Twitter

Follow Ep_Meijer on Twitter
Posts tonen met het label groeten uit de goot. Alle posts tonen
Posts tonen met het label groeten uit de goot. Alle posts tonen

dinsdag, november 06, 2007

Sic

Ineens is hij terug, de slang die in zijn eigen staart bijt.

Van alles neem ik me voor, iedere dag weer. Maar ik ben zo moe dat het lijkt alsof er gewichten aan mijn gewrichten zitten. Het lukt me maar niet om mijn bed uit te komen. Slapen, wil ik, in Godsnaam slapen. Ik heb dit eerder meegemaakt. Ik heb me er zelfs voor laten onderzoeken. De ziekte van Pfeiffer, dacht ik. Nee, dus. Er werd niets gevonden in mijn bloed. Het moet welhaast tussen de oren zitten.

Klopt. De werkelijkheid is me gewoon teveel. Omdat ik het denken niet kan stoppen. Ik zie, ik zie, wat u niet ziet en het is… Paarsachtig blauw met oranje stippen, maar dat houdt dan altijd wel weer verband met iets. Gedachten hebben immers vertakkingen. Voor je het weet, ontstaat er een heelal aan mogelijkheden. Ik verlies me er regelmatig in en het overtreft de Efteling, kan ik u vertellen.

Feit: Welk dienstverband ik ook aanga, vroeg of laat eist mijn geest de vrijheid en brand ik op. Omdat de verveling toeslaat. Omdat ik vanavond AFTh de AKO-literatuurprijs heb zien winnen en ik zin heb om een roman te schrijven die over twee jaar een kans maakt.

Dat inzicht maakt de vermoeidheid er niet minder op. Het wordt zelfs nog erger. Immers, ik dacht dat ik een station verder was. If you can’t beat them, join them. Gewoon op mijn eigen malle manier meedoen aan het krankzinnige gezelschapsspel dat het leven in het zogenaamd vrije westen is. Verzet is zinloos. Ik moet mijn eigen broek op zien te houden. Het schrijversschap in de koelkast. Een inkomen verdienen. Het maakt niet uit hoe. Daar gaat het om.

Toch verbeeld ik me de vermoeidheid niet.

Waarmee de slang zich op zijn eigen staart af beweegt, ik weet het.

Morgen sta ik om 8 uur op in verband met de lucratieve schrijfklus. Ik ben gek dat ik dit stukje schrijf, gezien het tijdstip en mijn chronische behoefte aan slaap.

Het moe(s)t gebeuren.

dinsdag, juli 10, 2007

I shouldn't be alive

Met een half oog kijk ik naar de tv. Eigenlijk wacht ik tot La van Dongen klaar is op MSN en het mijn beurt is op de PC. Discovery Channel zendt een aflevering uit van de serie I shouldn’t be alive. Ditmaal gaat het over een echtpaar met een baby, dat in de winter verdwaald raakte in de bergen. Een survival-expert legt tussen de bedrijven door uit hoe je kunt overleven in de sneeuw, bij barre vorst.

Na de documentaire steek ik mijn hoofd om de hoek van de computerkamer. La van Dongen heeft net haar tweede fles wijn soldaat gemaakt en ze moppert op me. Wat heeft ze nou aan een huisgenoot die geen geld in brengt? Ook, foetert ze met dubbele tong, mag ik wel eens uit mezelf de stofzuiger pakken. Ik beloof beterschap en ga maar naar bed.

Voor mijn gevoel een minuut later staat La van Dongen plotseling in de slaapkamer. Ik moet haar huis uit en wel meteen, tiert ze en ze voegt de daad bij het woord door mijn schamele bezittingen de trap af te gooien. Ik schiet snel een spijkerbroek en een T-shirt aan en probeer te redden wat er te redden valt. Eenmaal beneden ontdek ik dat mijn huisgenoot in de tussentijd ook nog eens vier halve liters bier achterover heeft geslagen.
‘Laat me nog één nacht hier slapen,’ smeek ik, ‘morgen ga ik dan weg.’
Maar er heeft een demon bezit genomen van La van Dongen. Vervaarlijk zwaaiend met een groot keukenmes dringt ze me naar de voordeur.
‘Wat ben je aan het doen?!’ schreeuw ik, ‘gebruik je verstand!’
Niets helpt. Met haar vrije hand slaat ze me op het hoofd. De tweede keer raakt ze een oog en zie ik sterretjes.

Het volgende moment sta ik op straat, op mijn blote voeten. De kerkklok slaat juist drie uur. Gelukkig heeft La van Dongen ook wat koffers met kleren achter me aan gesmeten. Maar mijn telefoon, mijn shag en mijn noodbook liggen nog binnen. Ik moet de volgende dag afwachten, besluit ik en installeer me met mijn koffers in de schuur, achterin de tuin. Ik vind een stoelovertrek, gebruik een trui als kussen, maar als ik lig blijf ik het koud hebben. Dan herinner ik me één van de lessen uit de documentaire van eerder op de avond. Ik moet mijn nieren zien te beschermen. In één van mijn koffers vind ik een pulli en die bind ik om mijn onderrug. Een aangename golf van warmte rolt door mijn lijf en ik val zowaar in slaap.

vrijdag, juni 29, 2007

Partir c'est vivre un peu

Mijn huisbaas had de gewoonte mijn naam door het trapgat te schallen als hij me wilde aanspreken op mijn huurachterstand. Als ik niet direct tevoorschijn kwam, ging hij een paar treden omhoog en zette nog een tandje bij qua volume. Ook al was ik in gesprek of met andere dringende dingen bezig, ik zorgde er altijd voor dat hij nooit verder dan halverwege de trap naar mijn slagzij makende zolderetage geraakte.
‘Ep!’
Alsof je naar adem hapt. De laatste weken leek mijn huisbaas dat meer en meer te doen. Met een rood aangelopen hoofd trok hij telkens een blik met verwensingen open. Hij eiste dat ik naar het CWI ging om er een uitkering aan te vragen, die dan rechtstreeks op zijn rekening moest worden bijgeschreven. Meestal antwoordde ik dat ik alle begrip had voor zijn woede, maar dat ik het op eigen kracht ging redden, met mijn pen, dat ik de huur misschien niet altijd stipt op de eerste van de maand kon overleggen, maar dat ik wel zou betalen, wat er ook gebeurde. Dat had ik de voorgaande zestien maanden toch ook gedaan?

Vorige week ging het weer precies zo, zij het dat hij ditmaal helemaal door het lint ging.
‘Als je per 1 juli niet bij bent met de huur, verander ik het slot op de deur en zet ik al je spullen op straat.’
‘Dat recht heb je niet eens,’ probeerde ik nog, ‘ik loop maar een maand achter. En als je de borg meerekent, staan we zelfs quitte.’
‘Ik geloof er niet meer in,’ fulmineerde hij, ‘je zit daar maar een beetje op je spijker.’
‘Ik schrijf,’ zei ik. ‘Er is net weer een nieuw boek uit, over de Tour de France, niet geheel ontoepasselijk heet het De vlucht.’
‘Ja, maar wat levert dat op? Het wordt nooit iets met jou. 1 juli betaal je me de achterstallige huur plus de huur van juli. Anders is het Schluss.’
Ik moest denken aan de 120 uur die ik in zijn andere huis had geklust. Volgens afspraak bedroeg het uurloon 8 Euro, maar toen het op verrekenen aankwam, kreeg ik de helft, want ik had mijn werk zogenaamd niet goed gedaan.
‘Dan ga ik weg,’ flapte ik eruit, ‘want ik ben geen lijfeigene.’
‘Denk maar niet dat ik je laat gaan,’ dreigde hij, ‘eerst betalen.’

Ik weet niet hoe vaak mijn naam vandaag door het trapgat heeft geschald. Ik gok een keer of vier. Daarna zal mijn huisbaas, gealarmeerd door de stilte, de trap waarschijnlijk helemaal bestegen hebben. Vervolgens moet de leegte van de slagzij makende zolderetage hem hebben aangegaapt, want ik woon er niet meer. Wat jammer dat ik zijn gezicht niet heb kunnen zien.

dinsdag, juni 26, 2007

Snel geld verdienen?

Het is grappig om te doen, zelf een boek uitgeven. Binnen een paar uur is het gepiept. Da’s wennen als je de grachtengordel gewend bent, waar het minimaal een jaar duurt, tenzij je Herman Brusselmans heet.

Daar staat het dan, in je eigen etalage: je boek!

Duizenden mensen hebben er de lol van ingezien en zetten hun gedichten, dagboekfragmenten, verhalen, romans, romanreeksen en wat dies meer zij in de wondere winkel van Lulu.

Zoals ik al zei: grappig. Maar zoals u weet is het mij ernst. Een boek kopen op Lulu heeft zijn beperkingen. Je moet een credit card hebben of een rekening bij paypal.

Om de drempel wat te verlagen, heb ik een plan bedacht. U kunt er zelfs aan verdienen.

Hoe het in zijn werk gaat? Heel eenvoudig. U gaat naar Lulu en bestelt tien exemplaren van De vlucht. Vervolgens probeert u die in consignatie bij uw plaatselijke boekhandel te verkopen. Nu zal de winkelier in kwestie waarschijnlijk een kleine commissie eisen. 20 procent is gebruikelijk, wat in het geval van De vlucht neerkomt op € 2,68. Daar staat tegenover dat het u vrij staat om de verkoopprijs te bepalen. Als u er € 15 voor wilt beuren, be my guest.
Intussen doe ik mijn best om publiciteit te genereren voor De vlucht. Afgelopen zaterdag was ik al bij Cappuccino op radio 2 in de uitzending en onder andere de heer Mart Smeets krijgt een exemplaar cadeau.

Dan nog lijkt sprake van oplichting. Immers, u zelf heeft € 13,39 plus verzendkosten voor het boekje betaald!

Let op, nu komt het.

Als u mij kunt bewijzen dat die tien exemplaren van De vlucht daadwerkelijk over de toonbank zijn gegaan bij de plaatselijke boekhandel, maak ik € 45 aan u over.

Stel, u verkoopt De vlucht voor € 11 per exemplaar aan de boekhandel (€ 13,50 minus € 2,50 commissie). Opgeteld € 110. Voeg daarbij mijn € 45 en u komt op een totaal van € 155. Uw investering: 10 x € 13,39 plus € 9,37 aan verzendkosten, maakt samen € 143,27. Uw winst: € 11,63.

Nou, wat dacht u ervan, deal?

zondag, juni 24, 2007

Mijn engelbewaarder

Als de trein Utrecht Centraal nadert, neem ik geen enkel risico. Ik laat de mannetjes hun trui aantrekken en dirigeer ze naar de uitgang.
We zijn niet de enigen die met marge willen overstappen. Het nauwe compartiment stroomt vol.
‘Wij zijn op weg naar de studio in Hilversum,’ verheft mijn oudste zoon Sietse zijn stem, ‘want mijn vader komt op de radio.’
Bijna negen jaar oud is het mannetje. Ik voel ontroering en schaamte, maar ook trots. Wat maakt het ook uit? Ik wijs net als de voetballer Kezman met mijn duimen op de denkbeeldige naam op de achterkant van mijn shirt.
‘Mijn vader is een schrijver,’ vervolgt Sietse. ‘Nu heeft hij een boek over de Tour de France geschreven en daar gaat hij zo meteen over praten.’
‘Ik denk erover om gewoon een sandwichbord om zijn nek te hangen,’ deel ik de menigte mee en aai Sietse over zijn bol. Iedereen glimlacht ons toe. Bij het uitstappen wenst een vrouw me succes. Plezier, zal ze bedoelen.

Als het mijn beurt is in de uitzending hebben de dames van de redactie mijn jongste zoon Bart uit voorzorg naar een andere ruimte ontvoerd. Waar Sietse is, weet ik niet, maar ook hij is ongetwijfeld in goede handen.

Het gaat lekker. Dankzij de mannetjes ben ik al de hele dag afgeleid en is er geen spoor van zenuwen. Of ik zin heb in de Tour, heeft Sjors Fröhlich gevraagd. Dat is een inkoppertje. Halverwege mijn antwoord zie ik uit een ooghoek hoe Sietse naast me aan tafel plaats neemt. Hij houdt zijn lippen stijf op elkaar, wat zeldzaam is. Wel tikt hij met iets op het tafelblad, zachtjes, in een onregelmatig ritme. De presentator merkt het ook op, zie ik, en lijkt even verwonderd als ik.

Dan is het zover. Sjors beëindigt het gesprek, maar ik biets er nog snel een paar seconden zendtijd bij door te vertellen dat De vlucht alleen op Internet te koop is. Daarna zitten mijn seconds of fame er echt op. Maestro, muziek! Sjors Fröhlich staat op van zijn plek en mijn oudste zoon en ik doen een high five.
‘Yes!’ roepen we in koor, terwijl de palm van mijn rechterhand brandt. Sietse moet dat ook hebben, maar hij grijnst net als ik van oor tot oor.

vrijdag, juni 22, 2007

Cappuccino

Morgenochtend om 20 over 11 zit ik tegenover Sjors Fröhlich om live op Radio 2 over mijn whiller (literaire wielerthriller) te praten. Vorig jaar om deze tijd heb ik er ook gezeten, in verband met De regels. Ik weet dus een beetje wat me te wachten staat.

Volgens cijfers van de NCRV zelf trekt het radioprogramma Cappuccino een miljoen luisteraars. Ook als dat er in werkelijkheid slechts 400.000 zijn, dan nog moet je juist niet aan ze denken als Sjors je naar de tafel wenkt. De knieën knikken toch al.

Gelukkig mitrailleert hij de vragen op je af zodra je goed en wel zit. Er is geen tijd om na te denken over de antwoorden. Er moet vaart in het gesprek blijven, vindt Sjors en valt je al vakkundig in de rede als je een volzin dreigt uit te spreken.

De vorige keer duurde het interview zo’n zeven minuten, terwijl er voor mijn gevoel slechts een minuut of twee voorbij waren gegaan. Een roes, anders kan ik het niet beschrijven. Pas thuis, toen ik de uitzending beluisterde, herinnerde ik me wat ik gezegd had. Ondanks of misschien juist dankzij het pingpongen van Sjors bleek ik mijn verhaal aardig over de bühne te hebben gebracht.

Of het morgen weer zo gaat? Er is een belangrijk verschil met vorig jaar. Ditmaal neem ik de mannetjes mee naar de studio. Hilversum zal nooit meer zijn wat het geweest is. Sietse van 8 zal zich ongetwijfeld weten te gedragen. Bart van 4 acht ik echter in staat om de uitzending eigenhandig op stelten te zetten.

Veel luisterplezier, zou ik zo zeggen.


(Hier een lijst met de frequenties van Radio 2)

woensdag, maart 28, 2007

Snert

Het is weer zover. Saldo ontoereikend. Er zit nog 85 cent in mijn portemonnee. Verder heb ik nog voor 50 cent statiegeld in huis. Veel te weinig voor een pakje shag. Dus ben ik overgegaan op de noodvoorraad, gortdroog gruis uit bijna lege builen die ik voor de zekerheid bewaard heb.

Vier pakjes noedelsoep kan ik voor die € 1,35 in huis halen. Maar dat staat al sinds zondag op het menu. Bovendien werd ik vannacht wakker van de kramp in mijn darmen. Het waterige gevolg verdiende de naam diarree niet eens. Er moet iets voedzamers in dan noedelsoep, wil de motor blijven draaien. Maar wat koop je vandaag de dag nog voor € 1,35?

Intussen breng ik mijn financiële horizon in kaart. Binnen vier werkdagen moet ik met € 100 over de brug zien te komen vanwege een snelheidsovertreding met 4 kilometer per uur, drie jaar geleden. Anders hangt me vervangende hechtenis boven het hoofd. Nog twee andere deurwaarders dreigen binnenkort mijn toch al schamele bezittingen in beslag te nemen in verband met schulden uit 2004.

Gelukkig zijn er lichtpuntjes.

Vorige week heb ik een restnota verstuurd aan een klant ad ruim € 130, met het verzoek het bedrag zo spoedig mogelijk over te maken. De klant in kwestie is echter net zo’n kleine zelfstandige als ik en hult zich in stilzwijgen.

Dankzij het feit dat er sommige mensen zo aardig zijn om in ruil voor al dat gratis leesgenot te klikken op de advertenties alhier, ben ik minder dan 10 dollar verwijderd van mijn eerste cheque van 100 dollar van Google. Met een beetje mazzel heb ik hem eind april in huis. Verder heb ik nog wat schrijfopdrachten in portefeuille, à raison van € 600. Dan zijn er de huur- en de zorgtoeslag nog, die rond de 20-ste worden bijgeschreven.

Buiten is het 16 graden Celsius als ik in een keukenkast een blik met extra gevulde erwtensoep ontdek.

Er is nog hoop.

woensdag, maart 07, 2007

Zen zonder zijwieltjes

Het heeft zijn voordelen om gescheiden vader te zijn, maar de nadelen zijn ook niet mals.

Zo wordt er met de voedseldistributie in dit land totaal geen rekening mee gehouden dat een eenpersoonshuishouden anderhalve dag per week in omvang verdrievoudigt. Een pak mihoen bijvoorbeeld is verkrijgbaar in verpakkingen van 250 gram en van een kilo. Een tussenweg bestaat niet. Die 250 gram zijn te weinig voor de mannetjes en mij, maar als ik voor dat kilo kies, zit ik dus minstens drie dagen achter elkaar mihoen te eten. Frisdrank en vruchtensap, zelfde verhaal. Aan één pak per persoon hebben de mannetjes niet genoeg. Aangezien we niet dezelfde smaak hebben, is het iedere zondag prijs: ik kan weer zo’n anderhalve liter frisdrank en vruchtensap door de afvoer spoelen.

Nu zult u zeggen: koop dan van die handige portiepakjes! Nou, die handige portiepakjes zijn leuk als je ze kunt betalen. Voor drie pakjes Appelsientje van 200 milliliter elk dok je exact 2,22467 keer zoveel als voor een literpak sinaasappelsap van het huismerk. Ik ben wel goed, maar niet gek.

Dat alles is nog tot daaraan toe. Het ergste van gescheiden vader zijn is dat je weekendpapa bent. Het doordeweekse leven van mijn zoons ontgaat me bijna volledig. Op mijn slagzij makende zolderetage zijn ze nauwelijks bereid om over thuis of school te praten. Logisch, ze zijn er juist even uit.

Gelukkig heb ik Bart nog wel zijn eerste stapjes zien maken, maar dat hij ineens zonder zijwieltjes kan fietsen heb ik moeten missen. Vandaag stuurde mijn ex er foto’s van op. Als een veldheer zit mijn jongste op de Loekie-fiets terwijl hij inderdaad zonder zijwieltjes op de camera af snelt.
‘Kijk,’ lijkt hij te roepen, ‘hoe stoer ik ben!’

Bart heeft de balans ontdekt. Fietsen is vliegen. Je moet je eraan over geven, dan word je het de baas.

Met het vergrootglas van de Windows-viewer haal ik het beeld zo dichtbij dat Barts grijnzende gestalte bijna heel het scherm omvat. Mijn ogen vullen zich met tranen. Het doet verrotte zeer dat ik er niet bij kon zijn, maar wat ben ik trots.

Stop de persen, mijn jongste zoon kan zonder zijwieltjes!

vrijdag, november 17, 2006

Vitamine L

Je zou bijna vergeten dat dit weblog als een real life soap begonnen is. Hele trouwe lezers zullen zich bijvoorbeeld afvragen hoe het met Natasja is. Dat weet je dus nooit met haar. De laatste keer dat ik La van Dongen zag was afgelopen zaterdagavond, toen ze een vriendje kwam voorstellen op mijn slagzij makende zolderetage. Dat doet ze altijd als het voor haar gevoel serieus dreigt te worden. Zelfs de mannetjes zijn er al aan gewend.
‘Hé, vriendje van Natasja!’ riep Sietse op een gegeven moment.
‘Hij heet Bert,’ zei ik nog.
Bert was glad van de tongriem gesneden, maar hij rookte niet en dus stonden Natasja en ik de keuken blauw te walmen. Ik vond haar gespannen en dat klopte wel, gaf ze toe en ze somde allerlei redenen op: mot met haar ouders, omdat ze haar baan had opgezegd, haar opa over wiens gezondheid ze zich zorgen maakte, de oorontsteking die Cindy, één van haar twee honden, had opgelopen. Kon ze maar naar Rome! Daar zou alles beter zijn.
‘Je moet je niet blindstaren op een stad,’ merkte ik op, ‘ook dromen worden vanzelf sleur.’
Nou, Natasja wilde echt weg, als ik dat maar wist. Weg van haar ouders, weg van haar exen, weg van alles. Anders maakte ze er een einde aan. En ik was toch bereid om op haar huis te passen?
'Nou dan.'
‘Vluchten helpt niet,’ zuchtte ik, 'je kunt niet voor jezelf weglopen.'
Intussen was het met nog geen woord over het artikel in de Telegraaf van die zaterdag gegaan, dat waar ik vol van was natuurlijk. Natasja wilde gewoon aandacht, schoot me te binnen, net als iedereen. Vitamine L. Ik gaf haar een knuffel, maar ze voelde als een ijspegel. In een flits werd ik me bewust van de wanhoop, niet alleen die van mezelf, maar ook die van Natasja en alle andere mensen zoals zij en ik, de rondjes die door vierkante gaatjes moesten worden gepropt, de pijn die dat deed. Hoe ik net als Natasja op een wonder hoopte, hoe dat wonder ineens een stuk dichterbij was gekomen dankzij het artikel in de Telegraaf. Hoe ongrijpbaar dat wonder desondanks bleef.
‘Weet je?’ vroeg ik, ‘het gaat om het hier en nu.’
‘Ja, weet ich,’ beet Natasja me in het Limburgs toe, ‘maar dat hier en noe is kut!’
‘Het is wat je ervan maakt,’ zei ik zacht, maar op dat moment kwam Bart de keuken in gestormd.
‘Sietse heeft alweer van Bert gewonnen met Star Wars-racers!’ juichte hij.
Dat verbaasde me niets.

zaterdag, november 11, 2006

Een warm bad

Geen gewone zaterdag, dit. Hij begon met een klusje: plafonds en muren witten in het andere huis van mijn huurbaas. Rond het middaguur was ik klaar. Onder de witte spikkels scoorde ik een Telegraaf. Had wel wat, zo’n krant onder mijn oksel, terwijl ik over de winkelstraten naar huis veerde, want gewoon lopen was er al niet meer bij sinds ik zeker wist dat het de elfde van de elfde ging gebeuren, uitgerekend de narrendag. Op mijn slagzij makende zolderetage kostte het me niet veel moeite om mezelf te vinden in de wirwar van de zaterdagkrant. Om in vakjargon te spreken neem ik er een recordaantal millimeters in beslag. Zo bont heb ik het dus nog niet weten te maken. Ik ben een paar keer op de radio geweest, de Limburger heeft ruim aandacht aan me besteed. Maar dit slaat alles. Om verlegen van te worden. Intussen wist mijn arme website niet wat hem overkwam. Honderden bezoekers kwamen vandaag langs. Sommigen lieten berichtjes achter: met complimentjes, uitnodigingen, blijken van zielsverwantschap. Als ik het goed begrijp, ligt er op mijn leeftijd zelfs nog een carrière als filmster in het verschiet. Ik hoef maar een mailtje naar filmpjes.nl te sturen en ik krijg er misschien een kanaal, wat dat ook te betekenen heeft. Eh, mag ik tevens de regie doen? Tussen de bedrijven met mijn mannetjes door belde ook mijn moep (mijn moeder) op. Juichend wilde ze even kwijt hoe leuk ze het verhaal vond. En ik kreeg nog meer fijne telefoontjes en emailtjes. Hartverwarmend en ontzettend leuk om mee te maken. Mijn dank aan allen.
Maar nu komt het er dus op aan. Nu gaat het erom de bezoekers vast te houden. Sterker nog, de inktvlek moet zich uitbreiden, zodat de uitgevers in de rij staan voor de literaire wielerthriller die ik op de plank heb liggen, zodat ik kan blijven schrijven.
Alle gekheid op een stokje. Ik wil u hier en nu een belofte doen: ik ga er mijn stinkende best voor doen om u aan deze site verslaafd te maken. Laat mij uw dagelijkse shot heroïne zijn. Als u het een tikkeltje anders wilt – meer seks bijvoorbeeld of meer actualiteit – laat u het me dan weten. Internet is per slot van rekening een interactief gebeuren. U vraagt, wij draaien. Maar nu even niet. Want nu ga ik nagenieten, met uw welnemen.

donderdag, november 09, 2006

Martelgang

De arena van wolken op de horizon slinkt zienderogen, terwijl de laagstaande zon de auto’s blingt die in de verte op de A-2 in de file staan. Er lijkt een laagje zilverpapier te liggen op de sloten die de trein iedere honderd meter passeert. Ertussen nog verrassend groene weilanden met toefjes bruin van grazende paarden. In geen velden of wegen koeien te zien, die het beeld compleet hadden kunnen maken met hun bonte verschijning. Staan die beesten al op stal? Niet dat ik me echt over hun lot druk maak. Ik ben namelijk niet meer in staat om me over iets druk te maken. In de afgelopen uren ben ik gebombardeerd met informatie. Nu kan er niets meer bij en staar ik maar wat uit het raam.
Het is een feit: ik heb mijn rentree gemaakt in de wereld van de pakmannen, de wereld van de snelle consultants, waar je in een uur twee keer zoveel kunt verdienen als een poetsvrouw in een hele dag. Onwillekeurig dwalen mijn gedachten af naar één van de laatste keren dat ik in de trein zat. Het was de tweede tropische dag van de zomer. Ik was, in pak en met mijn molières aan, expres vroeg uit Roermond vertrokken, zodat ik in Eindhoven ruim een uur zou hebben om naar het call center te lopen, waar me een sollicitatiegesprek wachtte. Zo zou ik mooi wat strippen sparen en kon ik me tijdens de wandeling in alle rust voorbereiden. Normaal is mijn richtinggevoel feilloos. Na een korte blik op de stadskaart koos ik een winkelstraat richting het zuiden. Ik moest op de ringweg zien te komen. Dan nog een stukje naar rechts en ik was er.
Wat ik dacht? Niet zoveel. Ja, dat 7 Euro 85 bruto per uur een wel heel schamele beloning was voor zo’n hondenbaan. Dat ik er geen zin in had, maar dat er geen andere keuze bestond. Ik moest gewoon inkomen hebben, anders ging het mis. Daarom ook deed ik de gekste dingen. Zo had ik vier dagen voordien werkschoenen aangeschaft à raison van 25 Euro, want ik moest een ochtend proefdraaien in een fabriek, waar ik dankzij de ploegentoeslag maar liefst 9 Euro 46 bruto per uur kon gaan verdienen. Schoenen met stalen punten waren er verplicht. Helaas viel de keuze op een jongen van in de twintig en werd er uiteindelijk welgeteld 8 Euro 57 op mijn rekening bijgeschreven.
Na een half uur in het Eindhovense begon ik me lichtelijk zorgen te maken. Waar bleef de ringweg? Bij een pompstation keek ik opnieuw op de kaart. Kilometers was ik uit koers. Met een beetje pech ging ik nog te laat komen, het ergste wat je fout kunt doen in een call center. Melden dat ik verlaat was ging niet, want ik had natuurlijk weer eens geen beltegoed. Ik zette er de sokken in en al gauw kleurde het lichtgrijze T-shirt dat ik aan had hier en daar donker. Het was een martelgang. Zwetend als een otter en zoals later bleek met blaren op bijna al mijn tenen, meldde ik me 12 minuten en 42 seconden te laat aan de balie. Lang verhaal kort, dat werd dus niets. Op de terugweg heb ik nog tien minuten bij een bushalte staan wachten voor ik ontdekte dat die buiten gebruik was. Zo schoot het niet op. Toen en daar besloot ik dat ik het toch echt van mijn pen moest hebben.

dinsdag, november 07, 2006

Vrije val

Shit happens. Ik ben vergeten mijn opladertje mee te nemen, zodat ik niet meer gebeld kan worden. Dat maakt de stilte van Samploy nog verpletterender. Het is al een hele gebeurtenis wanneer er een auto voorbij komt rijden. Maar dan hoor ik er één stoppen, terwijl ik juist bezig ben om de sigarettenpeuken van de afgelopen dagen, die ik met vooruitziende blik heb bewaard, te recyclen. De bel gaat en de honden slaan aan. Met zwarte vingers doe ik open. Natasja en een man die zich voorstelt als Jim staan voor de deur. Ze hadden toch een eerdere vlucht kunnen nemen. Er hangt een onzichtbaar scherm tussen de twee, merk ik meteen. Ze vermijden elkaars ogen en vooral Natasja houdt ijzig afstand. Ik bied aan koffie voor ze te zetten, maar dat is aan dovemansoren gericht.
‘Hij wilde verdomme alleen maar met me naar bed,’ vloekt Natasja, als Jim even naar de wc is. ‘Hij heeft helemaal geen werk voor me. Kutzooi!’
Terug van het toilet wil Jim, net als ik een kop kleiner dan Natasja, maar dan nog kalend ook, me wel naar huis brengen. Ik kijk een laatste keer naar de nog steeds volle vrieskist, durf niet te vragen of ik er iets uit mee mag nemen en pak mijn spullen.

Onderweg vis ik naar Jims versie van het verhaal.
‘Tja,’ legt hij uit, ‘ik heb ook tegen Natasja gezegd dat ik haar niet echt iets te bieden heb. Op termijn misschien, ja. Dit weekend was alleen maar een opwarmertje. Echt stom dat ze haar baan bij UPC heeft opgezegd.’
‘Wat?!’ vraag ik.
‘Ze kon niet vrij krijgen of zoiets,’ antwoordt Jim, ‘dus heeft ze gewoon ontslag genomen. En nu krijg ik de schuld.’
Ik schud het hoofd. Nog zo één die zonder parachute springt, denk ik, misschien is het besmettelijk.

Pff. Nu zit ik dus weer op mijn slagzij makende zolderetage, waar de ademhaling van de stad als een permanent soort ruis hoorbaar is en waar de koelkast me, op een aangebroken pak keiharde ovenbroodjes na, leeg aangaapt. Waarom brandt het lampje eigenlijk nog? Het voelt alsof ik een reis door de tijd heb gemaakt. De Brandende Pen is ook al aan mijn neus voorbij gegaan, ontdek ik op Internet. Ene Martin Pietersen, een publicist uit Arnhem, is de gelukkige. Van harte, Martin. Nu is mijn hoop gevestigd op de verhalenwedstrijd van de Brakke Hond, waaraan ik al jaren vergeefs meedoe, want er wint altijd een Vlaming. Maar ja, die 1250 Euro die op het spel staan, hè?

Hole in thirteen

De bal ligt in het midden van de fairway. Naar de green is het zo’n 260 meter. Probleem: er ligt een waterpartij tussen. Bovendien loopt de green af. Als de bal te kort is, rolt hij zo terug de vijver in. Kassa, één strafslag. Wat doe je dus, als je gedeeld eerste ligt op de laatste hole van het open Amerikaanse Golfkampioenschap, één van de vier belangrijkste toernooien ter wereld? Juist, je legt de bal, zoals dat heet, op. Je pakt een wedge en plaatst de bal pal voor het water, zodat je na de volgende slag misschien nog voor een birdie kunt gaan.
Zo niet de verlopen golfleraar met de bijnaam Tin Cup uit de gelijknamige film. Net als de voorgaande drie dagen pakt hij een houten club en gaat hij rechtstreeks voor de green. Als het hem lukt, zal hij geschiedenis schrijven en de eerste amateur zijn die een Grand Slam-toernooi wint. In één klap zal hij de misère van de afgelopen jaren achter zich kunnen laten. Het publiek houdt de adem in en ook de tv-commentatoren zwijgen als het balletje aan zijn klim begint. Pas boven de green zet het de daling in en landt op een halve meter van de vlag. Even blijft het liggen. Er gaan al wat juichkreten op. Dan rolt de bal treiterend langzaam de vijver in, terwijl de toeschouwers alleen nog maar tot het uitstoten van klinkers in staat zijn.
Tin Cup kan nu nog steeds een par halen. Hij moet gewoon opleggen, klaar. Maar nee. Met dezelfde houten club slaat hij de bal nu in één keer het water in. Tot verbijstering van alles en iedereen vergooit hij zijn kansen op een topklassering volledig en gaat hij net zolang door tot het hem wel lukt de bal in één keer op de green te krijgen. Alleen zijn vriendinnetje ziet er de humor van in. Ik ook. Ik ben namelijk al zeven jaar met precies hetzelfde bezig. Het maakt me niet uit dat ik mijn status als communicatie-adviseur ben kwijtgeraakt, het zal me worst zijn dat ik geen yuppenhut meer bezit, anderen mogen me een loser vinden of een schooier, jammer dan dat het op bamisoep en buktabak moet. Maar die bal zal in één keer op de green.
Dat is waar ik aan moet denken als de fotograaf van de Telegraaf in een winderig steegje plaatjes van me schiet. Of liever, ik moet denken aan wat Tin Cup prevelt als hij zijn swing oefent: ‘dollar bills’. Iedere keer als ik het zie flitsen, denk ik dat. Want het interview is boven verwachting gegaan en het wordt een verhaal van minstens 1200 woorden, is me verteld.
Juist als de fotograaf languit op de grond ligt en mij ten voeten uit portretteert, passeert er een kale, bebrilde man voorovergebogen de steeg. Hij bedenkt zich en keert terug om te kijken, maar als hij me niet herkent, draait hij zich schouderophalend weer om.
‘Dollar bills,’ mompel ik grijnzend.
‘Klik’, zegt het fototoestel.

maandag, november 06, 2006

Rat race

Voor mijn doen ben ik vroeg uit de veren vandaag. Ik wil de honden namelijk urenlang uitlaten eer ik naar Roermond afreis voor het interview met de Telegraaf. Het gaat me niet alleen om het welzijn van Boris en Cindy. Ook wil ik mijn gedachten op een rij zien te krijgen. Wat ga ik zo meteen zeggen en vooral, hoe? Journalisten hebben uit de aard der zaak de neiging om op zoek te gaan naar het pissenbed onder de steen, omdat die pissenbed nu eenmaal interessant is en de rest loze ruimte. Ik kan het weten, want ik ben zelf journalist geweest. Een gewaarschuwd mens telt voor twee. Niet nog eens wil ik, zoals in HP/De Tijd gebeurde, als een zielepiet afgeschilderd worden, die tegen beter weten in op een doorbraak als schrijver blijft hopen en als een kras in een plaat blijft hangen in de slachtofferrol. Het gaat er juist om de zaken om te draaien, duidelijk te maken dat ik de regisseur ben van mijn eigen film.
De lucht is van lood en nergens is er bescherming tegen de wind. Ik ben blij dat ik een das om heb gedaan. De honden deert de kou niet. Boris legt de stok die ik voor hem heb weggegooid telkens weer netjes voor mijn voeten neer en Cindy huppelt onverstoord door de lege regels van gerooide aardappelvelden.
Oké, laat ons een tactiek uitstippelen. Ik mag dan een arme sloeber zijn, maar dat is altijd nog beter dan iedere dag met mijn dure leasebak in de file te moeten staan, omgeven door lotgenoten met chagrijnige smoelen. Zeven jaar geleden heb ik een keuze gemaakt en daar sta ik nog steeds achter. Als die rat race trouwens zo leuk zou zijn, waarom doen dan zoveel mensen aan loterijen mee, waarom zijn dan zoveel mensen bereid om zichzelf voor schut te zetten bij programma’s als de X-factor? Waarom zetten stelletjes hun relatie op het spel in Undercover Lover, waarom laten mensen zich vrijwillig opsluiten in een Gouden Kooi? Toch niet omdat ze zo tevreden zijn met hun huidige bestaan. Ik heb slechts gedaan waarvan een heleboel mensen stiekem dromen. Dat ik zonder vangnet in het diepe ben gesprongen, kun je dom noemen, maar ik ben er trots op. Zo ongeveer moet het gebracht worden, denk ik, want zo voelt het. Verder moet ik het zien te vermijden om modder te gooien naar Bladibla en zijn volgelingen. Ze doen immers geen vlieg kwaad, zoeken net als zovelen naar de zin van het bestaan. De kapstok waaraan ze hun identiteit hangen, is de mijne niet. Dat is alles.
Na een uur of twee is mijn verhaal rond en heeft de wandeling me weer bij de uitlopers van Samploy gebracht. Ik roep de honden en lijn ze aan. Met een diepe zucht verdwijnen de laatste vlinders uit mijn luchtpijp. Ik ben er klaar voor.

zondag, november 05, 2006

Dingetjes

Een paar uur later is het weer raak. Nu klinkt de fanfare echter een stuk opgewekter. Door het keukenraam ontdek ik glimlachend waarom. Na een laatste zucht van de tuba dooft de muziek middenin een mars en zwenkt het gezelschap rechts uit de flank de kroeg in. Zo hoort het, mannen, laat die vrouwlui maar lekker met de piepers wachten! Holland zou wat meer van Limburg moeten hebben, denk ik. Dat jachtige gedoe in het westen is nergens goed voor. Op de schaal van het universum is een mensenleven in een fractie van een milliseconde voorbij. Je zou wel gek zijn als je er niet van genoot. Doe je dat daarentegen weer teveel dan gaan andere, meer ambitieuze mensen over je heen lopen. Het resultaat kun je op de markt in Roermond vinden. Precies in het midden is er een marmeren cirkel aangebracht. Je kunt er omheen lopen en lezen door wie Limburg in de loop der eeuwen zoal veroverd en bezet is. Dat is een hele waslijst, die ik u zal besparen. Kijk, dan blijf je op een gegeven moment dus vanzelf in je schulp. Ecco de Limburger. Hier in Samploy is het ’s avonds pikkedonker. Van de straat af is niet te zien of er iemand thuis is, want overal zijn de rolluiken naar beneden gelaten, zodat er nog geen kiertje licht ontsnapt. Alsof het oorlog is en er verduisterd moet worden. Natasja’s huis is één van de weinige zonder. Nog een reden waarom ik me er prettig voel. Er zijn echter nog wat, eh, dingetjes. Nu ik hier toch tot woensdag zit, besluit ik ze aan te pakken.
Zo hangt de toiletrol verkeerd om. Een doodzonde. Wil je er probleemloos velletjes van af kunnen scheuren, dient deze met de aangebroken zijde naar je toe te hangen. Erger is de televisie. Na de Nederlandse zenders volgt er een diarree aan gelikte clips. Daarna zap ik langs sneeuw. Geen België, geen National Geographic of Discovery Channel en, heel problematisch op zondagavond, geen BBC. Ik moet en zal naar the best of Top Gear kijken en vooral luisteren naar het gebrul van de Audi RS4, die voor vanavond op de rol staat, heb ik op Internet ontdekt.
Er staat een videorecorder en een scartkabel vind ik ook. Ik herprogrammeer het apparaat en wat later is de beschaving tot Samploy doorgedrongen. Terwijl Jeremy Clarkson en ik van mijn droomauto genieten, druppelt op de achtergrond de kroeg leeg. De trombonist, tenminste, dat neem ik aan, doet een poging de taptoe te blazen en mag van geluk spreken dat er geen geile mannetjeseland in de buurt is.

Bomen en appels

De mannetjes zijn weer terug bij hun moeder. De overdracht verliep net als gisteren probleemloos. Zelfs Theo, met wie ik voor De regels wekelijks ging biljarten, maar ook degene die me herhaaldelijk dood heeft gewenst, had er een begroeting voor over, minzaam weliswaar, maar toch.
Nu mijn zoons niet meer hier zijn, is het nog stiller in Samploy, alleen doet het gebrek aan leven nu een beetje zeer, zoals altijd op zondag wanneer ik plotseling weer in mijn up ben. Ook de honden missen Sietse en Bart. Ze kijken me vragend aan en zoeken in alle hoeken en gaten. Het was dan ook dolle pret, vooral gisteren. Boris, de Golden Retriever, kreeg er maar niet genoeg van om achter het stuk touw aan te rennen dat Sietse telkens voor hem weggooide in de tuin. Het record staat op 86 keer. Cindy, de Duitse herder, week intussen haast niet van de zijde van Bart.
Tijdens één van onze tochten liepen we een stuk samen op met een vader en diens jonge zoon en eveneens twee honden. Mijn oudste zoon wierp zich op als een soort hostess en legde uit hoe de vork in de steel zat.
‘Goedemiddag,’ zei hij, ‘ik ben Sietse en dit zijn mijn vader en mijn broertje Bart. De honden heten Boris en Cindy. Die zijn van Natasja, maar die is nu naar Rome. Wij zijn op haar huis aan het passen.’
Uit de verhalen van mijn moeder weet ik dat ik me vroeger precies zo gedroeg.
‘Nog even en hij vertelt je mijn pincode,’ grijnsde ik de man toe.
Hij glimlachte zwijgend en ik besefte dat heel Samploy spoedig op de hoogte zou zijn van Natasja’s trip naar Rome. Zo gaat dat immers in een dorp.
Over de bazin des huizes gesproken, ze belde vannacht op. De portemonnee van de geluidsman was gerold, vertelde ze. Tickets, geld, credit card, alles weg. De eerstvolgende vlucht met vrije stoelen ging pas op woensdag. Ergens kwam dat nog wel goed uit ook, want dan kon ze mooi op zoek naar werk.
‘Hè?! Je kon toch bij die festivals aan de slag?’ vroeg ik nog, maar Natasja was te vol van Rome om me te horen. ‘Ik ben helemaal verliefd op deze stad!’ juichte ze. Of ik het niet erg vond om nog wat langer op huis en honden te passen?
‘Geen probleem,’ antwoordde ik geheel naar waarheid.
Ik heb het nog niet opgeschreven of de honden slaan aan. Buiten lijkt ineens het laatste oordeel aangebroken. Of nee. Het is de plaatselijke fanfare maar, ontdek ik. Terwijl de kerkklok erop los beiert, marcheren drie trommelaars, een handjevol blazers en een tamboer voorbij, in hun kielzog de pastoor in vol ornaat, die op zijn beurt weer gevolgd wordt door de plaatselijke notabelen en de rest van de kerkgaande bevolking van Samploy. Ik blijf in de tuin staan tot het geluid van de processie helemaal is uitgestorven en je weer een speld kunt horen vallen.

zaterdag, november 04, 2006

Fatwa

De laatste keer dat ik in ’t Plaatsje was, vierde mijn jongste zoon zijn derde verjaardag. Ik mocht een cadeautje komen brengen en precies een uur blijven. Daarna kwamen de ‘buren’, aldus Sonja, en moest ik de hielen gelicht hebben, want ze wilden me onder geen beding onder ogen komen. De enkele bewoners die voordien het toneel betraden, namen niet de moeite om me met mijn zoon te feliciteren en deden hoe dan ook alsof ik lucht was. Alleen mijn ex-schoonmoeder, overigens de leukste die ooit heb gehad, praatte met me, maar die was dan ook slechts op bezoek in Bladibla’s speeltuin en deed er altijd alsof haar neus bloedde.
Dat uur heb ik niet eens uitgezeten. Toen ik opstond, schreeuwde Bart moord en brand. Hij wilde persé met me mee. Zoals gewoonlijk was de situatie op een enkele tegel samen te vatten: twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen. Met gebalde vuisten liep ik terug naar mijn auto en nam me voor om pas weer in ’t Plaatsje terug te keren wanneer ik een bazooka had weten te bemachtigen.

Je kunt van alles zeggen over Natasja’s Nissan, maar niet dat het een James Bond-auto is. Geen mitrailleurs en ander wapentuig in de voorbumper dus. Wel ernstig versleten schokdempers, zodat ik me genoodzaakt zie om me met een slakkengang over ’s Heren wegen in Midden-Limburg te begeven. In allerlei schakeringen donkergrijs liggen er wolken op de horizon en af en toe verspreidt de zon het bleke, felle licht dat zo typerend is voor november. Ik ga het doen. Schijt aan de mensen daar die me met de nek aankijken, omdat ik een boek heb geschreven dat zich deels in een sekte afspeelt, om het even welke. Dat ze zich aangesproken voelen, zegt genoeg. Ik ga gewoon mijn zoons ophalen, als een normale gescheiden vader.
Op de parkeerplaats valt me op dat slechts een klein gedeelte ontdaan is van herfstbladeren. Het is zo precies gebeurd dat ik moet glimlachen. Ook in een spirituele woongemeenschap is het vooral zaak om het eigen straatje schoon te houden. Ik ben hier getuige geweest van ruzies over centenkwesties, ik heb hier stenen door ruiten zien gaan. Want door hoeveel goeroes een mens zich ook laat koeioneren, hij is en blijft doodgewoon. Maar dat mag niet opgeschreven worden. De devotees van Bladibla zijn met zo weinig dat ze zich uitverkoren wanen. En daar zat ik dan tussen met mijn rationele rotkop. Logisch dat het zo afliep. Maar niet gedraald nu. Fatwa of geen fatwa, ik kom hier voor mijn mannetjes. Met opgeheven hoofd loop ik het binnenterrein op.

vrijdag, november 03, 2006

Tapetenwechsel

Zomaar ineens ben ik naar de jaren vijftig van de vorige eeuw gekatapulteerd. Vanochtend belde Natasja op. Ze kon op stel en sprong naar Rome voor het festival waar ze me over verteld had. Ticket, hotel, alles werd voor haar betaald. Of mijn belofte nog steeds gold? Een man een man, een woord een woord. Dus bivakkeer ik nu in het landelijke Samploy, onder de rook van Roermond, waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan. Er is één kroeg en om het kwartier slaat de klok van de enige kerk. Verder kun je hier een kanon afschieten als er niet af en toe een tractor de stilte verstoorde. Een heel verschil met mijn slagzij makende zolder, waar de Velux-ramen af en toe ritmisch trillen als er een hoerensloep voorbij dreunt met de volumeknop op tien. Ik heb al twee keer met Boris en Cindy heerlijk door de weilanden gestruind. Inderdaad schatten van honden, die naar me luisteren alsof ze nooit anders hebben gedaan. Iedereen die ik tegenkwam groette me, zij het een beetje gereserveerd. Je zag het ze gewoon denken: wie is die snuiter? Alsof ik in Frankrijk ben. Er spookt een liedje van Hildegard Knef door mijn hoofd: ‘Ich brauch Tapetenwechsel, sprach die Birke.’ Voor het eerst in jaren heb ik een vakantiegevoel.

Natasja’s huis is even klein als knus en opvallend proper. Alles heeft er kennelijk een vaste plek en is als met een liniaal gerangschikt, zelfs dingen als schoonmaakdoekjes. Her en der staat fitnessapparatuur en het mysterie van de kinderhersenchirurgie is opgelost: in de slaapkamer en in de badkamer vond ik hele stapels doktersromannetjes. Ik weet niet precies waarom, maar het geheel bezorgt me een brok in de keel. Misschien omdat ik voor het eerst in een week weer eens een volle maag heb, want Natasja heeft gezegd dat ik mag pakken wat ik wil uit de overvolle koelkast en vrieskist. Ze heeft zelfs aan bier gedacht, de schat. Mocht dat niet genoeg zijn dan is er ook de kelder nog, waar genoeg eten en drinken is opgeslagen om een oorlog te overleven. Maar de grootste verrassing is misschien nog wel het gloednieuwe pakje Drum dat ik vind. Er zit een geel stickertje op. ‘Geniet ervan!’ lees ik.
’s Avonds probeer ik naar het debat tussen Balkenende en Bos te kijken, maar halverwege zet ik de tv uit en ga de tuin in. Het is een heldere nacht en de maan is bijna vol. Op het hijgen van de honden na ontbreekt ieder geluid. Ik geloof warempel dat ik me gelukkig voel.

Casanova

Op het schoolplein komen van alle kanten aantrekkelijke dames tevoorschijn geschoten om me een hand te geven.
‘Hallo! Ik ben Maria, de moeder van Sjors, je weet wel. Die zit bij Sietse in de klas.’
‘Hoi! Ik ben Deborah. Ik geef hier handenarbeid.’
Het duizelt me en ik vergeet prompt naar de vingers te kijken. Zit er een trouwring aan of niet? De gedachte aan schuinsmarcheerder Kluun is onvermijdelijk. Hij was succesvol in de reclame, ik in de communicatie. Daarna gingen we beiden schrijven, in een enigszins vergelijkbare stijl, mikkend in ieder geval op een groot lezerspubliek. Hem heeft dat geen windeieren gelegd en mij? De kop van het artikel dat HP/De Tijd onlangs aan mij wijdde, luidde ‘Miskluun’. Dat had natuurlijk flatteuzer gekund. Anderzijds ben ik ook vergeleken met Erich Maria Remarque en John Irving, wat Kluun nog maar mooi voor elkaar moet zien te krijgen.
Hoe dan ook, het is welletjes met mijn monnikenbestaan, vind ik. Mijn libido schreeuwt al een tijdje om een romance waar de vonken van af vliegen. Helaas ben ik niet zo’n Casanova. Op papier ja, daar kan ik alles. Vandaar mijn virtuele harem. Maar in de werkelijkheid verander ik in een stamelende zandzak, zodra er mooie vrouwen in de buurt zijn. En het komt al helemaal niet in me op om op ze af te stappen en er een verpletterende oneliner op los te laten.
Eén keer, lang geleden, tijdens mijn verblijf van een half jaar in Frankrijk, maakte ik een uitzondering op de regels. Ik was in een bomvolle disco en mijn oog werd gevangen door een ravissante blondine. Het was wederzijds ook. Juist wilde ik, aangemoedigd door mijn collega’s uit het hotel waar ik als manusje-van-alles werkzaam was, op haar afstappen toen de discotheek vanwege een bommelding ontruimd moest worden. Op straat rekte ik mijn nek in alle standen om haar te ontdekken. Vergeefs. Tjonge, wat baalde ik. Gelukkig stond ze naderhand op precies dezelfde plek. Nu of nooit, dacht ik en worstelde me door de menigte heen.
‘Voulez-vous danser avec moi?’ stotterde ik heel origineel, eenmaal oog in oog met haar.
Enfin, vervolgens hebben Nathalie en ik een week als konijnen in mijn kamer doorgebracht. Daarna ging ze terug naar haar vriend in Parijs. Ze kon gewoon niet zonder seks, legde ze uit. Ik evenmin. Toen niet en nu niet. Maar ik ben bang dat ik, wil het er weer eens van komen, met een sandwichbord om door het leven zal moeten gaan. Op de tekst beraad ik me nog. Suggesties zijn welkom.

donderdag, november 02, 2006

Lekker puh

Over vanochtend wil ik het eigenlijk liever niet hebben. Maar vooruit, je blogt of je blogt niet. Toen ik na zeker een half uur wachten in het gemeentehuis eindelijk aan de beurt was, werd me meegedeeld dat de meegebrachte pasfoto’s niet aan de eisen des tijds voldeden. De zwaar opgemaakte juffrouw aan de balie had met name moeite met mijn olijke lach.
‘Wat maakt dat nou uit?’ vroeg ik.
‘Meneer,’ antwoordde ze kil, ‘identiteit is een serieuze aangelegenheid.’
‘Ja maar, ik ben toch dezelfde persoon, of ik nou lach of huil?’
‘Dat zijn de regels, meneer, en daar hebben we ons allemaal aan te houden.’
Even overwoog ik om het plan van wijlen Pim Fortuyn om het aantal ambtenaren in Nederland drastisch te verminderen, ten uitvoer te brengen en wel onmiddellijk en ter plekke. Of moest ik eerst ergens een bulldozer scoren en dan de boel plat rijden? Haalde ik tenminste de krant. Alsof het iets voor mij is om uit mijn vel te springen. Ik zou niet weten wanneer ik voor het laatst woedend ben geworden. Het punt is dat ik voor alles en iedereen begrip kan opbrengen, zelfs voor moslimterroristen als het moet. Daarom droop ik maar af.
Buiten op het marktplein bekeek ik de inhoud van mijn portemonnee. Minus de benodigde 33 Euro 60 voor een ID-bewijs niet genoeg voor pasfoto’s dus. Gisteren had ik wellicht iets te enthousiast bijgedragen aan de groei van de economie en naast shag, koffie en koffiemelk allerhande zaken ingeslagen die op of bijna op waren geweest: deodorant, scheerschuim, tandpasta, toiletpapier, wasmiddel, dat soort dingen. Ik moest toch ook aan mijn persoonlijke hygiëne denken? Alsof de duivel ermee speelde, pakten zich op dat moment donkere wolken samen boven Roermond. Het weerhield de toeristen op de verwarmde terrassen er niet van om koffie te lurken à raison van 2 Euro 50 per vingerhoedje. Misschien, bedacht ik, moest ik gewoon gaan zitten en in hongerstaking gaan. Veel was daar niet voor nodig. Vannacht had de kramp in mijn maag me een keer gewekt. Hoe dan ook voelde ik me gammel. Al mijn lymfeklieren waren opgezwollen. Vitaminegebrek? Nog even en ik kreeg scheurbuik, zoals de zeehelden in de boeken die ik als kind verslond. Ik weigerde echter bij de pakken neer te zitten en liet me op de terugweg alvast bij twee uitzendbureaus inschrijven. Lekker puh. Mijn ID-bewijs beloofde ik later langs te brengen. Meer zat er niet in, want ik moest Bart van school gaan halen.