Twitter

Follow Ep_Meijer on Twitter

zondag, december 26, 2010

Triage



Het is niet aan mij om de grens tussen leven en dood te trekken. Toch werd dat van me verlangd, iedere dag opnieuw.

Die rijen, buiten in de modder, waar soms maar geen einde aan kwam. De meesten moesten we dood laten bloeden. Samen met een hospik liep ik ze langs. Ik probeerde het kreunen niet te horen dat op de één of andere manier altijd hoorbaar bleef boven het gebulder uit van de kanonnen, het hameren van de mitrailleurs en de explosies. Vluchtig overzag ik de aard van de verwondingen, keek bij twijfel even naar de pupillen, voelde hier en daar een pols. “Die,” klonk het dan, maar vaker, veel vaker, “die niet”.

Het was alweer voor de derde keer bijna Kerstmis deze hopeloze oorlog. De strijdende partijen leken er nog een schepje bovenop te doen. We kwamen dragers tekort om de gewonden aan te slepen. Hij lag ertussen. Hij had nog maar één arm. Waar de ander had gezeten, gaapte een gat waaruit een bot stak en haast zwart bloed gulpte, bij iedere hartslag. Dat was niet perse dodelijk. Zijn buikwond wel. De restanten van zijn darmen lagen verspreid over zijn tors, maar bungelden zelfs aan weerszijden van de brancard. Met zijn ene arm deed hij pogingen om ze bijeen te houden. Ik keek de hospik aan, gebaarde een nee, wijdde me al aan de volgende in de rij. Het volgende moment pakte hij me vast.

Zijn hand voelt als een bankschroef. Ik moet me wel naar hem omdraaien. Het tumult is eensklaps verstomd. De wereld wordt een draaikolk, of nee, een wervelstorm. Hij en ik bevinden ons in het oog. Verder is er niets. Waar ben ik? Ik knijp de ogen samen, probeer terug op aarde te komen. Maar hij is overal. Hij is in mij.

Het was de pijn die me weer bij mijn positieven bracht.
“Je doet me zeer, soldaat. Wil je me wel loslaten?!”
Zijn stem leek in een rechtstreekse verbinding met mijn zenuwgestel te staan, net zoals muziek dat soms doet.
“Eerst moet je beloven dat je me redt.”
“Ik zal een priester roepen. Meer kan ik niet voor je doen.”
“Dat kun je wel. Als je er maar in gelooft.”
Hij klonk niet wanhopig. Eerder kalm. Ik keek naar zijn hand om mijn pols, zag het bloed wegtrekken uit de knokkels. Hij verstevigde zijn greep. Waar haalde hij de kracht vandaan? Hij was stervende!
“Goed,” zei ik, of liever, hoorde ik mezelf zeggen, “breng hem naar binnen.”
De hospik schudde het hoofd.

Ondanks de geïmproviseerde kerstboom die de verpleegsters hadden neergezet – een tak met wat keukengerei en stukjes prikkeldraad - heerste binnen de gewone heksenketel. Kreten van pijn vermengd met het geluid van botzagen. Her en der slingerden nog armen en benen, soms met de laars er nog aan. Bloed, overal bloed op de grond, in krankzinnige patronen. Hospikken die gewonden af en aan droegen. Het had wel iets van een bijenkorf, een bijenkorf waar rode honing werd geproduceerd. Ik ruimde een tafel vrij en liet hem erop leggen. Zijn darmen hadden een spoor op de grond getrokken. Ik zocht zijn ogen, zuchtte. Hij had mijn gedachten geraden.
“Denk wat je wilt,” zei hij, “maar ik zweer je dat ik dit lazaret rechtop verlaat.”
“Begin maar met bidden dan,” mompelde de hospik. Ik beduidde hem te zwijgen.

Goddank hadden we die dag ether. Om de haverklap was dat niet zo. Dan zat er niets anders op dan de gewonden een paar slokken rum te geven en een houtje waarop ze hun tanden stuk konden bijten. Ik bracht hem onder verdoving en stelpte eerst het bloeden uit zijn linkerschouder. Omdat er weinig af te binden viel, brandde ik het gat dicht. De rook beet in mijn ogen. Ik gaf opdracht de darmen met een zoutoplossing af te spoelen. Intussen ging ik in de buikholte op zoek naar granaatsplinters.
Er was geen beginnen aan. Hij lag van zijn lies tot aan zijn ribbenkast open. Eigenlijk had hij al dood moeten zijn. Alles wat ik deed, was uitstel van executie. Sterven zou hij, onherroepelijk. Was het niet door het bloedverlies, dan wel door een infectie.

Iemand tikte me op de schouder. Ik keek om. Het was Smith. Hij sloeg ritmisch met een botzaag tegen zijn met bloed besmeurde schort.
“Kerstfeest of geen kerstfeest, Rawlings, maar het is weer ouderwets raak vandaag. Er ligt een rij gewonden buiten, dat wil je niet weten. Wordt het geen tijd je met iets zinnigs bezig te houden? Laten we eerlijk zijn, dit hier” - hij neigde zijn hoofd naar het slagveld op de operatietafel – “is een tamelijk verloren zaak.”
Ik knikte. “Je hebt gelijk. Ik zal hem dichtnaaien.”
“Waarom die moeite doen?” Smith klonk ineens een stuk minder vriendelijk. “Parkeer hem toch buiten, man!”
“Nee! Ik maak dit af. Dat moet ik. Geloof het of niet, maar ik weet waar ik mee bezig ben. Hij is waarschijnlijk gezonden. Eh. Door een hogere macht. Om ons hoop te geven, vermoed ik.”
“Als jij het zegt,” zei Smith, rolde met de ogen en verdween.

Zo goed en kwaad als het ging, propte ik de darmen terug de buikholte in. Bij gebrek aan voldoende huid - hechten ging al helemaal niet - gebruikte ik verband om alles op zijn plaats te houden.
“Dat was dat. Breng hem naar de zaal,” beval ik. De hospik gehoorzaamde schouderophalend.
Ik voelde me drie keer zo zwaar was als anders. Smith had gelijk gehad. Het was verspilling van tijd geweest. Reeds werd de volgende gewonde op de tafel gelegd. Een snelle blik en ik had de botzaag al in mijn handen. Voor de zekerheid amputeerde ik boven de knie, ook al had dat welbeschouwd niet gehoeven. Maar je wist nooit. Gangreen tierde welig in de veldlazaretten.

Zo moet het die dag nog uren door zijn gegaan, amputatie na amputatie na amputatie. Toen mijn dienst er eindelijk op zat, aarzelde ik. Was het niet beter hem te vergeten? Ik vermande me, sloeg het aanbod van Smith af om een borrel te gaan drinken en ging op zoek.

Het steunen van de gewonden hing als een mist in de zaal. Hier en daar bewoog wat onder de dekens, maar de meesten lagen roerloos op hun britsen. Ik zag hem niet en stond al op het punt het buiten te proberen, waar de doden van die dag in een vers gedolven gat lagen en met ongebluste kalk bestrooid waren. Ik voelde geen teleurstelling, eerder gelatenheid. Het kon ook niet anders. Hij had geen schijn van kans gehad, van meet af aan niet. Ik was alleen zo onverstandig geweest om een zinloze operatie te verrichten. En waarom? Omdat ik kennelijk, ondanks de waanzin om me heen, ondanks alles, in sprookjes wilde geloven. Dat besef deed nog het meeste pijn.

“Dokter?”
Zijn stem. Zwak, maar onmiskenbaar. Er ging een rukje door me heen.
“Het is een wonder,” fluisterde ik, “eigenlijk zou je al dood moeten zijn.”
Hij glimlachte flauwtjes. “Zoals ik al zei: ik verlaat dit lazaret rechtop.”
Er ontsnapte een mistroostig lachje door mijn neus. “Onmogelijk.”
“Dat denk je. Maar wat voel je?”
Ik keek hem aan, boos haast. Waarom leefde hij nog, hoe kon dat bestaan?
“Wat ik voel, doet dat terzake? Hoop, dat voel ik. Hoop op beter. Hoop dat dit eens over zal zijn. Hoop... Ach, weet ik veel.”
Ik keek omhoog terwijl ik de tranen voelde opwellen.
“Wil je mijn hand vastpakken?” vroeg hij.
Ik gehoorzaamde. Zijn huid voelde kil aan, als die van een dode. Toch ging, vanuit mijn vingers, schoksgewijs een warme golf door mijn lichaam heen.
“Als jij wilt dat het voorbij gaat, dan is het voorbij,” zei hij. “Als er genoeg mensen zijn die dat hard genoeg willen, dan houdt deze hel op.”
“Geloof je het zelf?”
“Ik geloof het niet alleen, ik weet het.”
Op de achtergrond klonken de kreunen weer en in de verte een ontploffing.
“Wie ben je,” vroeg ik zachtjes, “een engel?”
Er kwam geen antwoord. Zijn ogen waren dichtgevallen. Het onvermijdelijke? Ik schrok, voelde zijn pols. Ongelooflijk, het hart klopte nog. Ik dekte hem voorzichtig toe en verliet de zaal op kousenvoeten.

Op eerste kerstdag weigerde hij nog steeds te sterven. De andere gewonden en de verpleegsters beklaagden zich over de stank die hij verspreidde. Het was waar; zodra je de zaal binnenkwam, nestelde zich een geur in je neus die je de hele dag niet meer kwijtraakte. Het was de lucht van ontbinding. Hij lag levend weg te rotten. Ieder uur moest het verband worden vervangen. Ik kan het nog voor me zien: de ooit witte lappen, geel met groen en zwart, zwaar van al dat pus. De vieze gezichten die de verpleegsters trokken. Eén moest zelfs een keer braken. Haar maaginhoud mengde zich met de plas van een ondefinieerbaar bruin die zich constant om zijn bed vormde. Ik keek ernaar en was tegelijkertijd geen toeschouwer. Elders bevond ik me, God mag weten waar. Volgens de wetten van de logica kon het niet wat ik zag. Maar ik moest het wel geloven. Zag ik wat ik wilde zien?

Om zeker te zijn, vroeg ik Smith om zijn oordeel als arts. Hij had aan een snelle blik genoeg.
“Rawlings,” zuchtte hij, “die soldaat is zo dood als een pier.”
De woede sloeg als een bliksemschicht door mijn lijf.
“Dat is hij niet, hij leeft!” schreeuwde ik.
Smith keek me een paar seconden aan.
“Volgens mij, Rawlings, ben je dringend aan verlof toe. Ik vind het best dat je de verpleegsters nutteloos, mensonterend werk laat verrichten. Maar ik ben ervan overtuigd dat de kolonel daar anders over denkt.”

Hij was niet dood. Nog niet. Dat moest. Als mijn dienst erop zat, haastte ik me telkens naar hem toe, in de hoop dat hij het mysterie kon ontrafelen. Wie was hij toch, hoe kon hij nog leven? Meestal had ik pech en sliep hij als ik me, met mijn duim en wijsvinger om de neus geklemd, aan zijn bed vervoegde. Toch, 's avonds op tweede kerstdag, trof ik hem bij bewustzijn. Zijn bruine ogen hadden niets aan levenskracht verloren. Ze glansden als nooit tevoren. Of was het wondkoorts?
“Heb je iets te eten of te drinken gekregen?” vroeg ik terwijl ik zijn pols voelde. Een regelmatige tachtig. Hij schudde het hoofd.
“Ik weet het,” zei ik, “het heeft geen zin. Je maag is kapot. Alles is kapot. Je had al lang dood moeten zijn. Waarom doe je het niet, sterven?”
“Dat kan ik niet,” antwoordde hij.
“Je kunt het maar beter proberen,” zei ik. Hij bewoog het hoofd heftig heen en weer en deed met zijn wijs- en ringvinger iemand na die liep.
“Ik begrijp het,” zei ik, “zullen we dan maar?”

Daar gingen we. Zeker achteraf dringt zich de vergelijking op met de lamme en de blinde. Wie was wie? Vraagt u het me niet, want ik weet het niet. In 1916 had veel Bijbelse proporties, ook al wilden we dat juist niet zien, ook al geloofden we juist dat God ons in de steek had gelaten en het de Duivel was die vrij spel had. Misschien had Smith gelijk en was alles me gewoon teveel geworden.

Ik had hem in de vodden gestoken waaruit zijn uniform bestond en sleepte hem, zijn enige arm om mijn schouders, met me mee naar buiten. De gewonden die we passeerden, de verpleegsters, Smith en wat hospikken, zij allen keken het spektakel meewarig aan. Ik beet de tanden op elkaar en probeerde de stank niet te ruiken. Het was mijn heilige plicht om dit te doen. Er waren geen redenen voor. Niet in deze wereld.

Eenmaal buiten bevrijdde hij zich uit onze omhelzing. Ik kon mijn ogen niet geloven. Hij stond waarlijk op eigen benen. Nog één keer keek hij me kort aan en knikte. Misschien heb ik de blik heel even opzij of omhoog gewend. Het volgende moment had hij zich opgelost in de nacht. Er was juist een vuurwals gaande. Lichtspoormunitie schreef stippellijnen in de lucht en explosies lieten de aarde rillen.

Nu, tientallen jaren later, is het weer Kerstmis en twijfel ik aan mijn eigen herinneringen. Ik staar naar buiten terwijl de grote staartklok aan de muur mijn tijd op aarde weg tikt. Vanochtend vroeg lag er ineens een laagje sneeuw over de weiden, die de grazende paarden tot fabelwezens maakte omdat het leek of ze zweefden. Wellicht was het met hem net zoiets geweest. Iemand met zulke verwondingen hoort op slag dood te zijn. Had ik daadwerkelijk een engel ontmoet?

De oorlog zou nog twee jaar voortduren. Twee jaar waarin ik nog wel meer dingen heb gezien die een mens niet zou mogen zien. Ik heb het overleefd. Dankzij hem. Als ik, op een dag die niet eens zover meer weg is, mijn laatste adem uitblaas, zal ik met open armen op hem af stappen. Samen wandelen we dan de drempel over. Rechtop.

donderdag, december 02, 2010

Na ons de zondvloed



Tot voor kort begon mijn dag steevast met hetzelfde ritueel: met gevaar voor eigen leven klom ik op het aanrecht, ontkoppelde de afvoer van de combiketel en leegde die in een pan die speciaal voor dat doel klaar stond op het keukenkastje. Die pan moest ik vervolgens met één hand (met de andere hield ik me aan het keukenkastje vast) zien om te keren boven de gootsteen, zonder te morsen (wat maar zelden lukte). Als ik het ritueel achterwege liet dan dreigde lekkage, een koolmonoxidevergiftiging of een combinatie van beide. En dat dan tegen een prijskaartje van ruim 400 Euro in de maand, tel uit je winst.

Vandaag is het zover, 180 woningen die binnenkort gesloopt worden, waaronder de mijne, moeten leeg opgeleverd. Dat was de deal. We mochten er wonen tot ze tegen de vlakte zouden gaan. Daarna was het ieder voor zich en God voor ons allen. De gemeente is nog wel zo attent geweest om containers te plaatsen waarin de bewoners hun grof vuil kwijt kunnen. Maar waarom dat hele eind gesjouwd? Bij de flats aan de overkant zie ik het huisraad regenen. Driezitsbanken, koelkasten, door het raam ermee! En anders gewoon van het balkon! Er ontstaat een merkwaardig ritme wanneer eens in de minuut wel ergens meubilair te pletter stort. Na een paar uur biedt het gazon rond de acht flats de aanblik van een strand na een tsunami. De sneeuw die inmiddels is gaan vallen, bedekt het geheel vergeefs met een laagje poedersuiker. Want het blijft alsof er een neutronenbom is ontploft; de gebouwen staan nog overeind, maar de ingewanden zijn uitgespuugd.

Nee, ik zal de beschimmelde plafonds, de lekkages en het te lage aanrecht niet missen om nog maar te zwijgen over mijn ochtendritueel. Toch breng ik mijn spullen van de derde verdieping gewoon via de trap naar beneden. Als ik bijna klaar ben en voor de hopelijk op drie na laatste keer afdaal, kom ik mijn bovenbuurman tegen.
'Ik ga niet weg,' verklaart hij stellig, 'dan hadden ze maar vervangende woonruimte moeten regelen. We kunnen verdomme nergens anders heen.'
'Nou,' antwoord ik, 'volgens mij gaan ze vanmiddag de boel dicht timmeren. Heb je een goede touwladder?'
Mijn bovenbuurman verschiet van kleur en mompelt dat hij toch maar een aanhangwagen gaat regelen. Hem zal ik trouwens ook niet missen. Dankzij de gehorigheid kon ik intens meegenieten van de dagelijkse ruzies met zijn Spaanse vriendin. Meestal ging het over geld of over haar vier inwonende dochters. Het valt ook niet mee, met zijn zessen in een tweekamerwoning.

Als ik rond het middaguur mijn appartement nog eenmaal wil inspecteren, blijkt de ingang van de flat inderdaad al gebarricadeerd... door de inboedel van mijn bovenbuurman. Sommige vloerdelen onttrekken zelfs een geparkeerde auto gedeeltelijk aan het zicht.
De gemeente laat een shovel uitrukken, er komt een vrachtwagen met een grijper, maar omdat mijn bovenbuurman niet de enige was die de zwaartekracht te hulp heeft geroepen, is er haast geen beginnen aan. Terwijl een grote knuffelbeer langzaam met een laagje sneeuw bedekt raakt, veegt een gemeentewerker de ingang enigszins vrij. 'De dag wordt niet lang zo,' verzucht hij, 'maar het lijkt wel oorlog hier.'

donderdag, juli 01, 2010

Een gratis gesigneerd exemplaar van De Vlucht?


Drukt u op de reageerknop en beantwoordt u de volgende vragen.

1. Hoeveel kilometers krijgen de deelnemers aan de Tour de France dit jaar voor de kiezen?
2. Hoeveel Nederlanders hebben in de gele trui gereden?
3. Hoe heet de hoofdpersoon van De Vlucht?

Onder de inzenders van de goede antwoorden worden na afloop van de Tour tien gesigneerde exemplaren van De Vlucht verloot.

Succes!

Plaats hier de antwoorden.

donderdag, juni 10, 2010

Doorgestoken kaart


Nog belangrijker dan de Tour de France was de Toer-de-broer. Mijn broers en ik kozen van iedere ploeg één renner. Per etappe konden er punten verdiend worden. Het ging er eenvoudig om welke renners er bij de eerste tien zaten. Het eindklassement telde ook als etappe, maar dan dubbel.

In 1996 leken de ploegen van mijn broer Koen en mij als twee druppels water op elkaar. Maar er was een verschil. Bij Telekom had ik voor het zekerheidje Zabel gekozen, Koen had op Riis gegokt, een Deense knecht die het jaar daarvoor schijnbaar bij toeval op het podium was beland.

Het was stuivertje wisselen aan de kop van het klassement van de Toer-de-broer dat jaar. Iedere etappe weer zat ik op het puntje van mijn stoel. Erik Zabel was in een bloedvorm en leek de groene trui voor het grijpen te hebben. Wanneer de sprinters ook maar een klein kansje hadden, zat hij erbij. Bovendien won hij twee etappes, goed voor tweemaal de maximale score van 20 punten! Heerlijk was het dan om Koen een mailtje te sturen, met alleen maar letters z die samen een hele grote Z vormden. Intussen liet ook Bjarne Riis zich niet onbetuigd. In bergetappes stond er geen maat op hem. Al gauw zat het geel vast om zijn schouders. Koen nam wraak en stuurde me een gigantisch mailtje met ‘Riis is een reus!’

Dat was hij waarlijk. In de Alpen en de Pyreneeën geselde de Deen haast sereen een onmenselijk verzet. Hij keek niet eens naar zijn concurrenten, hij negeerde ze uit het wiel.

Al met al had de zege van de knecht Bjarne Riis in de Tour de France van 1996 iets van een jongensboek. Hoe een dubbeltje toch een kwartje werd.

Zabel won trouwens de groene trui. Met overmacht. Maar ja, daar krijg je geen punten voor in de Toer-de-broer. Koen schreef de editie van 1996 met afstand op zijn naam. Het eindklassement telde immers dubbel.

Eigenlijk had mijn jongste broer Lasse moeten winnen, want zijn keuze uit de Telekom-ploeg van 1996 was Jens Heppner en die heeft het gebruik van epo nog niet bekend, in tegenstelling tot Bjarne Riis en Erik Zabel. Gefeliciteerd, bro, met terugwerkende kracht.

In mijn wielerthriller De Vlucht is ook sprake van een wondermiddel, een vorm van doping die niet op te sporen valt. Er is alleen een probleem: dit wondermiddel zit letterlijk en figuurlijk tussen de oren.

Bestellen? Klik hier.


Laat een REACTIE achter.

zaterdag, juni 05, 2010

De vlucht is er!


Nog een paar weken en een kleine 200 coureurs beginnen in Rotterdam aan het hoogtepunt van wielrennen, de Tour de France. Zoals ieder jaar zal ik aan de buis geplakt zitten, zappend tussen de NOS en de BRT. Voorbeschouwingen, de livereportages, samenvattingen, nabeschouwingen, niets sla ik over.

Zijn het de kleuren van de koerstruien, tegen de adembenemende décors van de Pyreneeën, de Alpen en het Centraal Massief die mijn fascinatie veroorzaken? Is het de heroïek, zijn het de bezwete spieren die, om met wijlen Theo Koomen te spreken, als staalkabels gespannen staan tijdens schier onmenselijke beklimmingen? Is het de flirt met de dood in de afdalingen? Zijn het de voorbereidingen op de massasprint, de kwakken die worden uitgedeeld als het peloton met zeventig kilometer per uur en masse op de meet af raast?
Ook. Maar vooral ben ik een Tourjunk vanwege wat niet zichtbaar is, namelijk dat wielrennen de oneerlijkste sport ter wereld is. Doorgaans wint niet de beste, maar degene die het beste vals speelt. Wil je winnen dan moet je, in de woorden van wielerlegende Hennie Kuiper, eerst het bordje van de tegenstander leeg eten.

Stefan van Aert, de hoofdpersoon in mijn wielerthriller De vlucht, is een doorgewinterde knecht. Hij kent alle geschreven en vooral ongeschreven regels van het wielermetier. Tijdens zijn waarschijnlijk laatste Tour bindt hij nog één keer de strijd aan met de demonen in en rond het peloton. Hij zet alles op alles om de Koninginnerit solo te winnen. Zelfs ondergaat hij in het diepste geheim een aantal even mysterieuze als angstaanjagende behandelingen van een Waalse veearts. De muren hebben echter oren en al gauw dreigt Stefan, nog voor er een meter in Frankrijk gefietst is, een pion te worden in een spel tussen hogere machten. Tegen beter weten in zet hij zijn plan door.

Hoe het verhaal afloopt? De vlucht is vanaf nu verkrijgbaar in boekhandels en op Internet. Volgens mijn vader is het mijn beste boek.

dinsdag, juni 01, 2010

Lenteherfst


Er is iets. Ik voel het zodra ik uit bed kom. Er gaat vandaag iets leuks gebeuren.
Maar wat? Vandaag kan helemaal niet leuk worden. Het is ineens herfst, middenin de lente. Bovendien moet ik mijn zoons naar mijn ex brengen, wat neerkomt op vijf-en-een-half uur reizen.

In de trein mopperen Sietse en Bart weer eens dat ik zover weg woon. De wolken kleuren het groen grijs, zie ik door het mitrailleurvuur van druppels heen Wat ben ik voor een vader die dit zijn kinderen aan doet, iedere twee weken? Ik steek het bekende verhaal af – dat ik waar ze wonen geen passend werk kon vinden, dat ik me er ongelukkig voelde. Het maakt geen indruk. Voorbij Eindhoven slaat de verveling om in geklier en moet ik een paar keer politieagent spelen, waar ik een bloedhekel aan heb. Ik begrijp werkelijk niet waar het gevoel vandaan komt dat er vandaag iets leuks te gebeuren staat.

Bij het afscheid, terwijl de regen ons om de oren slaat, komt mijn jongste zoon tot drie keer toe de auto uit om zich aan me vast te klampen. Hij wil dat ik meega. Tenslotte pelt mijn ex hem van me af.
'Ach, jochie,' stamel ik. Dan moet ik heel even heel hard op mijn tanden bijten. Zie je wel? Dit is een kutdag.

Op de terugweg begraaf ik me in het debuut van een vriendin. Het gaat over een mooie vrouw die pal voor haar bruiloft zo'n beetje de liefde van haar leven tegenkomt. Chicklit met een bite. Als die vriendin en ik elkaar spreken, hebben we het vaak over synchroniciteit en de gedachtenvelden van Rupert Sheldrake.
1 + 1 = 3. Zou dat het zijn, zou me een ontmoeting wachten?

De matrone die in Weert schuin tegenover me komt zitten, kan het onmogelijk zijn. Haar tenen lijken op knakworstjes met vuurrode nagellak op de stompjes. Telkens als ze gaat verzitten, laat ze het stof op de vloer met zo'n geweld knarsetanden dat ik opschrik uit mijn boek. Mijn kaartje wordt op de terugweg trouwens nog eens drie keer gecontroleerd. Er staan nu vijf fucking stempels op. Zelfs rustig lezen is me vandaag niet vergund.

Ja hoor, de bus naar huis is twee minuten geleden vertrokken. Met de zondagse dienstregeling betekent dat 28 minuten wachten op een winderig perron. Ik ga nu zelfs het begin van Studio Sport missen. Dat heb ik weer, denk ik huiverend. Er gaat helemaal niets leuks gebeuren vandaag. Sterker nog, deze dag gaat de geschiedenis in als één van de treurigste ooit.

Toch is het gevoel niet weg, eenmaal thuis. Alleen geloof ik er niet meer in. Ik registreer nog slechts. Hoe Basso de Giro wint, hoe fractieleiders alvast willen weten wie het eventueel met wie doet. De wereld is een schouwtoneel, schreef Vondel al, elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel. Niets kan mij nog raken.

Tot de klok tien voor twaalf slaat en het alsnog lente wordt, net zo plotseling als het vandaag ineens herfst was. Dankzij een klik. Uren later ga ik met een vette grijns naar bed. V-day, after all.

woensdag, mei 12, 2010

Stem-wijzer


Misschien is het u ontgaan, maar er zijn verkiezingen op komst. Dus is het weer tijd geworden voor onze traditionele stemwijzer.

Ten eerste moet u zichzelf afvragen waarom u überhaupt stemt. Doet u dat met het algemeen welzijn van de Nederlandse bevolking in het achterhoofd of heeft u louter het eigenbelang voor ogen?
Het is belangrijk om goed over deze vraag na te denken. Immers, je kunt op papier wel voor integratie zijn en zo, maar wat nou als er een Turkse familie bij u in de straat komt wonen? Daar gaat mogelijk uw overwaarde, terwijl u verdorie net een serre aan het huis wilde bouwen! Wat voelt u echt als men aan de hypotheekrenteaftrek tornt, kortom, wat kiest u als puntje bij paaltje komt?
Voor mensen die zo eerlijk zijn om op dit moment toe te geven dat ze met hun portemonnee denken: hen verwijzen we door naar de VVD, de partij bij uitstek voor mensen die wel willen spelen, maar liever niet willen delen.

Tweede vraag: gelooft u dat de Bijbel, op zich een boek, een gewoon boek dat tweeduizend jaar geleden geschreven is, vandaag de dag nog gebruikt kan worden om over belangrijke zaken te beslissen?
Zo ja, vervoegt u zich bij de kleine Christelijke partijen. Er zijn er nog twee, geloof ik. Geen idee waar het verschil in zit, hoe mediageniek die Rouvoet zich ook gedraagt. Trek als vrouw voor de zekerheid geen lange broek aan en zet de tv op zolder, voor het geval dat de ouderlingen een razzia houden. Dan zit je er snor tot de ultieme verkiezing: het Laatste Oordeel.

Stelling drie: u vindt Nederland te vol en het ligt aan de buitenlanders, want die verdommen het om zich aan te passen.
Bent u het hiermee eens en denkt u hoe dan ook uitsluitend in zwartwit-termen, stemt u dan op engerds die populisme met politiek verwarren.

Wie hebben we nu nog over? De idealisten en de pragmatici.
Aan hen de vraag: houdt u van puzzelen? Een stem op Cohen kan zo maar een stem betekenen op het zevende kabinet Balkenende of opnieuw een paarse coalitie. Pechtold dan? Ook hij zal met de PvdA, het CDA en/of de VVD in zee moeten. Valt uw keuze daarentegen massaal op Groen Links of de SP, kan er een impasse ontstaan en groeien de kansen op een rechts (minderheids)kabinet, eventueel ook weer onder leiding van JP.

Je zou bijna zeggen dat er maar een enkele optie overblijft: de Partij voor de Dieren. Dat hoort u mij echter niet beweren. Ik zou zeggen: laat niet alleen uw hart spreken op 9 juni, gebruikt u alstublieft ook uw verstand.