkreuz, heeft zojuist voor Thomas’ ogen zelfmoord gepleegd.


Toegegeven, het beeld van een exploderende schedel laat me niet koud. Maar ik ben op een missie. De vrouw die me op diens bestaan attent maakte, vertelde dat commissaris Dornkreuz zijn assistent doodgeschoten heeft voor hij opgenomen werd. Duitsers zijn grundlich. Iemand moet er procesverbaal van hebben opgemaakt.

Mijn chauffeur heeft braaf gewacht.
‘Nog iets bijzonders gebeurd?’ vraag ik hem.
I dunnow,’ knauwt hij, ‘er stortte nog een gevel in. Ik zag de hoofden van die vrouwen barsten toen de stenen ze raakten. Dat was geen prettig gezicht, kan ik u verzekeren.’
Hij spuugt zijn kauwgum uit en steekt een Lucky Strike op.
‘Denk je nog steeds dat de mensen hier dit verdiend hebben?’ vraag ik.
Hij inhaleert driftig, blaast de rook even haastig weer uit.
‘Nou?’
‘Kweenie,’ hakkelt hij, ‘het is anders, zo van dichtbij. Ik bedoel, ik had het ook kunnen zijn.’
‘Zo is het, soldaat,’ zeg ik en pak zijn schouder vast. ‘En nu gaan we naar het politiebureau of wat daar nog van over is. Volgens de kaart is het zes kilometer.’

Het politiebureau is alleen nog maar een skelet. Buiten zijn wat tenten neergezet, waarin potige MP’s gewichtig lopen te doen. Degene met het commando steekt een kop boven me uit. Hij salueert zoals het hoort en ik beantwoord de groet.
‘Is het archief bewaard gebleven?’ vraag ik hem.
‘Wat heeft u er te zoeken?’
Dit is zo’n man die op zijn strepen staat. Ik laat hem het passepartout zien, met de handtekening van de president. Hij fluit bewonderend tussen zijn tanden.
‘Een politiecommissaris heeft zijn assistent doodgeschoten,’ zeg ik, ‘kort voor het einde van de oorlog. En ik wil weten waar.’
‘Grappig dat u het vraagt,’ antwoordt hij, ‘u bent al de tweede vandaag.’
Op slag lijkt het alsof er ijs in mijn bloed zit.
‘Laat me raden, een vertegenwoordigerstype?’ vraag ik.
Yup.’
‘Wat heeft u hem verteld?’
‘Dat hij beter zijn neus kan gebruiken, want het archief is verbrand.’

Eenmaal weer buiten rook ik een sigaret om van de schok te bekomen. De lucht boven Hamburg lijkt van melk. Op straat sjorren twee vrouwen een handkar met een vormeloze hoop. Pas als ik beter kijk zie ik verkoolde ledematen onder de dekens uitsteken. Ik slik en wend de ogen af. Dan komt het besef pas echt. Behalve mij weten alleen de president, de stafchef en het hoofd van de inlichtingendienst de ins en outs van het. Tenminste, dat dacht ik. Nu blijk Fred Gates niet in Hamburg om koelkasten te verkopen. Er zijn andere machten in het spel.

donderdag, mei 03, 2007

Enkel een lidwoord

Het Maria Genade-ziekenhuis staat in een buitenwijk van Hamburg en is nog redelijk heel. Alleen zijn de meeste ruiten gesneuveld en inderhaast vervangen door plastic. Terwijl ik door lange gangen dool, op zoek naar de psychiatrie-afdeling, flappert en klappert het om me heen. Het is warm of ligt dat aan mij? Ik merk dat ik ineens hevig begin te zweten.

Dan vind ik hem. Hij zit rechtop in bed. Zijn hoofd wordt omgeven door een krans van het witste haar dat ik ooit gezien heb. Een halo, haast. Zo oud ziet hij er echter niet uit. Misschien, denk ik, is zijn haar verkleurd door wat hij gezien heeft.
Herr Dornkreuz?’
Zijn ogen staren in het luchtledige. Ik heb het nog steeds warm. Ik trek mijn uniformjas uit, hang het samen met mijn schouderholster over een stoel.
Ist es noch hier?’ vraag ik.
Es,’ zegt hij. Een flauwe glimlach speelt om zijn lippen.
‘Is het nog hier?’ herhaal ik.
‘Het,’ herhaalt ook hij.
‘Waar kan ik het vinden?’
Commissaris Dornkreuz geeft geen sjoege.
‘Begrijpt u mij goed,’ zeg ik en begin te ijsberen. ‘Als het nog hier is, wil dat zeggen dat de fosforbommen hun werk niet hebben gedaan. Het moet vernietigd worden. De toekomst van de mensheid staat op het spel. Zegt u mij alstublieft of u het gezien heeft en zo ja, waar.’
Ik zie zijn adamsappel driftig heen en weer gaan.
‘Toe, meneer Dornkreuz, ontlast uw geweten. Waar is het?’
Hij spreidt de armen en laat het hoofd als een gekruisigde hangen. Ik zucht diep en draai hem gefrustreerd mijn rug toe, heel even maar. Achter me klinkt een ruisen. Ik draai me om, maar ben te laat. Hij is vliegensvlug opgestaan en heeft de revolver uit mijn schouderholster te pakken. Hij is politieagent geweest, ik had op mijn hoede moeten zijn, denk ik nog. Hij grijnst naar zijn buit, zet de veiligheidspal om.
‘Wacht!’
Hij stopt de loop in zijn mond, richt op het gehemelte.
‘Nee,’ schreeuw ik, ‘zegt u me waar het is!’
Een windvlaag laat de plastic ramen flapperen. Dornkreuz grinnikt en haalt de trekker over. De knal is oorverdovend. Het volgende moment verspreiden zijn hersens zich in een concentrisch patroon over de muur achter hem. Het klinkt alsof er iemand een emmer met snot omkeert. Maagsap wurmt zich door mijn slokdarm omhoog.
Onmiddellijk schieten van alle kanten beduusde verpleegsters tevoorschijn.
‘Wat heeft u gezegd?’ vraagt er één.
‘Geloof het of niet,’ antwoord ik, ‘enkel een lidwoord.’

maandag, april 30, 2007

1500 graden Celsius

Mijn chauffeur is een boerenzoon uit Wyoming. Hij is de prairie gewend en toetert ongedurig, telkens als de Jeep moet slalommen om vrouwen met handkarren heen, de meeste beladen met huisraad en puin.
‘Rustig aan, soldaat,’ zeg ik, ‘deze mensen hebben een boel ellende doorstaan.’
‘Dat hebben ze verdiend,’ knauwt hij, een Lucky Strike tussen de volle lippen, ‘fucking Nazi’s.’
‘Enig idee wat een vuurstorm doet?’ vraag ik.
Hij bromt iets ontkennends. Het interesseert hem waarschijnlijk niet, maar toch vertel ik het hem. Hoe ze eerst explosieve bommen gooiden, zodat de daken van de huizen werden gereten. Vervolgens legden de bommenwerpers een tapijt van brandbommen over de stad, zodat her en der branden uitbraken, zo heftig dat ze zich aaneen sloten en er vuurstormen opstaken. Daarna ging er nogmaals explosieve bommen overheen, om het werk van de brandweer te bemoeilijken. Ongehinderd kon de temperatuur in zo’n vuurstorm namelijk oplopen tot 1500 graden Celsius. Ver om de brandhaarden heen kwam het voor dat mensen stikten, omdat alle beschikbare zuurstof in een fractie van een seconde verdween. De lucht werd soms met zo’n kracht aangezogen, dat mensen op honderden meters afstand de vuren in werden gesleurd.
‘Zoals ik al zei, kapitein,’ knauwt de boerenzoon, ‘those fucking Nazi’s had it coming to them.’

De propaganda heeft tenminste gewerkt, denk ik. Iedereen lijkt ervan overtuigd dat de bombardementen het moreel van de bevolking moesten ondermijnen. Was het verdomme maar zo! Ik ben hier om vast te stellen of het werkelijke doel is bereikt. 1500 graden Celcius zou genoeg moeten zijn geweest om het te elimineren.
‘Wat denk je, soldaat, is er iets in staat om zo’n hel te overleven?’
‘Weet u wat, kapitein? Het kan me niet schelen.’
‘Fijn voor je,’ verzucht ik.
Darned!’ vloekt de chauffeur en hij trapt bruusk op de rem. De weg blijkt versperd. Er is een gevel naar beneden gekomen. Een paar vrouwen zijn al zwijgend bezig puin te ruimen.
‘Laat maar,’ zeg ik. ‘Volgens de kaart zijn we er toch bijna. Ik loop de rest wel. Wacht hier op me.’

Er is een looppad vrij, in de vorm van een gespiegelde S. Als ik het betreed, doet iets me omkijken, net op tijd om een gestalte achter een puinhoop te zien wegduiken. Of was het een stuk doek? Ik spits de oren, vinger mijn schouderholster. Nu het geraas van de Jeep ontbreekt, lijkt Hamburg weer op een steengroeve. 'Klok, klok, klok,' klinkt het, op de voet gevolgd door echo's uit alle richtingen. Soms zit er ritme in. Ik hoop maar dat er echt zo weinig ingewijden zijn als me is verteld. Wat als ik niet de enige ben die het zoekt? Gestaag dalen stofdeeltjes als sneeuw neer. Verder bewegen alleen de vrouwen en de stenen. Vals alarm. Ik zuig de longen vol en vervolg mijn weg.

zondag, april 29, 2007

De zesde of zevende vrouw

De silhouetten van de raven steken als accolades af tegen de inmiddels mauve lucht. Er steekt een straffe wind op. Ik besluit de puinhoop die een paar weken geleden nog de Hamburger Dom vormde weer af te dalen.

Beneden zijn de ratten gelukkig verdwenen. Nu zijn de straten van vrouwen, sommige met een handkar, maar allen met voegen in hun gelaat. Ook over deze vrouwen heb ik gehoord. Als menselijke mieren zorgen ze voor de afvoer van het puin waarin de Geallieerde bommenwerpers de stad Hamburg hebben veranderd. Steen voor steen worden haast liefdevol verplaatst in de hoop nog iets van familie of waarde tegen te komen.
Entschuldigen Sie,’ spreek ik er één aan, ‘darf ich Ihnen etwas fragen?’
Ze kijkt door me heen, alsof ik er helemaal niet ben, en vervolgt stoïcijns haar weg. Ik weet niet waarom, maar ik moet ineens aan Fred Gates denken, de koelkastenverkoper. Ik krijg de kriebels van die man, temeer omdat hij juist in mijn gedachten opduikt als ik niet meer lijk te bestaan.

Pas de zesde of zevende vrouw die ik aanklamp, lijkt me daadwerkelijk waar te nemen en dat lucht me vreemd op.
‘Is u iets bijzonders opgevallen,’ vraag ik haar, ‘tijdens de bombardementen?’
Ze neemt me zwijgend op. ‘Jongeman,’ bijt ze me dan toe, ‘ik heb mijn vier kinderen, mijn moeder en twee zussen verloren door de bommen. Ikzelf heb nog eens een nacht in de Elbe doorgebracht om de vuurstorm te overleven. Om me heen werden er alleen maar namen van geliefden geschreeuwd, urenlang. Tot mensen schor werden of verdronken. Bijzonder genoeg voor u?’
‘Het spijt me,’ hakkel ik, ‘zo heb ik het niet bedoeld. Misschien zijn er dingen gebeurd die, die…’
‘Zegt u het zoals het is, jongeman. Zoals u ziet zijn we weer in het stenen tijdperk aangeland.’
‘Het,’ waag ik de gok, ‘het inderdaad. Ist es noch hier?’
Er schiet een blos over haar wangen en ze kijkt vluchtig om zich heen. Dan buigt ze zich naar me toe.
Kommissar Dornkreuz,’ fluistert ze. ‘Hij heeft het gezien, der arme Teufel. Mensen waren er getuige van hoe hij zijn assistent dood schoot. ‘Het,’ is het enige dat hij sindsdien gezegd schijnt te hebben.’
Bingo, denk ik, dit is mijn geluksdag. Nog maar amper ben ik in Hamburg of ik ben het al op het spoor.
‘Waar kan ik die Kommissar Dornkreuz vinden?’
‘In het Maria Genade-ziekenhuis,’ antwoordt de vrouw, ‘bij de je-weet-wel-gevallen.’ Ze laat haar rechterwijsvinger een paar rondjes beschrijven ter hoogte van haar slaap.

donderdag, april 26, 2007

Stank en stof

‘Gates is de naam, Fred Gates.’
‘Thomas,’ zeg ik, ‘kapitein David Thomas.’
‘Grappig,’ giechelt hij, ‘twee Bijbelse namen. David, u weet wel, die ene die het tegen Goliath opneemt, en dat dan samen met de ongelovige Thomas. Een fatale combinatie, lijkt me zo.’
‘Inderdaad heel grappig,’ zeg ik, minzaam glimlachend, ‘jammer dat u de 666-ste bent, die meent mij erop te moeten attenderen.’
‘U weet niet wat u zegt,’ grijnst hij.
‘O, wel degelijk,’ zeg ik.

Fred Gates laat zich maar niet afschudden. Na het ontbijt, in een haastig opgezette messtent, stelt hij me voor om een jeep naar het centrum te delen.
‘Meneer de koelkastenverkoper,’ verzucht ik, ‘donder op, voor uw eigen bestwil.’
Beledigd keert hij zich van me af. ‘Weet u wat u zou moeten doen?’ smaalt hij over zijn schouder, ‘uzelf eens wat minder serieus nemen!’
Ik lach hardop. Hij moest eens weten.

Ongeveer een uur later. Het eerste daglicht kleurt de lucht oranje. Ik klim, met een zakdoek voor de neus en mond geklemd, moeizaam de restanten van de dom van Hamburg op. Eenmaal boven prikt het zweet me in de ogen. Ik ben archeoloog, op een geheime missie weliswaar, maar geen alpinist; mijn scheenbenen zitten onder de schaafwondjes en blauwe plekken. Ik ben nog steeds misselijk van wat ik beneden heb gezien. Hijgend ga ik zitten en laat het panorama op me inwerken. Hier en daar staan nog gevels als grafzerken overeind. Verder zie ik piramides van puin, keurig in carré’s en rechthoeken gesneden door straten, waarover een gelige nevel hangt. Stofdeeltjes zijn dat, opgewoeld door de bommen. Nu regenen ze weer neer, zo langzaam dat het lijkt alsof het sneeuwt.
‘Kra, kra!’
Vlakbij, op een brokstuk dat wel eens van een crucifix kan zijn geweest, is een kraai neergestreken. Hij blijkt de voorbode van een hele zwerm. Overal zie ik de vogels als inktvlekken in het beeld verschijnen. Als snel scheuren hun schreeuwen de stilte verder stuk.
De aflossing van de wacht, denk ik. Onwillekeurig herinner ik me wat me aan de voet van de dom overkwam. De rivier van ratten, waarmee ik plotseling oog in oog stond. Moddervette ratten. Hun duizendvoudig, haast triomfantelijke piepen dat door merg en been ging. Alsof ik in een nachtmerrie was beland.
Het is logisch, bedenk ik me. Hamburg is wekenlang iedere nacht gebombardeerd. De steenhopen zijn graftombes. Er moeten nog tienduizenden lijken onder het puin liggen. Dat is waarom je hier een zakdoek nodig hebt. Kraaien, ratten. Het ongedierte ziet zijn kans schoon. Waar moet ik mijn onderzoek in vredesnaam beginnen?

De koelkastenverkoper

Waar ben ik? Er flappert een tentzeil. Iemand snurkt sonoor. Ik ruik brand, vermengd met de geur van zweetvoeten. Dan weet ik het weer. Dit is Hamburg. Het is de ochtend van de 10-de mei 1945. De oorlog met Duitsland is nog maar net voorbij en ik moet zien vast te stellen of de maatregelen afdoende zijn geweest. Wakker worden, kapitein Thomas!

Ik sta op en rek me naast het veldbed uit, waarop ik ruim zes uur van de wereld ben geweest. Het is nog donker. Gisteravond heeft een inlichtingenofficier me verteld dat ik er vroeg bij moest zijn. ‘Wil je echt weten of de fosforbommen effectief zijn geweest?’ vroeg hij, ‘zorg dan dat je er bij de dageraad bent. Je zult je ogen niet geloven.’
Ik twijfel even hoe ik me zal vermommen. Ik laat de burgerkleren echter in de plunjezak en trek mijn uniform aan.

‘En hoezo mag jij hier wel zijn, soldaat?’ vraagt een stem.
Ik kijk geschrokken om. Uit het niets is een burger opgedoken. Keurig in het visgraatpak. Getrimd snorretje, kapsel vol met Brylcreem. Achter zijn oren krult het haar op, zodat het lijkt of hij hoorntjes heeft. Waar komt hij zo plotseling vandaan? Ik kijk om hem heen naar de rij van zeker twintig veldbedden. De meeste zijn beslapen.
‘Kapitein,’ zeg ik, ‘het is kapitein en ik volg orders op.’
‘Aha, een man die op zijn strepen staat.’
‘Als dat nodig is.’
‘Goed dan, kapitein,’ grinnikt de man, ‘wat brengt u hier?’
‘Zoals ik al zei,’ glimlach ik, ‘volg ik orders op, orders die u niets aan gaan. En u?’
‘Ik, eh, ik ben hier om koelkasten te verkopen,’ bloost hij, ‘de beschaving begint immers met de koeling van etenswaren.’
'U meent het,' zeg ik, 'wanneer bent u uit de States vertrokken, als ik vragen mag?’
‘Gisteren,’ antwoordt hij.
Ongelooflijk, denk ik. Dat hij in een platgebombardeerde stad is om koelkasten te verkopen is nog tot daaraan toe. Een burger heeft me met een dag verslagen, dat is pas echt vreemd.
‘Hoe?’
‘Gewoon, per Pan Am.’
Ik knipper met de ogen. ‘Zijn er al lijnvluchten dan?’
‘Hier ben ik,’ zegt hij met een verontschuldigend gebaar.
‘Inderdaad,’ zeg ik, ‘hier bent u. En ik ben ook hier en ik ga nu op jacht naar een kop koffie, als u het mij niet kwalijk neemt.’
Ik maak aanstalten om hem de rug toe te keren.
‘Wacht,’ roept hij uit, ‘we hebben ons nog niet eens netjes aan elkaar voorgesteld!’
Hij steekt zijn rechterhand op zo’n manier naar me uit, dat ik hem wel moet drukken.