Op mijn rittenstaat moet ik invullen op welke tijdstippen ik passagiers in- en uit- heb geladen. Gemiddeld duurt een rit niet meer dan zes minuten. Doorgaans kost het mij geen enkele moeite om mensen in die 360 seconden naar de mond te praten en het risicoloos over het weer te hebben.
‘Koud voor de tijd van het jaar, wat u zegt. En die wind ook!’
Ik vervoer ze van A naar B en ze mogen zeggen wat ze willen. In de CAO voor personenvervoer staat trouwens woordelijk dat ik het met ze eens moet zijn.
Dat lukt niet altijd.
In mijn taxi worden oplossingen aangedragen voor de integratieproblematiek die sinds de val van Hitlers Derde Rijk onbespreekbaar zijn.
‘Alle buitenlanders op een mammoettanker, een eind de Oceaan op en dan de stop eruit.’
Kamerleden zouden verplicht een maand taxi moeten rijden alvorens op het paarse pluche plaats te nemen. Dan zouden ze niet zo verbaasd zijn over de populariteit van volksmenners.
‘Ze stelen onze banen en ze stelen onze wijven,’ raast de man naast me maar door. ‘En het ergste is nog dat die ambtenarenkliek in Den Haag ze geen strobreed in de weg legt. Ik zal het je nog sterker vertellen: als je blank bent, krijg je niets meer gedaan in dit land.’
‘Alsof Hollanders allemaal van die lieverdjes zijn,’ zeg ik dan. Of iets in die trant. Soms helpt het en worden de passagier en ik het uiteindelijk eens: een klein groepje etters verpest het voor de rest, ongeacht de huidskleur. Soms ook werkt mijn opmerking als een rode lap op een stier.
‘Hollanders slachten tenminste geen geiten op het balkon boven je.’
Op die momenten heb ik lak aan de CAO voor het personenvervoer. ‘Heeft u toevallig Turkse bovenburen?’ informeer ik. Meestal niet, nee. Hoe mijn passagier het dan weet, van die geiten? Hij heeft het gehoord, van een kameraad die weer een vriend heeft die in een volksbuurt van Sittard woont. Het is er godverdomme een getto geworden. Bruinjoekels, waar je maar kijkt. Ik slik en kom alsnog mijn CAO na. De zes minuten zitten er toch bijna op.
‘Dit land gaat naar de klote,’ verzucht ik.
Mijn passagier is het volmondig met me eens. Misschien tipt hij me wel.
Posts tonen met het label actie in de taxi. Alle posts tonen
Posts tonen met het label actie in de taxi. Alle posts tonen
donderdag, maart 22, 2007
zondag, januari 07, 2007
'Houw er maar op'
Hij mag een meisjesnaam hebben, maar met carnaval gaat hij verkleed als Obelix en daar hoeft hij weinig moeite voor te doen. Hannie hoort in de cel wegens heroïnehandel en openbare geweldpleging, maar kan dankzij een vormfout en zijn advocaat Spong (ja, die Spong) ongestraft voor bedrijfsleider spelen bij de firma Hatax, taxibedrijf te Waer, alwaar ik zes nachten per week mijn brood verdien, grotendeels zwart.
Het is een rustige avond. Ik breng veel tijd door bij het station van Waer. Na de afschaffing van de treintaxi komen er nog zelden klanten uit de twee boemeltjes die hier per uur stoppen. Op de mobilofoon hoor ik dat er twee busjes naar Eindhoven Airport moeten, voor een groep Engelsen. Hannie en collega Erwin nemen de klus voor hun rekening.
Tot mijn verbazing zie ik de busjes zo’n anderhalf uur later in mijn spiegel verschijnen, leeg. Wat blijkt? Net toen ze bij Eindhoven Airport waren, kwam er bij de centrale een telefoontje binnen. De busjes hoefden niet meer, want het gezelschap nam bij nader inzien de trein. Aangezien de Engelsen naar Theresa Heul moeten, komen ze zo hier op het station aan. Dan moet er afgerekend worden, want je laat niet voor niets twee taxi’s naar Eindhoven op en neer rijden.
Wat later drommen de Engelsen samen voor een bushokje. Hannie laat er geen gras over groeien en posteert zich voor de grootste van de groep, een langharige, bebaarde man.
‘I want 100 Euro,’ blaft Hannie.
De Engelsman blaft terug dat hij uit Londen komt en dat hij van niets weet.
Hannie overlegt per mobieltje met de baas.
‘Houw er maar op,’ hoor ook ik, Limburgs voor ‘sla er maar op’.
De lucht staat onder stroom en de tijd lijkt te hikken. Dit is een kantelmoment, besef ik. Als ik niets doe, gaan er harde klappen vallen en misschien wel erger. Maar Hannie heeft me al een paar keer duidelijk gemaakt dat hij geen tegenspraak duldt, al helemaal niet in het bijzijn van klanten. Als ik ingrijp heb ik geen leven meer bij Hatax.
‘In one second you could be dead!’ schreeuwt de bedrijfsleider tegen de Engelsman.
Die ogen! Hannie is een dolle stier nu. Ik moet hem stoppen, anders vallen er echt doden.
Als hij uithaalt, ga ik met mijn volle gewicht aan zijn arm hangen.
‘Niet doen,’ bezweer ik hem. ‘Je wilt toch niet weer de bak in?’
Het is een rustige avond. Ik breng veel tijd door bij het station van Waer. Na de afschaffing van de treintaxi komen er nog zelden klanten uit de twee boemeltjes die hier per uur stoppen. Op de mobilofoon hoor ik dat er twee busjes naar Eindhoven Airport moeten, voor een groep Engelsen. Hannie en collega Erwin nemen de klus voor hun rekening.
Tot mijn verbazing zie ik de busjes zo’n anderhalf uur later in mijn spiegel verschijnen, leeg. Wat blijkt? Net toen ze bij Eindhoven Airport waren, kwam er bij de centrale een telefoontje binnen. De busjes hoefden niet meer, want het gezelschap nam bij nader inzien de trein. Aangezien de Engelsen naar Theresa Heul moeten, komen ze zo hier op het station aan. Dan moet er afgerekend worden, want je laat niet voor niets twee taxi’s naar Eindhoven op en neer rijden.
Wat later drommen de Engelsen samen voor een bushokje. Hannie laat er geen gras over groeien en posteert zich voor de grootste van de groep, een langharige, bebaarde man.
‘I want 100 Euro,’ blaft Hannie.
De Engelsman blaft terug dat hij uit Londen komt en dat hij van niets weet.
Hannie overlegt per mobieltje met de baas.
‘Houw er maar op,’ hoor ook ik, Limburgs voor ‘sla er maar op’.
De lucht staat onder stroom en de tijd lijkt te hikken. Dit is een kantelmoment, besef ik. Als ik niets doe, gaan er harde klappen vallen en misschien wel erger. Maar Hannie heeft me al een paar keer duidelijk gemaakt dat hij geen tegenspraak duldt, al helemaal niet in het bijzijn van klanten. Als ik ingrijp heb ik geen leven meer bij Hatax.
‘In one second you could be dead!’ schreeuwt de bedrijfsleider tegen de Engelsman.
Die ogen! Hannie is een dolle stier nu. Ik moet hem stoppen, anders vallen er echt doden.
Als hij uithaalt, ga ik met mijn volle gewicht aan zijn arm hangen.
‘Niet doen,’ bezweer ik hem. ‘Je wilt toch niet weer de bak in?’
vrijdag, november 24, 2006
Het Stockholm-syndroom
Meestal pikte ik Thomas in een snackbar op, waarna zich een wolk van knoflooklucht in de taxi verspreidde. Thomas was bijna altijd stoned en, als hij was wezen biljarten, nog dronken erbij ook. Maar altijd bleef hij even helder formuleren. We raakten niet uitgepraat, Thomas en ik. Net als ik was hij zijn vrouw kwijtgeraakt, net als ik leefde hij het leven van een buitenstaander, net als ik was hij een snelle denker. Hij bestelde en las mijn boeken, wat nog meer gespreksstof opleverde. Vaak zette ik de motor maar stil als we na tien minuten voor zijn deur te hebben gestaan, nog niet tot een voorlopige conclusie gekomen waren. Ik deed dan net of ik de drukte op de mobilofoon niet hoorde.
Op een nacht vertelde ik Thomas over mijn carrière. Het enthousiasme waarmee ik aan iedere nieuwe baan begonnen was, de vermoeidheid die me doorgaans al snel had bevangen, het tandvlees waarop ik was doorgegaan tot het niet meer ging, twee jaar of twee maanden later.
‘Hou maar op,’ zei Thomas en pakte mijn arm. ‘Ik heb precies hetzelfde. Ook op de ziekte van Pfeiffer laten testen en zo? En al die neurologen, internisten en andere specialisten hebben niets kunnen vinden, zeker?’
Ik knikte.
‘Onuitstaanbaar,’ vervolgde Thomas, ‘ik was ervan overtuigd dat ik iets onder de leden had. Toen ben ik het in een andere hoek gaan zoeken.’
‘Hopelijk toch niets zweverigs, hè?’ plaagde ik.
‘Verre van dat,’ antwoordde Thomas. ‘Ik ben gewoon wat gaan lezen. Over psychologie en psychiatrie. En toen heb ik gevonden wat ons mankeert. Wil je het weten of moet je al weg?’
Op de mobilofoon was het nummer van mijn taxi inmiddels al drie keer omgeroepen.
‘Eigenlijk wel. Maar ga door.’
‘Heb je wel eens van het Stockholm-syndroom gehoord?’ vroeg mijn passagier.
‘Tuurlijk. Slachtoffer wordt verliefd op ontvoerder bij wijze van enige manier om aan de permanente doodsangst te ontsnappen.’
‘Precies,’ zei Thomas. ‘Dat is met jou, mij en nog vele anderen aan de hand. Wij allen worden door het systeem in gijzeling gehouden. Uit arren moede proberen we maar mee te doen, terwijl onze geest een wit konijn uit de hoge hoed tovert. We maken onszelf wijs dat we verliefd zijn op het systeem. Natuurlijk houden we dat telkens maar even vol.’
Mijn ‘holy shit!’ ging verloren in het gekraak van de mobilofoon.
‘Wagen 2, waar zit je nou? De kroegen sluiten, je moet terug naar de Plats!’
Op een nacht vertelde ik Thomas over mijn carrière. Het enthousiasme waarmee ik aan iedere nieuwe baan begonnen was, de vermoeidheid die me doorgaans al snel had bevangen, het tandvlees waarop ik was doorgegaan tot het niet meer ging, twee jaar of twee maanden later.
‘Hou maar op,’ zei Thomas en pakte mijn arm. ‘Ik heb precies hetzelfde. Ook op de ziekte van Pfeiffer laten testen en zo? En al die neurologen, internisten en andere specialisten hebben niets kunnen vinden, zeker?’
Ik knikte.
‘Onuitstaanbaar,’ vervolgde Thomas, ‘ik was ervan overtuigd dat ik iets onder de leden had. Toen ben ik het in een andere hoek gaan zoeken.’
‘Hopelijk toch niets zweverigs, hè?’ plaagde ik.
‘Verre van dat,’ antwoordde Thomas. ‘Ik ben gewoon wat gaan lezen. Over psychologie en psychiatrie. En toen heb ik gevonden wat ons mankeert. Wil je het weten of moet je al weg?’
Op de mobilofoon was het nummer van mijn taxi inmiddels al drie keer omgeroepen.
‘Eigenlijk wel. Maar ga door.’
‘Heb je wel eens van het Stockholm-syndroom gehoord?’ vroeg mijn passagier.
‘Tuurlijk. Slachtoffer wordt verliefd op ontvoerder bij wijze van enige manier om aan de permanente doodsangst te ontsnappen.’
‘Precies,’ zei Thomas. ‘Dat is met jou, mij en nog vele anderen aan de hand. Wij allen worden door het systeem in gijzeling gehouden. Uit arren moede proberen we maar mee te doen, terwijl onze geest een wit konijn uit de hoge hoed tovert. We maken onszelf wijs dat we verliefd zijn op het systeem. Natuurlijk houden we dat telkens maar even vol.’
Mijn ‘holy shit!’ ging verloren in het gekraak van de mobilofoon.
‘Wagen 2, waar zit je nou? De kroegen sluiten, je moet terug naar de Plats!’
Abonneren op:
Posts (Atom)